Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan de [adres 1] te [plaats], vastgesteld op €483.000 per 1 januari 2022. Na bezwaar en een bestreden uitspraak die het bezwaar ongegrond verklaarde, is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij vier referentiewoningen uit dezelfde straat en periode zijn gebruikt. De rechtbank acht deze referentiewoningen goed bruikbaar en vindt dat de taxatiematrix en toelichting voldoende inzicht geven in de waardebepaling en de onderlinge verschillen.
Eiser stelt dat het onderhoudsniveau en de voorzieningen van de woning ten onrechte als bovengemiddeld zijn gekwalificeerd en pleit voor een lagere waarde van €465.000. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de woning na aankoop in 2019 volledig is opgeknapt, wat het hogere onderhoudsniveau rechtvaardigt.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar en oordeelt dat ook bij een gemiddelde waardering van onderhoud en voorzieningen de waarde in lijn blijft met de referentieobjecten. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de uitspraak op bezwaar in stand blijft en eiser geen gelijk krijgt.