Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1888

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/16/589342 / FL RK 25-223
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:377b BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing erkenning, gezag en omgang in afwachting van zedenonderzoek

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van zijn kind, vaststelling van gezamenlijk gezag en een omgangsregeling. De moeder is momenteel de enige gezaghouder. De rechtbank besloot de verzoeken omtrent erkenning, gezag en omgang voor zes maanden aan te houden vanwege een lopend zedenonderzoek naar mogelijke misbruik door de man.

De bijzondere curator bracht twijfels naar voren over de impact van erkenning op de moeder-kindrelatie en adviseerde mogelijk aanvullend onderzoek. De omgangsregeling werd eerder opgeschort en de rechtbank vond het niet in het belang van het kind om nu een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, mede vanwege de zorgen over het zedenonderzoek en de onvoldoende motivatie van de man voor begeleide omgang.

Omdat de man juridisch nog niet als ouder wordt erkend, kan hij formeel geen informatie over het kind opeisen. De moeder stemde echter in met een informatieregeling waarbij zij maandelijks een e-mail stuurt over de gezondheid, school en hobby’s van het kind, zonder dat de man daarop mag reageren. De rechtbank verklaarde deze regeling uitvoerbaar bij voorraad en wees de overige verzoeken af.

De beslissing kan door tussenkomst van een advocaat binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De rechtbank vraagt partijen om tijdig te melden of verlenging van het uitstel of een nieuwe zitting nodig is.

Uitkomst: Beslissing over erkenning, gezag en omgang aangehouden voor zes maanden; informatieregeling vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/589342 / FL RK 25-223
Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang en informatieregeling
Beschikking van 27 maart 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.S. Bissumbhar,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. W.F. Wienen (voorheen mr. A.G. Ton).
met als belanghebbende
mr. D.G. NAGEL
kantoorhoudende in Almere,
als bijzondere curator over het kind [minderjarige] .

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 4 februari 2025;
  • het aanvullend verzoekschrift van de man (met bijlage), binnengekomen op 22 april 2025;
  • het advies van de bijzondere curator, binnengekomen op 8 juli 2025;
  • de reactie van de man op het advies van de bijzondere curator van 18 juli 2025;
  • het bericht van de man (met bijlagen) van 15 januari 2026;
  • het bericht van de vrouw (met bijlagen) van 16 januari 2026;
  • de berichten van de vrouw (met bijlagen) van 11 februari 2026;
  • de brief van de man (met bijlagen) van 13 februari 2026;
  • het aanvullende verzoek van de man, binnengekomen op 15 februari 2026.
1.2
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: de advocaat van de vrouw, de man met zijn advocaat, de bijzondere curator en [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De vrouw had van tevoren medegedeeld dat zij vanwege een verblijf in het buitenland niet bij de zitting aanwezig zou zijn.
1.3
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van de vrouw van 23 februari 2026;
  • het bericht van de man van 26 februari 2026.
1.4
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Tijdens de relatie is een kind geboren:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] .
2.3
De vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij zelfstandig de belangrijke beslissingen over het kind kan nemen.
2.4
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het proces-verbaal mondelinge uitspraak van 15 september 2025 de omgangsregeling (inclusief de dwangsommen) tussen de vader en [minderjarige] opgeschort.
2.5
De man verzoekt:
  • de toestemming van de vrouw tot erkenning van [minderjarige] te vervangen;
  • een omgangsregeling vast te stellen conform punt 5 van zijn verzoekschrift, althans een regeling die de rechtbank juist en redelijk acht;
  • te bepalen dat partijen samen het ouderlijk gezag hebben over [minderjarige] ;
  • een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw een keer per maand een
o de gezondheid van [minderjarige] ;
o hoe het met haar op school gaat;
o de hobby’s.
2.6
De vrouw is het niet met de verzoeken eens.

