Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1968

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/1551
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 17 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens defecte parkeerautomaten

Eiser kreeg op 19 mei 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij zonder betaling parkeerde aan de Scheendijk in Breukelen. Eiser betwistte de aanslag met het argument dat alle parkeerautomaten defect waren, ondersteund door foto's en een melding van de storing aan de gemeente. De gemeente erkende telefonisch dat alle parkeermeters buiten werking waren vanwege een stroomstoring.

De heffingsambtenaar stelde in de uitspraak op bezwaar dat slechts twee parkeerautomaten defect waren, maar onderbouwde dit niet met bewijs zoals een storingsoverzicht of betalingsgegevens. Bovendien was de heffingsambtenaar niet aanwezig bij de zitting om zijn stelling toe te lichten. De rechtbank achtte de uitleg van eiser daarom geloofwaardig en oordeelde dat het beroep gegrond is.

De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslag en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiser moet worden terugbetaald. Voor zover het beroep zich richtte tegen het dwangbevel verklaarde de rechtbank zich onbevoegd, omdat dit onder de civiele rechter valt. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens defecte parkeerautomaten en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het dwangbevel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1551

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Smits).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 19 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2
Met de uitspraak op bezwaar van 9 december 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Eiser heeft deelgenomen aan de zitting, de gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft zich afgemeld.

Overwegingen

2. Op 19 mei 2024 stond het voertuig van eiser met kenteken [kenteken] geparkeerd op de Scheendijk in Breukelen, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] om 21:40 uur opgelegd.
De ontvankelijkheid van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar
3. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het beroep van eiser, moet de rechtbank bepalen of het beroep voldoet aan de daarvoor gestelde regels. Pas als dat het geval is, is eiser ontvankelijk in zijn beroep en kan de rechtbank naar de inhoud kijken.
4. Eiser heeft aangegeven dat hij niet te laat was met het indienen van het beroep, omdat hij eerst bij Cannock Chase beroep heeft ingesteld. Eiser doelt hierbij op de email die hij in reactie op de ook per email ontvangen uitspraak op bezwaar op 10 december 2024 zegt te hebben gestuurd.
5. De heffingsambtenaar ontkent de ontvangst van deze email.
6. De rechtbank is van oordeel dat de email van eiser van 10 december 2024 aangemerkt moet worden als beroep tegen de uitspraak op bezwaar. De enkele ontkenning van ontvangst door de heffingsambtenaar is gelet op de uitdraai van de email in het dossier en de uitvoerige toelichting van eiser op de zitting onvoldoende om te twijfelen aan de verzending van deze email. Dat eiser de email heeft verstuurd aan de organisatie die namens de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar heeft gedaan, maakt vanwege de doorzendplicht niet uit.
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar
7. Niet in geschil is dat eiser op 19 mei 2024 om 21:40 uur geparkeerd stond aan de Scheendijk in Breukelen zonder parkeerbelasting betaald te hebben.
8. Eiser voert aan dat hij niet heeft betaald omdat alle parkeerautomaten defect waren. Eiser verwijst naar de foto’s die hij van de parkeerautomaten heeft gemaakt. Hij geeft aan dat toen de parkeermeters niet werkten, hij geprobeerd heeft de gemeente te bellen. Die was niet bereikbaar. De eerstvolgende werkdag heeft eiser rond 11:00 uur gebeld en de storing aan de parkeermeters gemeld. Daarbij heeft hij aangegeven in bezwaar te gaan tegen de naheffingsaanslag. De gemeente gaf hem gelijk en deelde eiser mee dat op het moment van bekeuren alle parkeermeters op de Scheendijk buiten werking waren, mogelijk in verband met een stroomstoring. Volgens de gemeente zijn pas de volgende werkdag rond 10:00 uur de parkeermeters weer in werking gesteld. De informatie in de uitspraak op bezwaar dat twee parkeermeters wel werkten is dus onjuist, wat telefonisch bevestigd is door de gemeente. De gemeente heeft dit echter niet per email aan eiser willen bevestigen. Op de zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij sinds 2023 een chalet heeft aan de Scheendijk en dus op de hoogte is van het parkeerbeleid. Ook kost een dagkaart maar ongeveer € 3,- en is er dus voor eiser geen enkele reden om de parkeerbelasting niet te betalen.
9. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift niet gereageerd op het inhoudelijke beroep en heeft niet deelgenomen aan de behandeling van de zaak op de zitting.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar aangegeven dat twee parkeerautomaten buiten werking waren maar de overige parkeerautomaten het wel deden. Eiser heeft dit uitvoerig en gemotiveerd betwist. Het had op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om zijn stelling te onderbouwen met bijvoorbeeld een storingsoverzicht of een overzicht van betalingen die gedaan zijn bij parkeerautomaten aan de Scheendijk op de dag dat de naheffingsaanslag is opgelegd. Dit heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. De heffingsambtenaar is ook niet op de zitting verschenen om zijn stelling toe te lichten. Naar oordeel van de rechtbank is er gelet hierop geen reden om te twijfelen aan de uitleg/toelichting van eiser. Het beroep is gegrond.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank de naheffingsaanslag zal vernietigen. Daarnaast moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht terugbetalen. Aangezien de naheffingsaanslag wordt vernietigd, is er voor de heffingsambtenaar geen grondslag meer om aan eiser kosten voor de aanmaning en voor de betekening van het dwangbevel in rekening te brengen. De rechtbank gaat er dus vanuit dat eiser deze niet hoeft te voldoen.
Het beroep tegen het dwangbevel
12. Voor zover dit beroep zich (mede) richt tegen het door de invorderingsambtenaar gestuurde dwangbevel van 3 september 2025 en voor zover nog van toepassing overweegt de rechtbank als volgt.
13. Op grond van artikel 8:5, eerste lid van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van Pro de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
14. In artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak staat dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.
15. De bestuursrechter is (dus) niet bevoegd om over een dwangbevel te beslissen. Eiser kan op grond van artikel 17, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 daartegen een verzetschrift indienen bij de civiele rechter. Hoe eiser dit moet doen is te vinden op deze internetpagina:
https://www.rechtspraak.nl/Naar-de-rechter/rechtszaak-beginnen-particulier-of-organisatie/Paginas/dagvaardingsprocedure-beginnen-kantonrechter.aspx.
16. Ten aanzien van het beroep van eiser, voor zover zich dat richt tegen het dwangbevel van 3 september 2025, verklaart de bestuursrechter zich onbevoegd. Eiser kan hiervoor naar de civiele rechter.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser terug moet betalen;
- verklaart zich, voor zover het beroep zich richt tegen het dwangbevel van 11 februari 2025 onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.