Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1913

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
11802415 \ LC EXPL 25-1549
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding en ontruiming bij huurovereenkomst ondanks huurachterstand en medeoorzaak verhuurder

De gemeente Lelystad en [gedaagde] zijn in geschil over de vraag of een huurovereenkomst tot stand is gekomen voor een deel van een gebouw dat door [gedaagde] werd gebruikt voor een dansschool. De kantonrechter stelt vast dat ondanks het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst, door overeenstemming over de essentialia een mondelinge huurovereenkomst is ontstaan per 2 januari 2015.

De gemeente vordert betaling van een aanzienlijke huurachterstand vanaf 1 januari 2022 tot en met mei 2025, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] betwist het bestaan van de huurovereenkomst en stelt dat eerst een beheerovereenkomst met een andere huurder had moeten worden gesloten. Tevens vordert zij terugbetaling van betaalde bedragen en schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelt dat de beheerovereenkomst geen opschortende maar een ontbindende voorwaarde is en dat het ontbreken daarvan de totstandkoming van de huurovereenkomst niet verhindert. De huurachterstand wordt vastgesteld op € 27.361,40, inclusief wettelijke handelsrente. De gevorderde ontbinding en ontruiming worden voorwaardelijk toegewezen, omdat de gemeente zelf ook debet is aan het ontstaan van de situatie door onvoldoende tijdige communicatie.

De vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten en verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Er is een huurovereenkomst tot stand gekomen, [gedaagde] moet huurachterstand betalen en ontbinding en ontruiming worden voorwaardelijk toegewezen vanwege medeoorzaak van de verhuurder.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11802415 \ LC EXPL 25-1549
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
GEMEENTE LELYSTAD,
te Lelystad,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. M.P.C. Hendriks,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.J. Winkel.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding (met 17 producties) van de gemeente;
  • de conclusie van antwoord (met 27 producties) en eis in reconventie van [gedaagde] ;
  • de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte eisvermeerdering en nadere producties (18 t/m 22) van de gemeente;
  • de aanvullende producties (28 t/m 56) van [gedaagde] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Namens de gemeente is verschenen de heer [A] ( [functie] ), bijgestaan door mr. M.P.C. Hendriks en mr. [B] . Namens [gedaagde] zijn verschenen mevrouw [C] (voorzitter) en (via een videoverbinding) mevrouw [D] (penningmeester), bijgestaan door mr. P.J. Winkel. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemeente heeft in dat kader pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3
Op verzoek van [gedaagde] en met instemming van de gemeente is de zaak (langer) aangehouden voor minnelijk overleg. Partijen zijn er niet uitgekomen. Daarom heeft de gemeente om vonnis gevraagd.
1.4
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

Deze zaak draait om de vraag of tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van (een groot deel) van de gevorderde huurachterstand. Omdat de gemeente echter zelf ook debet is aan het ontstaan van de huidige situatie, ziet de kantonrechter aanleiding om de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk (als [gedaagde] niet voldoet aan de bepaalde betalingsvoorwaarden) toe wijzen.

3.De achtergrond van het geschil

3.1
De gemeente is eigenaar van het [.] aan de [straat] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] te [plaats] (hierna: het gebouw). [gedaagde] heeft sinds januari 2015 een deel van het gebouw op de eerste verdieping (hierna ook te noemen: het gehuurde) feitelijk in gebruik genomen, voor onder meer de exploitatie van haar dansschool.
3.2
Het is partijen niet gelukt om afspraken over het gebruik formeel schriftelijk vast te leggen in een door beide partijen ondertekende huurovereenkomst.
3.3
De gemeente stelt dat er sprake is van een aanzienlijke huurachterstand. [gedaagde] heeft namelijk (los van verjaring en kwijtschelding) bijna negen jaar lang nauwelijks betaald voor het gebruik: alleen voor de maanden januari 2022 tot en met mei 2022 en daarna pas vanaf juli 2024 weer. Daarnaast stelt de gemeente dat [gedaagde] het gehuurde gebruikt in strijd met de overeengekomen bestemming. De gemeente vordert onder meer primair (kort gezegd): een verklaring voor recht dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen op 2 januari 2015, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van € 31.195,84 aan achterstallige huur (berekend vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 mei 2025).
3.4
[gedaagde] stelt zich (primair) op het standpunt dat nooit een huurovereenkomst tot stand is gekomen, met name omdat eerst een beheerovereenkomst gesloten had moeten worden met de andere huurder in het gebouw: de [stichting] (h.o.d.n. [handelsnaam] , hierna: [handelsnaam] ). Dit is tot op heden niet gelukt. [handelsnaam] veroorzaakt veel overlast. In reconventie vordert [gedaagde] daarom onder andere (kort gezegd): dat de betaalde bedragen moeten worden terugbetaald, dat (verder) moet worden onderhandeld over een huurovereenkomst en een beheerovereenkomst en dat een voorschot van € 100.000,- moet worden betaald als vergoeding van de schade als gevolg van de niet-totstandkoming van de beheerovereenkomst en/of de daaruit voortvloeiende overlast.