3.De beoordeling

Erkenning
3.1
De rechtbank houdt het verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning voor zes maanden aan. Dat betekent dat de rechtbank nu nog geen beslissing neemt. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom.
3.2
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De rechter kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. [1]
3.3
De rechtbank kan nu nog niet beoordelen of er sprake is van zo’n uitzonderlijke situatie. Daarbij speelt het volgende mee. De bijzondere curator heeft in haar schriftelijk advies gezegd dat er twijfels zijn of de erkenning invloed heeft op de band tussen de vrouw en [minderjarige] en gesuggereerd dat wellicht een Raadsonderzoek nodig zou zijn om te kunnen bepalen of die uitzonderingsgrond zich hier voordoet. De vrouw heeft tijdens het gesprek met de bijzondere curator namelijk gezegd dat de man haar mentaal slecht heeft behandeld en zij angstig is voor onderdrukking. Na het uitbrengen van haar advies is de bijzondere curator bekend geworden met de vrees voor seksueel misbruik van [minderjarige] door de man en het zedenonderzoek door de politie. [minderjarige] zou zorgelijke uitspraken hebben gedaan, waarop er een onderzoek is gestart. Dat is voor zowel de bijzondere curator als de Raad en de rechtbank een extra reden om de beslissing over de erkenning aan te houden en de uitkomst van het zedenonderzoek af te wachten. Afhankelijk van de uitkomst van het zedenonderzoek zal moeten worden bekeken of daarnaast nog onderzoek nodig is naar de impact (van de erkenning) op de band tussen de vrouw en [minderjarige] en de ontwikkeling van [minderjarige] .
Omgangsregeling en gezag
3.4
De rechtbank houdt de beslissing over de omgangsregeling en het gezag ook voor zes maanden aan.
3.5
De eerdere omgangsregeling is op 15 september 2025 door de voorzieningenrechter opgeschort. De rechtbank stelt nu geen (nieuwe) voorlopige omgangsregeling vast, gelet op de zorgelijke uitlatingen van [minderjarige] tijdens een individueel gesprek op 23 september 2025 in het Amsterdam UMC. Als gevolg daarvan zijn de zorgen van mogelijk seksueel misbruik van [minderjarige] door de man nog steeds aanwezig. De man snapt, heeft hij gezegd, dat er vanwege deze zorgen nu geen onbegeleide omgang kan zijn. De man heeft ook gezegd dat hij op zich niet tegen begeleide omgang is, maar dan wel iets leuks met [minderjarige] wil kunnen doen en dat de begeleider dan mee kan. Hij wil niet – heeft hij eerder gemaild en ter zitting herhaald – op een kantoor bij omgangsbegeleiding een uurtje per week omgang hebben, omdat hij niet inziet wat hij of [minderjarige] daaraan hebben.
3.6
De Raad heeft toegelicht dat dát wel de manier is waarop een begeleid omgangstraject begint. Als het goed gaat, kan er eventueel naar buiten worden gegaan om iets leuks te doen, maar dat hangt af van verschillende factoren, waaronder de eerste begeleide omgangsmomenten en de reactie van [minderjarige] daarop. Gelet op dit advies van de Raad vindt de rechtbank het nu niet in het belang van [minderjarige] om een voorlopige begeleide omgangsregeling te bepalen. Begeleide omgang begint toch vrijwel altijd met korte afspraken op de locatie van de omgangsbegeleiding. Als de man daar niet gemotiveerd voor is, vindt de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om dit nu te gaan opstarten. Daarbij weegt ook mee dat het zedenonderzoek door de politie nog loopt en verdere omgang uiteraard ook daarvan afhankelijk is. Deze twee dingen – het zedenonderzoek en kennelijk onvoldoende motivatie bij de man voor deze vorm van omgangsbegeleiding – maken dat de rechtbank nu geen omgangsregeling bepaalt.
3.7
Voordat er sprake kan zijn van gezamenlijk gezag, moet eerst het juridisch vaderschap van de man worden vastgesteld. Daarnaast moet er ook duidelijkheid komen over de omgang. Omdat het verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning en de omgangsregeling wordt aangehouden, houdt de rechtbank ook het verzoek over het gezag aan voor zes maanden.
Informatieregeling
3.8
Omdat de beslissing over de erkenning wordt aangehouden, is de man juridisch gezien naar de huidige stand van zaken niet een ‘ouder’ in de zin van de wet. Dat betekent onder andere dat de rechtbank de vrouw niet kan verplichten om de man informatie te geven over [minderjarige] ; die verplichting bestaat alleen jegens een ouder. Biologisch ouderschap is daarvoor niet voldoende. Echter, in de rechtspraak is wel aangenomen dat het informatierecht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM wel toe kan komen aan een vader die het kind niet heeft erkend. Nu (i) de man op dit moment geen omgang met [minderjarige] heeft en (ii) de vrouw zich bereid heeft verklaard om informatie over [minderjarige] te geven, ziet de rechtbank aanleiding om in dit geval wel een informatieregeling te bepalen. [2]
3.9
De vrouw heeft de rechtbank bericht dat zij bereid is om de man eenmaal per maand een e-mail te sturen, waarin zij vertelt hoe het met [minderjarige] gaat. Dit wil zij doen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de man niet op die e-mails gaat reageren. De man heeft hierop gereageerd en gezegd dat hij op het voorstel van de vrouw geen opmerkingen heeft.
3.1
De rechtbank zal de door de vrouw voorgestelde informatieregeling daarom vastleggen en de rest van het verzoek van de man afwijzen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.11
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
bepaalt dat de vrouw een keer per maand een e-mail zal sturen aan de man – onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de man niet op deze e-mail reageert – over:
  • de gezondheid van [minderjarige] ,
  • hoe het met haar gaat op school,
  • haar hobby’s;
4.2
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
wijst de verzoeken die zien op een informatieregeling voor het overige af;
4.4.
houdt de (verdere) beslissing over de erkenning, de omgangsregeling en het gezag aan voor
de duur van zes maanden, in afwachting van de uitkomst van het zedenonderzoek door de politie, met het verzoek aan de advocaten voor die tijd te laten weten:
  • of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
  • of een nieuwe zitting nodig is;
  • of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1: 204 lid 3 BW.
2.Artikel 1:377b BW