Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1907

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
11854326 \ MC EXPL 25-4727
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand bedrijfshuur en bijkomende kosten toegewezen

De huurder heeft een bedrijfsruimte gehuurd en laat volgens de verhuurder vijf maanden huur onbetaald. De huurovereenkomst is per 30 juni 2025 beëindigd. De huurder erkent slechts drie maanden huur te hebben openstaan en wil het restant in termijnen betalen. De kantonrechter stelt vast dat de verhuurder de betalingen correct heeft verwerkt en dat de huurder inderdaad vijf maanden huur verschuldigd is, na verrekening van de borg.

De overeengekomen contractuele rente wordt toegewezen zonder matiging, omdat beide partijen handelend in bedrijf of beroep zijn en de huurder niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. De rente over de periode van zeven maanden verzuim wordt vastgesteld op € 2.100,-. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van € 1.029,55 toegewezen, inclusief rente vanaf de dag van dagvaarding.

De huurder vordert in reconventie schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige opzegging, maar deze vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet tijdig is ingesteld. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 1.286,73. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de volledige huurachterstand, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11854326 \ MC EXPL 25-4727
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser] B.V,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

[gedaagde] heeft een bedrijfsruimte in Soest van [eiser] gehuurd. De huurprijs bedroeg € 1.372,73. De huurovereenkomst is per 30 juni 2025 beëindigd. [eiser] stelt dat [gedaagde] vijf maanden huur onbetaald heeft gelaten. Na verrekening van de borg vordert [gedaagde] in deze procedure betaling van € 3.938,65 aan huur, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [gedaagde] stonden er maar drie maanden huur open en resteert er na verrekening van de borg nog € 2.559,73. [gedaagde] wil dit bedrag in 12 termijnen betalen. [gedaagde] vindt de contractuele rente buitensporig hoog en wil dat de rente beperkt wordt tot de contractuele handelsrente.

2.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 21 augustus 2025,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek met producties, eis in reconventie,
- de akte vermindering van eis en de akte uitlaten van [eiser] , tevens conclusie van antwoord in reconventie.

3.De beoordeling

De achterstallige huur
3.1
De huurovereenkomst is op 30 juni 2025 beëindigd. [eiser] vordert bij dagvaarding betaling van de maanden:
- december 2024,
- januari 2025,
- februari 2025,
- mei 2025,
- juni 2025.
3.2
[gedaagde] zegt dat hij de maanden januari 2025, maart 2025 en april 2025 heeft betaald. [gedaagde] heeft bankafschriften overgelegd van huurbetalingen die zijn gedaan op 2 januari 2025, 1 maart 2025 en 2 april 2025. [eiser] bevestigt dat zij deze betalingen heeft ontvangen. Met de betaling van 2 januari 2025 heeft [eiser] de huur van november 2024 afgeboekt. Met de betalingen van 1 maart 2025 en 2 april 2025 heeft [eiser] de huur van maart 2025 en april 2025 afgeboekt. [eiser] blijft erbij dat een huurachterstand van 5 maanden openstaat.
3.3
De kantonrechter stelt vast dat in de vordering van [eiser] al rekening is gehouden met de drie betalingen door [gedaagde] . [gedaagde] heeft niet weersproken dat hij de huur voor de maand november 2024 verschuldigd was en [gedaagde] heeft geen betaalbewijzen overgelegd waaruit andere betalingen blijken die op de maand november zien. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de berekening van [eiser] klopt. Dit betekent dat [gedaagde] uiteindelijk vijf maanden huur onbetaald heeft gelaten (in totaal € 6.863,65) en dat na verrekening van de borg (€ 2.925,00) een openstaande huur van € 3.938,65 resteert. [gedaagde] zal worden veroordeeld om dit bedrag aan hoofdsom te betalen.
Rente
3.4
Partijen zijn de rente contractueel overeengekomen. Beide partijen handelen in de uitoefening van bedrijf of beroep. Als [gedaagde] het niet eens was met de rente, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om hierover voor het sluiten van de huurovereenkomst met [eiser] te onderhandelen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de rente te matigen.
3.5
Dit betekent dat op basis van artikel 23.2 van de algemene voorwaarden € 300,- per maand dat [gedaagde] in verzuim is, rente in rekening mag worden gebracht. Omdat [gedaagde] vanaf december 2024 in verzuim is komen te verkeren, is hij de rente verschuldigd. Het gaat om een periode van 7 maanden dat er een betalingsachterstand was, waardoor € 2.100,- aan (boete)rente toewijsbaar is. Dit bedrag ziet op de periode tot en met 7 augustus 2025, na die datum is [gedaagde] de rente van 1% per maand over de openstaande huur verschuldigd.
Buitengerechtelijke kosten
3.6
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] vindt het niet redelijk om buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen, omdat [eiser] ook na de opzegging van de huurovereenkomst drie maanden huur heeft voldaan. Ook hier geldt dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om de buitengerechtelijke kosten te matigen. [gedaagde] heeft hiervoor onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot matiging zouden moeten leiden.
3.7
Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. De door [eiser] gevorderde vergoeding zal worden toegewezen, omdat er geen redenen zijn om tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan. De vergoeding dient berekend te worden over openstaande huursom, voor verrekening met de borgsom. Daarom zal een bedrag van € 1.029,55 worden toegewezen.
3.8
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
[gedaagde] is niet ontvankelijk in zijn vordering in reconventie
3.9
[gedaagde] stelt dat [eiser] de huurovereenkomst eenzijdig en zonder opgave van redenen heeft opgezegd, waardoor hij schade heeft geleden. Bij de conclusie van dupliek heeft [gedaagde] gevorderd om [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [gedaagde] als gevolg van de beëindiging van de huurovereenkomst geleden heeft.
3.1
Artikel 137 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat een eis in reconventie bij conclusie van antwoord moet worden ingesteld. Omdat [gedaagde] de vordering in reconventie pas bij dupliek heeft ingesteld, kan hij niet worden ontvangen in zijn vordering. De eis in reconventie wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
De proceskosten
3.11
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.286,73

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.938,65 aan huur, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1% per maand over een bedrag van € 3.938,65, met ingang van 8 augustus 2026, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.100,- aan rente tot en met 7 augustus 2026,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.029,55 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1% per maand, met ingang van 21 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.286,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
PM/45352