ECLI:NL:RBMNE:2026:193

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/16/599385 / JE RK 25-1381
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 IVRKArt. 9 IVRKArt. 8 EVRMArt. 31 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling en zorgverdeling in het belang van minderjarige onder toezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland (SAVE) tot wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de omgangsregeling tussen een minderjarige en haar vader. De minderjarige staat sinds 2020 onder toezicht van de GI en woont bij haar moeder. De omgang tussen vader en kind was tot nu toe begeleid en beperkt.

De GI verzoekt uitbreiding van de omgang met wekelijkse contactmomenten en stelt gedetailleerde voorwaarden voor de omgangsbegeleiding en communicatie tussen ouders. De moeder verzet zich tegen de uitbreiding vanwege de drukke agenda van het kind, spanningen en onrust veroorzaakt door de vader, en het verleden van geweld. De vader stemt in met de wijziging.

De kinderrechter stelt vast dat de omgang goed verloopt en dat er positieve groei is bij beide ouders, maar erkent ook het verleden van geweld en de noodzaak van veiligheid. Op grond van internationale verdragen, waaronder het IVRK en het Verdrag van Istanbul, weegt de rechter het belang en de veiligheid van het kind en de betrokken ouders zorgvuldig af.

De kinderrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe, breidt de begeleide omgang uit met wekelijkse momenten en stelt voorwaarden vast voor het ophalen en terugbrengen van het kind, communicatie en begeleiding. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het verzoek tot onbegeleide omgang wordt afgewezen vanwege onduidelijkheid over de veiligheidssituatie.

Uitkomst: De kinderrechter wijzigt de omgangsregeling door uitbreiding van begeleide omgang met voorwaarden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/599385 / JE RK 25-1381
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI of SAVE,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N.J. Hos,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. V.C.Th. van 't Westende Meeder.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[mentor],
hierna te noemen de mentor van de vader,
zaakdoende in [plaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 28 november 2025;
- het evaluatierapport van de GI van 9 december 2026.
1.2.
Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
  • mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens de GI;
  • de mentor van de vader.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 8 december
2020 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd,
voor het laatst bij beschikking van 28 november 2025 tot 8 december 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 juni 2023 als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat [minderjarige] en de vader eenmaal per veertien dagen 2,5 uur omgang hebben met elkaar onder begeleiding. Daarnaast heeft de kinderrechter bepaald dat de moeder elke eerste maandag van de maand de vader per e-mail informeert over hoe het met [minderjarige] gaat. Daarna is, onder de regie van de GI, de omgang tussen [minderjarige] en de vader uitgebreid naar 3,5 uur per veertien dagen onder begeleiding.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de door de kinderrechter op 23 juni 2023 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt te wijzigen:
  • de vader en [minderjarige] hebben wekelijks 2,5 uur omgang op maandag van 15:00 uur tot 17:30 uur, onder begeleiding van MetMaya;
  • daarnaast zijn er twee extra omgangsmomenten per jaar van 6 uur;
  • de moeder informeert de vader wekelijks op maandag per e-mail over [minderjarige] .
Daarbij verzoekt de GI de volgende voorwaarden te bepalen:
a. Buiten de schoolvakanties:
i. de vader haalt [minderjarige] om 15:00 uur op van haar school Basisschool [naam] ( [adres] in [plaats] );
ii. de vader brengt [minderjarige] rood 17:15 uur naar het schoolplein/speeltuin van [naam] zodat [minderjarige] genoeg tijd heeft om te schakelen en rustig afscheid te nemen. Om 17:30 uur brengt de omgangbegeleider [minderjarige] voor het wijkcentrum [locatie] waar de moeder staat;
iii. de vader fietst de andere kant van de [straat] op (de linkerkant) wanneer hij het schoolplein verlaat zodat de ouders elkaar niet tegen hoeven komen onderweg.
Tijdens de schoolvakanties:
i. de omgangbegeleider haalt [minderjarige] op van haar huis om 14:50 uur en brengt [minderjarige] naar haar vader die bij haar oude school staat (de van de [naam] ) om 15:00 uur;
ii. de omgangsbegeleider brengt [minderjarige] om 17:20 uur terug naar huis, zodat ze om 17:30 uur weer terug bij de moeder is. De vader kijkt niet waar er heen gelopen wordt;
iii. Er wordt in de ochtend van de dag van de begeleide omgang afgestemd met de vader wat het plan is voor die dag. De activiteit moet op loopafstand zijn voor de omgangsbegeleider. De omgangsbegeleider vervoert geen kinderen. De vader moet zelf voor vervoer zorgen voor hem en [minderjarige] .