4.De beoordeling

In conventie
Beheerovereenkomst is geen vereiste voor totstandkoming huurovereenkomst
4.1
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de beheerovereenkomst heeft te gelden als opschortende voorwaarde voor het tot stand komen van de huurovereenkomst. Daarbij doet zij een beroep op het besluit van de gemeente van 14 oktober 2014 (productie 4 bij dagvaarding, hierna: het besluit), waarin onder meer staat dat een beheerovereenkomst over de afstemming van de activiteiten in het pand tussen partijen ( [gedaagde] en [handelsnaam] ) wordt gesloten en deze als ontbindende factor in het huurcontract wordt opgenomen.
4.2
De kantonrechter volgt de betekenis die [gedaagde] aan het besluit geeft, dat het gaat om een opschortende voorwaarde, niet. [gedaagde] heeft namelijk daarna – zonder beheerovereenkomst – tot op heden het pand al in gebruik genomen en gehouden, waarbij ook overeenstemming is bereikt over de prijs. Het gegeven dat er geen beheersovereenkomst was, heeft dit gebruik niet in de weg gestaan.
Dat eerst een huurovereenkomst moet worden gesloten is ook niet vreemd, omdat in de beheerovereenkomst afspraken worden gemaakt tussen twee huurders. Dan moet er dus eerst sprake zijn van huur. De kantonrechter is van oordeel dat het hier niet gaat om een opschortende voorwaarde, maar om ontbindende voorwaarde, waaruit lijkt te volgen (zoals de gemeente ook stelt) dat een tekortkoming van de beheerovereenkomst ook heeft te gelden als een tekortkoming van de huurovereenkomst en dus tot ontbinding van de huurovereenkomst kan leiden. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat al sinds de eerste gezamenlijk versie van de conceptbeheerovereenkomst van 21 oktober 2014 [1] staat:

