Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1858

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/16/608117 / KL ZA 26-58
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming voorlopige zorgregeling en dwangsom opgelegd aan moeder

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een kort geding over de nakoming van een voorlopige zorgregeling tussen een vader en moeder met betrekking tot hun minderjarige kind. De zorgregeling was bij beschikking van 13 februari 2026 vastgesteld en voorzag in een opbouwschema van contactmomenten tussen vader en kind.

De vader vorderde nakoming van deze regeling en een dwangsom bij niet-nakoming, terwijl de moeder verweer voerde en in reconventie opschorting van de regeling vroeg. Tijdens de zitting bleek dat de zorgregeling niet werd nageleefd, mede door discussies tussen ouders over de uitvoering en aanwezigheid tijdens contactmomenten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de beschikking duidelijk was en dat de moeder zich daaraan moest houden. Er waren geen zwaarwegende belangen die de uitvoering van de regeling tegenstonden. De moeder werd veroordeeld tot nakoming en het betalen van een dwangsom van €250 per overtreding, met een maximum van €10.000. De vordering tot opschorting werd afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familiezakencontext.

Uitkomst: De moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de voorlopige zorgregeling en het betalen van een dwangsom bij niet-nakoming; de vordering tot opschorting wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Familiekamer
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/608117 / KL ZA 26-58
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
[vader],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. N. Geradts,
tegen
[moeder],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.F.J. Huigens.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 8 van de vader;
  • het betekeningsexploot;
  • de conclusie van antwoord teven eis in reconventie met producties1 tot en met 11 van de moeder;
  • aanvullende producties 9 tot en met 12 van de vader;
  • aanvullende producties 12 en 13 van de moeder.
1.2
De vorderingen zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad).
Tijdens de zitting is door beide advocaten een pleitnotitie overgelegd.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
De ouders hebben samen een kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .
2.3
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
2.4
Bij beschikking van 13 februari 2026 van deze rechtbank is de volgende voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld:
  • week 1 tot en met 4 vanaf de datum van deze beschikking: vier weken achter elkaar vindt van zondag 10.00 uur tot 11.30 uur een contactmoment plaats tussen de vader en [minderjarige] bij [locatie] in Almere, waarbij [minderjarige] wordt gebracht door opa (mz) of een andere neutraal persoon waarmee [minderjarige] vertrouwd is;
  • week 5 tot en met 8: de vier weken die daarop volgen vindt iedere week op zondag van 10.00 uur tot 12.30 uur een contactmoment plaats tussen de vader en [minderjarige] in het huis waar de moeder woont in [woonplaats] , waarbij de moeder de woning gedurende die tijd verlaat en opa (mz) of een ander neutraal persoon waarmee [minderjarige] vertrouwd is, de vader binnenlaat en dan vertrekt, en de vader ook weer ‘aflost’ om 12.30 uur;
  • week 9 en 10: de twee weken die daarop volgen vindt iedere week op zondag van
  • vanaf week 11: daarna zal [minderjarige] om de week een weekend van zaterdag 12.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de vader verblijven, waarbij het wisselmoment op zaterdag
  • in het weekend dat [minderjarige] niet bij haar vader is, vindt op zondag om 10.00 uur een

