Art. 11a OpiumwetArt. 70 Wetboek van StrafrechtArt. 72 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenvonnis over verjaring strafvervolging wegens hennepkweek
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 30 januari 2026 de strafzaak tegen de verdachte, die wordt beschuldigd van het voorhanden hebben van stoffen en/of voorwerpen bestemd voor het plegen van een strafbaar feit uit de Opiumwet, namelijk het kweken van hennep op 26 september 2019 in een woning te Baarn.
De rechtbank constateert dat het recht tot strafvervolging mogelijk is verjaard, omdat het strafmaximum voor het ten laste gelegde feit drie jaar gevangenisstraf bedraagt en de verjaringstermijn volgens artikel 70, sub 2, Wetboek van Strafrecht zes jaar is. De dagvaarding dateert van december 2025, terwijl het onderzoek en de ontnemingsvordering al in oktober 2019 waren afgerond.
Er is geen bewijs van stuiting van de verjaring zoals bedoeld in artikel 72 WetboekPro van Strafrecht. Daarom wijst de rechtbank een tussenvonnis en heropent de zaak om het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid te geven zich schriftelijk uit te laten over de verjaring.
De rechtbank schorst het onderzoek tot 20 maart 2026 om 13.30 uur. Dit tussenvonnis is uitgesproken door de meervoudige kamer op 13 februari 2026.
Uitkomst: De rechtbank heropent de zaak en schorst het onderzoek om partijen schriftelijk te laten reageren op de vraag of het recht op strafvervolging is verjaard.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.037848.20 (strafzaak)
Tussenvonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2026
in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De strafzaak van de verdachte is (gelijktijdige met de aanhangige ontnemingsvordering) inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. A.E. Lohuis;
de advocaat van de verdachte: mr. W.K. Cheng (hierna: de advocaat).
2.TENLASTELEGGING
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 26 september 2019 in een woning te Baarn stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd zijn tot het plegen van een strafbaar feit uit de Opiumwet, te weten het kweken van hennep.
3.VOORVRAGEN
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat uit de gedingstukken het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat dat het recht tot strafvervolging in deze zaak is verjaard. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij artikel 11a van de Opiumwet (het artikel wat in deze zaak ten laste is gelegd) geldt als strafmaximum een gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaar. In artikel 70, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald wanneer het recht tot strafvordering door verjaring vervalt. Bij misdrijven waar een strafmaximum van 3 jaar gevangenisstraf geldt, betreft de verjaringstermijn 6 jaar. In deze strafzaak zijn het binnentreden in de woning van verdachte, het verhoor en het opstellen van het ontnemingsrapport allemaal afgerond in oktober 2019. De dagvaarding en de ontnemingsvordering dateren echter van december 2025.
De rechtbank is van oordeel dat er vooralsnog uit de stukken niet gebleken is van een stuiting van de verjaring (een daad van vervolging waarna een nieuwe verjaringstermijn aanvangt) als bedoeld in artikel 72 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Bovenstaande maakt dat de rechtbank het ernstige vermoeden heeft dat het recht op vervolging in deze zaak is verjaard. Dat heeft ook gevolgen voor de beslissing op de ontnemingsvordering. De rechtbank zal daarom dit tussenvonnis wijzen, de zaak heropenen en het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid geven zich hier (schriftelijk) over uit te laten.
4.BESLISSING
De rechtbank:
- heropent het onderzoek en schorst het onderzoek ter zitting tot 20 maart 2026 om 13.30 uur.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2026.