Ontbindende voorwaarden:
Deze beheersovereenkomst is een onderdeel van het huurcontract en zal dus alleen worden beëindigd indien een der partijen geen huurovereenkomst heeft.”
Dit volgt ook uit de opmerking van [gedaagde] bij de conceptbeheerovereenkomst:
“Er moet een algemene regel opgenomen worden over de consequenties van het niet naleven van de overeenkomst: hoe wordt daarop opgetreden? 2 x waarschuwing 3de keer ontbinding van de huurovereenkomst.” [2]
4.3
In het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden en feitelijke gang van zaken is de kantonrechter van oordeel dat partijen niet redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat het overeenkomen van een beheerovereenkomst als opschortende voorwaarde geldt voor de totstandkoming van een huurovereenkomst. Het besluit doet dus niet af aan de (hierna te behandelen) totstandkoming van de huurovereenkomst door de overeenstemming over de essentialia.
Huurovereenkomst tot stand gekomen
4.4
Beoordeeld moet worden of tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Een huurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij (de verhuurder) zich tegenover de andere partij (de huurder) verbindt een zaak of gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken, en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie (artikel 7:201 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Er zijn dus twee essentiële kenmerken die een overeenkomst tot een huurovereenkomst maken, de essentialia: (1) het verschaffen van het gebruik van een bepaalde zaak en (2) de tegenprestatie. Als overeenstemming is bereikt over deze twee essentiële kenmerken, is er sprake van een huurovereenkomst.
4.5
De kantonrechter is van oordeel dat overeenstemming is bereikt over (in ieder geval) beide essentialia van de huurovereenkomst. De gemeente heeft het gehuurde in gebruik verstrekt en [gedaagde] heeft het gehuurde in januari 2015 ook feitelijk in gebruik genomen. Verder is over de huurprijs eveneens overeenstemming bereikt. [gedaagde] bevestigt dit zelf ook in nummer 105 van haar conclusie van antwoord:
Over de huurprijs was destijds overeenstemming. De huurprijs was € 800,00 exclusief btw (€ 168) vermeerderd met een bedrag van € 132,00 als voorschot gas, licht en water, hetgeen in totaal neerkwam op een bedrag van € 1.100,00 inclusief btw per maand.
Ook in haar mail van 2 september 2024 (productie 27) bevestigt [gedaagde] deze afspraak.
4.6
[gedaagde] noemt andere punten waarover volgens haar geen overeenstemming was (zoals de ingangsdatum, de beheerovereenkomst, de opeisbaarheid van de huurtermijnen, de looptijd, de opzegmogelijkheden), maar dit betreffen geen essentialia. Dit laat dus – wat hier verder ook van zij – onverlet dat over de essentialia wel overeenstemming is: het verstrekken in gebruik tegen een overeengekomen tegenprestatie. Hierdoor is een (mondelinge) huurovereenkomst tot stand is gekomen. Hoewel de [gedaagde] zelf aangeeft dat zij al omstreeks september/oktober 2014 (de sleutels van) het gehuurde ter beschikking heeft gekregen voor verbouwingswerkzaamheden [3] gaat de gemeente uit van een ingangsdatum van 2 januari 2015. Vast staat dat het gehuurde op die dag officieel is geopend en het gebruik dus (in ieder geval) vanaf die dag is verschaft.
4.7
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat op 2 januari 2015 een huurovereenkomst tot stand is gekomen toewijsbaar is. Het betreft dan de subsidiair gevorderde verklaring voor recht op grond van de hiervoor besproken overeenstemming over de essentialia. De primair gevorderde verklaring voor recht (dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen welke inhoudelijk gelijk is aan het concept van 21 oktober 2021, hierna: het concept) is namelijk niet toewijsbaar, omdat die versie, ondanks verzoeken daartoe, nooit is ondertekend door [gedaagde] en onvoldoende kan worden vastgesteld dat zij akkoord is gegaan met alle hierin genoemde punten. Daar komt bij dat tussen partijen nadien, in 2018, nog andersluidende versies van de concept-huurovereenkomst hebben uitgewisseld.
Huurachterstand moet worden betaald
4.8