3.Het geschil

in conventie
3.1
De vader vordert:
de moeder te veroordelen tot nakoming van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, d.d. 13 februari 2026 met zaaknummer C/16/597037 / FL RK 25-803, inhoudende dat de voorlopig vastgestelde zorgregeling zoals vermeld onder 4.2 van het petitum wordt nagekomen, waarbij [minderjarige] wordt overgedragen door opa (mz) of een ander neutraal persoon waarmee [minderjarige] bekend is en waarbij de overdrager vervolgens vertrekt;
en te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 2.500,- voor iedere keer, dat zij in gebreke blijft het onder 1 bepaalde te voldoen, met een maximum van
€ 50.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, alsook maximum;
3. de moeder te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van deze procedure ten bedrage van € 5.009,-, althans conform het liquidatietarief, waaronder de kosten van griffierecht, de kosten van betekening en het salaris van de advocaat, te vermeerderen met de nakosten.
3.2
De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure, nakosten daaronder begrepen.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4
De moeder vordert uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de vader in de proceskosten, te bepalen dat aan de uitspraak van 13 februari 2026 met zaaknummer C/16/597037 / FL RK 25-803 werking wordt ontnomen lopende de bodemprocedure onder nummer C/16/597037 / FL RK 25-803, danwel zoals de voorzieningenrechter zal vernemen te behoren.
3.5
De vader voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van de moeder.
3.6
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vader grotendeels toe en veroordeelt de moeder tot nakoming van de bij beschikking van 13 februari 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling zoals vermeld onder 4.2. van het petitum en bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat zij dat niet doet, met een maximum van € 10.000,-. Daarmee wijst de voorzieningenrechter de vordering van de moeder om de zorgregeling op te schorten af en veroordeelt haar in de proceskosten. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt.
Spoedeisend belang
4.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende sprake is van een spoedeisend belang bij de vorderingen. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de bij beschikking van 13 februari 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling niet wordt uitgevoerd. Eerst hadden partijen discussie over de precieze uitvoering van de vastgestelde regeling en daarna is de regeling helemaal stilgelegd. Dat betekent dat er voldoende reden is voor de voorzieningenrechter om de vorderingen in dit kort geding inhoudelijk te beoordelen.
Zorgregeling
4.3
Bij beschikking van 13 februari 2026 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] . Omdat de vader en [minderjarige] elkaar al een tijd niet hadden gezien, heeft de rechtbank daarin een tien weken durende opbouw aangebracht die bestaat uit verschillende stappen. Ondanks dat die stappen uitgebreid beschreven staan, is het de ouders niet gelukt om de eerste vier weken van het opbouwschema goed te doorlopen. Eerst is er discussie geweest over het startmoment van de regeling en daarna over wie er aanwezig mocht zijn tijdens de omgang bij [locatie] . Deze discussie tussen ouders heeft ervoor gezorgd dat de opbouw inmiddels weer stil ligt en de vader en [minderjarige] elkaar het weekend van 15 maart 2026 helemaal niet hebben gezien. De voorzieningenrechter vindt dat onbegrijpelijk. Het uitgangspunt is dat een door de bodemrechter vastgestelde zorgregeling uitgevoerd moet worden tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.
4.4
De voorzieningenrechter heeft de moeder tijdens de zitting gevraagd of er dingen uit de beschikking van de rechtbank van 13 februari 2026 onduidelijk voor haar zijn. De moeder is namelijk alle omgangsmomenten zelf bij [locatie] aanwezig geweest. Ook haar zus is bij de omgangsmomenten aanwezig geweest. Daarnaast heeft de moeder het vierde omgangsmoment in het geheel afgezegd. Op die vraag van de voorzieningenrechter heeft de moeder geantwoord dat nergens in de beschikking expliciet staat dat zij niet bij de omgang aanwezig mag zijn en dat zij sowieso vindt dat ze [minderjarige] vanwege haar jonge leeftijd niet alleen kan laten bij de vader. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de beschikking duidelijk blijkt dat de moeder niet aanwezig mag zijn tijdens de omgang en dat ook de derde persoon na de overdracht moet vertrekken. In overweging 3.16. is opgenomen dat begeleiding van de omgang door personen uit het netwerk niet wenselijk is omdat uit eerdere contactmomenten is gebleken dat dit voor spanning zorgt en dus niet in het belang van [minderjarige] is. Daarom heeft de rechtbank overwogen dat de opa van moederskant of een ander persoon die [minderjarige] kent en vertrouwt, alleen een rol moet spelen tijdens de overdracht en dat deze persoon verder niet bij de contactmomenten aanwezig is. Verder blijkt uit overweging 3.16. dat de rechtbank deze beslissing over de overdracht door een derde persoon neemt, zodat de vader en de moeder elkaar niet hoeven te treffen. Evident is dus dat de moeder niet bij de overdracht dan wel de omgang aanwezig mag zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beschikking van de bodemrechter duidelijk en volledig is en heeft daarom vooral de indruk dat de moeder het niet eens is met die beslissing. Echter als zij het niet eens is met een beslissing, kan zij daartegen in hoger beroep gaan of indien zich een wijziging van omstandigheden voordoet, een wijziging daarvan vragen. De beslissing van de rechtbank naast haar neerleggen en zich daar gedeeltelijk of geheel niet aan houden is geen optie.
