Uitspraak
1.De procedure
2.Kern van de zaak
3.De beoordeling
- verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] (e-grond),
- ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid (d-grond),
- een combinatie van omstandigheden genoemd in deze gronden (i-grond).
Het verzoek is gebaseerd op verwijtbaar handelen en de ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid, dan wel een combinatie van deze gronden. De verwijten die aan [verweerder] worden gemaakt zien voor een groot deel op gebeurtenissen uit 2024 en toen was in elk geval geen sprake van ziekte. Het uitvoeren van een formeel verbetertraject en het onderzoek door [bedrijf] waren ook al doorlopen vóór de eerste ziektedag van [verweerder] . Het verzoek staat dus los van de ongeschiktheid wegens ziekte van [verweerder] . [verweerder] heeft overigens ook niet gezegd dat zijn ziekte mogelijk een rol heeft gespeeld bij zijn vermeende disfunctioneren dan wel verwijtbare handelen en dat blijkt ook nergens uit. Het opzegverbod staat dus niet in de weg aan toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] . [3]
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] wel heeft erkend dat hij een gift van de moskee aan [B] heeft gegeven en dat hij dit niet heeft geregistreerd of besproken. Hoewel [verzoeker] zegt dat dit in strijd is met de Beroepscode, blijkt dit niet uit enige bepaling uit die code. Los daarvan mag duidelijk zijn dat dit handelen niet integer is en [verweerder] heeft zelf ook erkend dat hij dit niet had moeten doen en dit ook zeker niet meer zal doen. Ten aanzien van het niet registreren, merkt [verweerder] terecht op dat dit één van de punten betrof waarop het verbetertraject was gericht en deze kwestie zich in 2024 (en dus voor aanvang van het verbetertraject) heeft voorgedaan. Daar kan hem dus wel een verwijt van worden gemaakt, maar niet ter onderbouwing van de ontbindingsgrond, omdat daarvoor nu juist een verbetertraject was gestart.
[onderneming]”. Ten tweede geldt dat er geen nevenwerkzaamhedenbeding is overeengekomen. Tot slot is van belang dat [verweerder] 28 uur per week werkzaam is voor [verzoeker] en niet valt in te zien waarom het [verweerder] in beginsel niet vrij zou staan daarnaast ook nevenwerkzaamheden te verrichten. Dat de nevenwerkzaamheden in strijd zouden komen met de werkzaamheden van [verweerder] of de belangen van [verzoeker] blijkt nergens uit.
Bij [E] heb ik nagevraagd hoe de inhoudelijke ANW begeleiding met [verweerder] verliep en [E] was daar positief over, zag duidelijke verbeteringen.
Ik vond dat een afronding op zijn plaats was, ware het niet dat er nu weer extra nieuwe elementen weer bij gekomen zijn, dat van afronding geen sprake meer kan zijn.
De meningen van collega’s van [verweerder] zijn hier niet zo relevant, omdat zij niet de aangewezen personen in dit verbetertraject zijn om over het functioneren van [verweerder] te oordelen. Degenen die daar wel over moesten oordelen, waren positief. Dat diverse collega’s van [verweerder] kennelijk ook hebben uitgesproken geen vertrouwen meer in hem te hebben, staat los van de vraag of sprake is van disfunctioneren van [verweerder] en of [verzoeker] hem voldoende gelegenheid heeft gegeven daarin te verbeteren.
Dat [verweerder] een e-mail naar zijn team heeft gestuurd op 23 juni 2025 waarin hij als het ware het functioneren van zijn teamleden onder de loep neemt, is onhandig van [verweerder] geweest, maar evenmin aanleiding om tot een voldragen d-grond te komen.