Aangezien een huurovereenkomst tot stand is gekomen, is [gedaagde] gehouden om aan haar huurbetalingsverplichtingen te voldoen. De huur van de jaren 2015 tot 2022 heeft de gemeente al, voor zover die niet reeds zijn verjaard, kwijtgescholden. De gemeente vordert in deze procedure betaling van de huurachterstand vanaf 1 januari 2022 [4] van € 31.195,84, berekend tot en met 31 mei 2025. [gedaagde] echter voert aan dat de huurachterstand € 22.345,40 bedraagt. [5]
4.9
Het verschil zit in de door de gemeente berekende jaarlijkse indexeringen op basis van de (toepasselijke algemene voorwaarden bij de) concepthuurovereenkomst. Hiervoor is echter al geoordeeld dat niet van het concept wordt uitgegaan. De huurprijsindexering is dus niet tussen partijen overeengekomen. Overigens gaat de gemeente in de door haar gevorderde verklaring voor recht zelf ook uit van een huurprijs zonder indexeringen.
4.1
Het overzicht van [gedaagde] , waarin wordt uitgegaan van een huurprijs van € 1.100 [6] zonder huurprijsindexeringen, is dus correct, behalve dat de periode januari 2022 tot en met mei 2022 niet is meegerekend. De gemeente heeft abusievelijk geschreven in de conclusie van antwoord in reconventie dat de huur voor deze maanden is kwijtgescholden en reeds is terugbetaald, maar dit heeft zij weer gecorrigeerd. [7] De korting van 50% (€ 484) geldt alleen voor de maand januari 2022. Er moet dus nog een bedrag van € 5.016 (= 5 x € 1.100 – € 484) worden opgeteld in het overzicht van [gedaagde] .
4.11
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 27.361,40 (€ 22.345,40 + € 5.016,00), berekend tot en met mei 2025. Ook de wettelijke handelsrente is als onvoldoende weersproken toewijsbaar op grond van artikel 6:119a BW. Het beroep op matiging van de huurachterstand moet als onvoldoende onderbouwd worden verworpen.
4.12
Verder vordert de gemeente (nog te verschijnen) huurpenningen vanaf 1 juni 2025 tot en met de datum waarop de huurovereenkomst wordt ontbonden. De reeds vervallen huur tot en met heden zal worden toegewezen, voor zover die nog niet al zijn betaald.
De vordering tot betaling van nog niet vervallen (dus toekomstige) huurpenningen, moet echter worden afgewezen. De gemeente heeft immers op dit moment nog geen recht op deze bedragen. Bovendien kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor [gedaagde] deze bedragen niet (helemaal) hoeft te betalen.
Ontbinding en ontruiming voorwaardelijk toegewezen
4.13
De gemeente vordert ook ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Er is namelijk een huurachterstand van aanzienlijke omvang. Verder stelt de gemeente dat [gedaagde] het gehuurde in strijd met de overeengekomen bestemming (dansschool met ondergeschikte horeca voor haar eigen bezoekers c.q. leden) heeft geëxploiteerd. [gedaagde] gebruikt het gehuurde namelijk ook voor zaalverhuur voor onder meer feesten en partijen, bingoavonden, darttoernooien en dit alles met horeca.
4.14
Het verweer van [gedaagde] ziet met name op het standpunt dat (zonder beheerovereenkomst) geen huurovereenkomst tot stand kan komen, maar dat kan dus niet worden gevolgd. Dat de gemeente jarenlang geen betaling heeft verlangd, kan haar evenmin baten. Het verzenden van facturen is geen vereiste voor het ontstaan van een betalingsverplichting. De huur is immers een brengschuld. Op grond van de huurovereenkomst is [gedaagde] gehouden tot betaling van de huur.
4.15
Hiervoor is al vastgesteld dat de huurachterstand (berekend vanaf januari 2022 tot en met mei 2025) € 27.361,40 bedraagt. Dit is een huurachterstand van ruim twee jaar.
Gezien de omvang van de huurachterstand is de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in beginsel toewijsbaar. In beginsel is een huurachterstand van drie maanden namelijk al voldoende.
4.16
De kantonrechter ziet echter aanleiding om de ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken, in die zin dat pas ontbonden en ontruimd zal worden als [gedaagde] zich niet houdt aan de onder de beslissing te bepalen betalingsverplichtingen.
De handelwijze van de gemeente in deze kwestie verdient namelijk – zo erkent zij zelf ook – geen schoonheidsprijs. De gemeente heeft [gedaagde] meermaals en voor langere tijd lang “laten zwemmen.” Dit terwijl, zeker van een gemeente, mag worden verwacht en gevergd dat duidelijk en tijdig wordt gecommuniceerd (en gereageerd). Ook de gemeente heeft steken laten vallen, waardoor deze situatie is ontstaan en te lang heeft voortgeduurd. [gedaagde] heeft gevraagd om een ontruimingstermijn van twaalf maanden, maar gelet op de voorwaardelijke toewijzing, ziet de kantonrechter geen aanleiding om een langere ontruimingstermijn te bepalen dan de gebruikelijke veertien dagen.