4.5
Uit de beschikking van 13 februari 2026 blijkt dat de bodemrechter hetgeen partijen in die procedure naar voren hebben gebracht zorgvuldig heeft afgewogen en in het belang van [minderjarige] een opbouwende zorgregeling heeft vastgesteld. In hetgeen de moeder in deze procedure heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter net als de Raad geen enkele aanleiding om de eerdere beschikking te wijzigen of op te schorten. Niet is gebleken dat zwaarwegende belangen van [minderjarige] zich tegen de uitvoering van de vastgestelde zorgregeling verzetten. Ook ziet de voorzieningenrechter, anders dan dat de zorgregeling de afgelopen weken niet goed is uitgevoerd, geen wijziging van omstandigheden. Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat de afgelopen weken duidelijk is geworden dat [minderjarige] veel spanning ervaart rondom het contact en de huidige wijze van omgang niet goed voor haar is, overweegt de voorzieningenrechter dat die spanning wordt veroorzaakt door het niet volledig nakomen van de beslissing. Door tijdens de contactmomenten bij [locatie] zelf en samen met de derde persoon aanwezig te zijn, heeft de moeder hele gespannen situaties gecreëerd die niet in het belang van [minderjarige] zijn. De voorzieningenrechter heeft daarnaast namelijk, net als de bodemrechter, nog steeds geen enkele reden om aan te nemen dat de spanning wordt veroorzaakt door het contact tussen de vader en [minderjarige] zelf en zij niet alleen zouden kunnen zijn met elkaar.
4.6
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vastgestelde zorgregeling volledig nagekomen moet worden. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de vader daarom toewijzen, ook het gedeelte dat ziet op het verbinden van een dwangsom aan die nakoming. Gelet op de houding van de moeder de afgelopen weken en ook tijdens de zitting, heeft de voorzieningenrechter er onvoldoende vertrouwen in dat zij de gehele vastgestelde regeling vrijwillig zal nakomen. De Raad heeft tijdens de zitting verklaard dat een dwangsom meestal niet in het belang van een kind wordt geacht omdat het alleen maar voor meer strijd tussen ouders zorgt. In dit geval kan de Raad zich echter voorstellen dat het opleggen van een dwangsom noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de vader en [minderjarige] een band met elkaar op kunnen bouwen. De voorzieningenrechter sluit zich daarbij aan, maar ziet wel aanleiding om de gevraagde dwangsommen te beperken zoals hierna uit het dictum zal blijken. De vordering van de moeder om de zorgregeling op te schorten wordt afgewezen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de ouders de regeling weer zullen oppakken op het punt in de opbouw waar zij gebleven zijn.
4.7
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat zij hoopt dat partijen snel kunnen beginnen met een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod waar de bodemrechter hen naar verwezen heeft. Uit de stukken en tijdens de zitting is het de voorzieningenrechter heel duidelijk geworden dat partijen hulp nodig hebben en nog veel moeten leren om in de toekomst samen te kunnen werken als ouders. De huidige situatie en onderlinge verhouding is namelijk absoluut niet in het belang van [minderjarige] . De voorzieningenrechter roept partijen dan ook op om zich volledig in te zetten voor het hulpverleningstraject en ieder hun eigen verantwoordelijkheid te nemen om de situatie te verbeteren.
Proceskosten
4.8
De vader heeft dit kort geding moeten aanspannen omdat de moeder de beschikking van 13 februari 2026 niet nakomt en de voorzieningenrechter stelt de moeder daarover in het ongelijk. Dit kan normaliter aanleiding voor de voorzieningenrechter zijn om de moeder te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter bepaalt desondanks toch dat de kosten in dit kort geding moeten worden gecompenseerd omdat dat in familiezaken gebruikelijk is. De focus moet liggen op de nakoming van de zorgregeling, betaling van een geldsom van de een aan de ander helpt daar niet bij.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1
veroordeelt de moeder tot nakoming van de bij beschikking van 13 februari 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling zoals vermeld onder 4.2. van het petitum;
5.2
veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat zij niet aan de beslissing onder 5.1. voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.3
compenseert de proceskosten tussen partijen;
5.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.6
wijst de vordering van de moeder af;
5.7
compenseert de proceskosten tussen partijen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Verhoef, voorzieningenrechter, in samenwerking met mr. L. de Kroon, griffier. Dit vonnis is ondertekend door mr. L.P. de Haas, teamvoorzitter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.