Indien het omgangsmoment wegens een uitzonderlijke situatie (zoals bijvoorbeeld een vakantie) niet door kan gaan, meldt moeder dit twee weken van tevoren aan de omgangsbegeleider en aan SAVE. Er wordt dan in diezelfde week (of in ieder geval voor de nieuwe omgang) een nieuwe omgang ingepland.
De vader komt tijdens de omgangsmomenten niet met [minderjarige] bij het Winkelcentrum [locatie] aan de [straat] .
MetMaya of het wijkteam biedt na afbouw van de begeleide omgang ouderbegeleiding aan vader, gericht op de aandachtspunten die naar voren zijn gekomen tijdens de omgangsmomenten.
SAVE meldt ouders aan voor Parallel Solo Ouderschap en beiden ouders werken mee aan het traject.
In november 2025 organiseert SAVE een evaluatie om te bekijken of de omstandigheden voldoende zijn verbeterd om toe te werken naar onbegeleide omgang, zodra er geen zorgen bestaan over de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] tijdens de omgang. De volgende stap richting onbegeleide omgang kan worden genomen indien:
i. vader de feedback aantoonbaar omzet in gedrag;
ii. de samenwerking tussen vader en de omgangsbegeleiding constructief blijft.
SAVE is voornemens om per oktober over te gaan tot een uitbreiding van de omgang met een wekelijks telefonisch contactmoment, als aanvullende vorm van contact tussen vader en [minderjarige] .
Hiernaast verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het niet eens met de wijziging van de zorgregeling. Zij verwacht dat de voorgestelde regeling te belastend zal zijn voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft een drukke agenda. Zij gaat doordeweeks van 08:15 uur tot 15:00 uur naar school, op dinsdag naar zwemles en drie dagen in de week naar de opvang. Daarnaast zal [minderjarige] binnenkort met Speltherapie starten. Verder wijst de moeder op spanningen die [minderjarige] ervaart. De moeder zegt dat [minderjarige] nu al vaak een vol hoofd heeft en dat is zichtbaar in haar gedrag. Als de omgang wordt uitgebreid blijft er, volgens de moeder, geen tijd en rust meer voor [minderjarige] over om kind te zijn. Daarnaast vertrouwt de moeder de vader niet. Hij veroorzaakt onrust en er is veel geweld geweest.
4.2.
De vader is het eens met de wijziging van de zorgregeling.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI gedeeltelijk toe en wijzigt de zorg(- en informatie)regeling zoals bij de beslissing van deze beschikking is omschreven. Deze beslissing acht de kinderrechter in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter legt de beslissing hierna uit.
5.2.
De kinderrechter kan de zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De kinderrechter stelt vast dat na de beschikking van 23 juni 2023 de omstandigheden zijn gewijzigd. De omgang tussen de vader en [minderjarige] verloopt goed en er wordt een groei gezien in de ouderschapsvaardigheden van de vader.
5.3.
De kinderrechter stelt voorop dat duidelijk is geworden dat geweld en dreiging van de vader naar de moeder is uitgegaan. De vader stelt daarnaast dat de moeder tijdens de relatie fysiek geweld heeft gebruikt tegen hem. De aard en omvang van het geweld is onduidelijk. Onduidelijk is ook welk patroon van fysiek en/of psychisch geweld er is (geweest) tussen ouders. Welke partner heeft welk geweld (fysiek en of psychisch) tegen de ander gepleegd en met welk gevolg? Zoals de kinderrechter ter zitting heeft aangegeven kon zij zich uit een vorige zaak over [minderjarige] herinneren dat er geweld heeft plaatsgevonden. Om haar geheugen op te frissen heeft de kinderrechter kennis genomen van het raadsonderzoek. Dit heeft zij ter zitting aan de orde gesteld. Ter zitting is vervolgens in ieder geval komen vast te staan dat de vader in de periode dat de ouders net uit elkaar waren met vier personen naar de woning van de moeder en haar toenmalige partner is gegaan om verhaal te halen. Vervolgens is er chaos ontstaan en is er geweld tussen de vader, de toenmalige partner van moeder en moeder geweest. Wat er precies is gebeurd is onduidelijk. Verder heeft de moeder op de zitting aangegeven dat de vader enige tijd geleden onaangekondigd op het schoolplein van [minderjarige] stond en de moeder daarom met hem werd geconfronteerd. Uit de door de GI gestelde voorwaarden over het gedrag van de vader bij het halen en brengen blijkt ook duidelijk dat er onwenselijk gedrag van de vader tegen de moeder op het schoolplein heeft plaatsgevonden.