4.17
De gevorderde dwangsom op de ontruiming moet worden afgewezen.
De deurwaarder is op grond van de wet bevoegd tot de daadwerkelijke uitvoering van de veroordeling tot ontruiming (zie artikelen 556 lid 1 en 557 in samenhang met artikel 444 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Omdat de gemeente dus al mogelijkheden heeft om de ontruiming af te dwingen, is het niet nodig om daarnaast de gevorderde dwangsom toe te wijzen. Deze zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Incassokosten
4.18
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.086,69 zullen eveneens worden afgewezen. De gemeente heeft onvoldoende gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de gemeente vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
In reconventie
Er is een huurovereenkomst, dus geen terugbetaling of hervatting onderhandeling
4.19
In reconventie vordert [gedaagde] terugbetaling van de betaalde bedragen omdat volgens haar geen huurovereenkomst tot stand is gekomen. Verder vordert zij veroordeling van de gemeente tot voortzetting van de onderhandelingen en daarbij maximale inspanning om tot een huurovereenkomst te komen.
4.2
In conventie is al geoordeeld dat sprake is van een huurovereenkomst en dat [gedaagde] gehouden is om haar huurbetalingsverplichtingen te voldoen. Deze vorderingen moeten daarom worden afgewezen.
Geen verplichting tot onderhandeling over beheerovereenkomst
4.21
Verder vordert [gedaagde] om de gemeente te gebieden om (verder) te onderhandelen met [gedaagde] en [handelsnaam] over een beheerovereenkomst en zich daarbij maximaal in te spannen, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per dag met een maximum van € 100.000.
4.22
[gedaagde] heeft echter onvoldoende gesteld met betrekking tot de wettelijke grondslag en de gronden voor het gevorderde. Dit had wel op de weg van [gedaagde] gelegen, zeker gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente. Bovendien is de dwangsom gekoppeld aan een inspanningsverplichting die onvoldoende bepaald is.
Deze vordering moet dan ook worden afgewezen.
4.23
Overigens staat in het besluit op pagina 4 onder punt 4 (productie 4 bij dagvaarding): “De twee partijen [ [gedaagde] en [handelsnaam] ] zullen daarom een beheerovereenkomst met elkaar aangaan waarin afstemming plaatsvindt tussen activiteiten en doelgroepen.” Het is dus aan [gedaagde] en [handelsnaam] om overeenstemming te bereiken over de te maken afspraken, waarbij de gemeente wellicht hooguit een faciliterende rol kan spelen.
Overlastklachten
4.24
Daarnaast vordert [gedaagde] om de gemeente te gebieden om de overlastklachten over [handelsnaam] te onderzoeken en, indien nodig, maatregelen te treffen op straffe van een dwangsom van € 2.500 per dag met een maximum van € 100.000.
4.25
Ook deze vordering moet worden afgewezen bij gebrek aan onderbouwing.
Het had ook hier op de weg van [gedaagde] gelegen om voldoende te stellen en te onderbouwen dat sprake is van concrete klachten die zodanig zijn dat die als gebreken kunnen kwalificeren. [gedaagde] heeft in dit verband echter onvoldoende gesteld, laat staan onderbouwd met stukken dat nog sprake is van zodanige (ernstige en structurele) overlast. Als dat wel het geval is dan moet de gemeente (als verhuurder) hiertegen optreden. Op de zitting heeft [gedaagde] echter desgevraagd aangeven dat zij geen recente meldingen meer heeft gedaan en dat zij de overlast nu gewoon negeert of laat overwaaien.
Geen huurprijsvermindering
4.26
[gedaagde] vordert verder een huurprijsvermindering van 50% zolang de beheerovereenkomst niet tot stand is gekomen of zolang de overlast door [handelsnaam] niet grondig wordt onderzocht en/of geen maatregelen daartegen wordt getroffen.
4.27
De gevorderde huurprijsvermindering komt ook niet voor toewijzing in aanmerking. Het ontbreken van de beheerovereenkomst levert op zichzelf geen gebrek op en kan reeds daarom niet leiden tot een huurprijsvermindering. Verder heeft [gedaagde] – zoals hiervoor overwogen – onvoldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van zodanige overlast dat die kan worden gekwalificeerd als een gebrek, laat staan dat die een huurprijsvermindering rechtvaardigen. Alleen een substantiële aantasting van het huurgenot kan namelijk een huurprijsvermindering rechtvaardigen.
Geen schadevergoeding
4.28
Tot slot vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor alle door [gedaagde] geleden en nog te lijden schade door de niet totstandkoming van de beheerovereenkomst en/of daaruit voortvloeiende overlast in de periode vanaf 2015 en een schadevergoeding nader op te maken bij staat en betaling van € 100.000 als voorschot daarop.
4.29
[gedaagde] heeft ook in het kader van deze vorderingen onvoldoende gesteld over de grondslag en de gronden daarvoor. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
4.3
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij zowel in conventie als in reconventie, in de proceskosten worden veroordeeld.
4.31
In conventie worden de proceskosten tot aan dit vonnis aan de zijde van de gemeente begroot op:
- dagvaarding € 147,42
- griffierecht € 1.461,00
- salaris gemachtigde € 1.154,00 (2 punten x tarief € 577,00)
- nakosten € 144,00 +plus eventuele betekeningskosten)
totaal € 2.906,42
4.32
In reconventie worden de kosten aan de zijde van de gemeente begroot op € 577,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 577,00).
4.33
Ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals
vermeld in de beslissing.
4.34
De gemeente heeft ook in reconventie nakosten gevorderd, maar omdat de deurwaarder voor een veroordeling in reconventie geen extra werkzaamheden hoeft te verrichten wordt [gedaagde] in reconventie niet nogmaals tot betaling van nakosten veroordeeld.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie
5.1
verklaart voor recht dat er tussen de gemeente en [gedaagde] een huurovereenkomst tot stand is gekomen op 2 januari 2015 ten aanzien van het gehuurde, waaruit volgt dat er een betalingsverplichting op [gedaagde] rust van € 800,00 per maand aan (kale) huur, te vermeerderen met btw en € 132,00 aan voorschot servicekosten c.q. nutsvoorzieningen;
5.2
veroordeelt de [gedaagde] tot betaling aan de gemeente van:
- € 27.361,40 aan huurachterstand van 1 januari 2022 tot en met 31 mei 2025,
- € 1.100,00 per maand aan vervallen huurtermijnen in de periode 1 juni 2025 tot en met heden, voor zover deze nog niet zijn betaald;
te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de uiterste betaaldatum van de betreffende huurtermijnen tot de dag van betaling,
met bepaling dat de openstaande huurachterstand in de periode tot 1 mei 2026 mag worden afgelost
in maximaal 36 (gelijke) maandtermijnen, telkens te voldoen voor of uiterlijk op de eerste kalenderdag van iedere maand waarop de betaling betrekking heeft;
5.3
ontbindt – ingeval [gedaagde] de hiervoor in 5.2 bepaalde achterstallige betalingsverplichtingen of de lopende huurbetalingsverplichtingen niet tijdig en volledig nakomt – de huurovereenkomst tussen partijen en bepaalt in dat geval dat de resterende huurachterstand weer geheel en ineens opeisbaar zal zijn;
5.3.1
veroordeelt [gedaagde] – ingeval van ontbinding – om het gehuurde met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt
binnen 14 dagenna de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van de gemeente te stellen;
5.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van de gemeente, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.906,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de betekeningskosten betalen;
5.5
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie|5.8 wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
5.9
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten in reconventie aan de zijde van de gemeente, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.1
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.11
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 15 april 2026.
4578

Voetnoten

1.Productie 18 van de gemeente.
2.Zie pagina 2 van “aanpassingen beheerovereenkomst gemeente' laatste versie.doc”, productie 18 van de gemeente.
3.Punt 50, CvA.
4.In het petitum staat abusievelijk vanaf 1 september 2021 (zie punt 6, pleitaantekening de gemeente).
5.Het overzicht van de gemeente is door haar overgelegd als productie 9. Het overzicht van [gedaagde] is weergegeven in punt 122 bij conclusie van antwoord.
6.€ 1.100,00 = € 800,00 + 21% btw + € 132,00 aan voorschot nutsvoorzieningen.
7.Zie punt 7 van haar pleitaantekeningen.