De kinderrechter ziet ook dat beide ouders aangeven dat zij allebei een positieve persoonlijke groei hebben doorgemaakt. De ontwikkeling bij de moeder is zodanig geweest dat [minderjarige] na een uithuisplaatsing bij haar is teruggekeerd. De moeder is nog steeds onder behandeling. De vader heeft aangegeven dat hij in behandeling is geweest en ondermeer geleerd heeft dat hij rustig met de moeder kan praten en heeft kunnen loslaten dat het uit is tussen de moeder en hem. Voor de kinderrechter is het onduidelijk wat dit betekent voor de veiligheid van [minderjarige] .
5.4.
Op grond van artikel 3, lid 1 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) dienen bij maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van het kind als uitgangspunt voor de daartoe te nemen beslissing. In deze zaak is mogelijk sprake van concurrerende belangen. In artikel 9 IVRK Pro is opgenomen dat Staten die partijen zijn bij het IVRK, dienen te waarborgen dat een kind in principe niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil. Dat recht komt ook tot uitdrukking in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op grond van artikel 8 EVRM Pro. Daar staat tegenover dat op grond van artikel 31 van Pro het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: het Verdrag van Istanbul) bij het nemen van beslissingen over gezag en omgang en over de uitvoering daarvan de rechten en de veiligheid van het slachtoffer van huiselijk geweld gewaarborgd dient te zijn.
Dit betekent dat er een positieve verplichting op de staat komt te rusten om het risico van terugkerend geweld in de context van huiselijk geweld te voorkomen. Deze verplichting omvat de verplichting om ‘onmiddellijk’ te reageren op klachten over huiselijk geweld en deze met bijzondere zorgvuldigheid te verwerken; een autonome, proactieve en omvattende risicobeoordeling uit te voeren van de behandeling die in strijd is met artikel 3 Verdrag Pro van Istanbul, en zodra een risico voor een slachtoffer van huiselijk geweld is vastgesteld, zo snel mogelijk preventieve en beschermende operationele maatregelen te nemen die adequaat en evenredig zijn aan het risico” (Zie EHRM 4 juli 2019,
Kurt t. Oostenrijk,Zaaknummer 62903/15). Hoewel partijen van mening verschillen over de ernst en de actualiteit van de zorgen, is de kinderrechter ervan overtuigd dat serieus onderzocht moet worden of en zo ja welke risico’s nog aanwezig zijn.
Het Verdrag van Istanbul vereist vervolgens dat incidenten van huiselijk geweld in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de gezag- en omgangsrechten van kinderen, om ervoor te zorgen dat alle regelingen in het belang van het kind zijn en, in het bijzonder, dat de veiligheid van de ouder en van het kind wordt beschermd” (EHRM 10 november 2022,
I.M. t. Italië,Zaaknummer 25426/20). In het kader van deze beoordeling dienen eventuele risico’s op geweld of andere vormen van mishandeling daarom een ​​integraal onderdeel van dergelijke procedures vormen (EHRM 5 juli 2016,
Bîzdîga t. Moldavië,Zaaknummer 23755/07).
Met andere woorden; zonder de vraag naar de huidige veiligheidssituatie te beoordelen, kan op basis van de gegevens over enkel de interactie tussen de vader en [minderjarige] geen goede inschatting worden gemaakt of de contacten onbegeleid kunnen gaan plaatsvinden. Die onbegeleide contacten zijn het plan van de GI.
5.5.
De kinderrechter constateert, uit de hiervoor beschreven situatie tussen de ouders, dat er veiligheidsrisico’s (geweest) zijn tussen de ouders en daarmee ook tussen de vader en [minderjarige] . Deze worden waarschijnlijk voldoende gecompenseerd door de begeleiding van de contacten tussen de vader en [minderjarige] . De vraag die de kinderrechter moet beantwoorden is of deze begeleide contacten uitgebreid moeten worden.
5.6.
De kinderrechter vindt dat de argumenten die de moeder heeft aangedragen tegen uitbreiding van de begeleide omgang minder zwaar wegen dan het belang van [minderjarige] bij uitbreiding van de omgang met haar vader. De begeleide omgang draagt positief bij aan de ontwikkeling van [minderjarige] , mits de omgang veilig is en goed verloopt. Dat de omgang goed en warm verloopt blijkt uit de berichtgeving van de GI en de omgangsbegeleiding. De moeder heeft die indruk ook en vertelde op de zitting dat zij merkt dat [minderjarige] blij wordt richting de omgangsmomenten met de vader. Verder is van belang dat [minderjarige] zelf aangeeft dat zij haar vader vaker wil zien. Anders dan de moeder heeft de kinderrechter dan ook niet de indruk dat de omgang te druk of te veel voor [minderjarige] zou zijn. Voor wat betreft de drukke agenda van [minderjarige] heeft de kinderrechter de moeder op de zitting in overweging gegeven om in de agenda van [minderjarige] te schuiven, in die zin dat zij minder naar de opvang gaat en in plaats daarvan naar de vader. De moeder gaf aan dat zij dat niet wil. De kinderrechter gaat er vanuit dat indien de GI bemerkt dat de vastgelegde uitbreiding om de één of andere reden niet passend blijkt te zijn, de GI een verzoek tot wijziging van de omgang
5.7.
De kinderrechter ziet geen mogelijkheid om de hiervoor onder e. t/m h. genoemde voorwaarden op te nemen in haar beslissing over de wijziging van de zorgregeling. Deze hebben geen betrekking op de invulling van de zorgregeling. Het is aan de GI om de zorgregeling verder te monitoren en daar waar nodig de ouders sturing te geven, hulpverlening aan te bieden en te evalueren. Omdat tijdens de zitting ter discussie stond of MetMaya de omgang kan blijven begeleiden, beslist de kinderrechter dat er ook een andere door de GI bepaalde begeleider bij de omgang aanwezig kan zijn. Met betrekking tot de informatie die de moeder aan de vader moet verstrekken zal de kinderrechter meer concreet bepalen dat deze moet zien op de afgelopen maand.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:
  • de vader en [minderjarige] hebben wekelijks 2,5 uur omgang op maandag van 15:00 uur tot 17:30 uur, onder begeleiding van MetMaya;
  • daarnaast zijn er twee extra omgangsmomenten per jaar van 6 uur;
  • de moeder informeert de vader wekelijks op maandag per e-mail over [minderjarige] in de afgelopen maand;
en bepaalt daarbij de volgende voorwaarden:
- buiten de schoolvakanties:
i. de vader haalt [minderjarige] om 15:00 uur op van haar school Basisschool [naam] ( [adres] in [plaats] );
ii. de vader brengt [minderjarige] rood 17:15 uur naar het schoolplein/speeltuin van [naam] zodat [minderjarige] genoeg tijd heeft om te schakelen en rustig afscheid te nemen. Om 17:30 uur brengt de omgangbegeleider [minderjarige] voor het wijkcentrum [locatie] waar de moeder staat;
iii. de vader fietst de andere kant van de [straat] op (de linkerkant) wanneer hij het schoolplein verlaat zodat de ouders elkaar niet tegen hoeven komen onderweg;
- tijdens de schoolvakanties:
i. de omgangbegeleider haalt [minderjarige] op van haar huis om 14:50 uur en brengt [minderjarige] naar haar vader die bij haar oude school staat (de van de [naam] ) om 15:00 uur;
i. de omgangsbegeleider brengt [minderjarige] om 17:20 uur terug naar huis, zodat ze om 17:30 uur weer terug bij de moeder is. De vader kijkt niet waar er heen gelopen wordt;
ii. Er wordt in de ochtend van de dag van de begeleide omgang afgestemd met de vader wat het plan is voor die dag. De activiteit moet op loopafstand zijn voor de omgangsbegeleider. De omgangsbegeleider vervoert geen kinderen. De vader moet zelf voor vervoer zorgen voor hem en [minderjarige] ;
- indien het omgangsmoment wegens een uitzonderlijke situatie (zoals bijvoorbeeld een vakantie) niet door kan gaan, meldt moeder dit twee weken van tevoren aan de omgangsbegeleider en aan SAVE. Er wordt dan in diezelfde week (of in ieder geval voor de nieuwe omgang) een nieuwe omgang ingepland;
- de vader komt tijdens de omgangsmomenten niet met [minderjarige] bij het Winkelcentrum Hoogvliet aan de Hogeweg;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
KV