Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
€ 761.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
20 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd.
Overwegingen
(€ 770.000,-) dan de beschikte waarde (€ 761.000,-). In de taxatiematrix zijn vergelijkbare 2-onder-1-kapwoningen gebruikt die ook in [plaats] liggen, een bouwjaar hebben tussen 1925-1928 (de woning is gebouwd in 1922). Deze woningen hebben een gebruiksoppervlakte tussen de 99 m² en 166 m², de woning heeft een gebruiksoppervlakte van 120 m². Bij de waardering is hiermee rekening gehouden door een correctie voor de grootte toe te passen. De taxateur is hiermee van mening, rekening houdende met het verschil in transactiedatum en waardepeildatum, dat deze vergelijkbare woningen de waarde onderbouwen. Er is ook voldoende rekening gehouden met de marktsituatie rond de waardepeildatum. In het kader van het beroep heeft door de taxateur een controle in het veld plaatsgevonden. De taxateur heeft hieruit de conclusie getrokken dat de woning als minder dan gemiddeld moet worden beoordeeld voor de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau. Bij de initiële waardering is hier al rekening mee gehouden. In de taxatiematrix is de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau ook als onder gemiddeld gewaardeerd. Uit de taxatiematrix en de daarin gehanteerde verkochte referentiewoningen is gebleken dat deze waarde alsnog duidelijk onderbouwd kan worden en dat hierin zelfs een waarde van € 770.000,- wordt gewaardeerd. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. Daarnaast verkeert referentiewoning [adres 3] ook volgens de heffingsambtenaar in een betere staat. Daar is in de taxatiematrix rekening mee gehouden door de kwaliteit, staat van onderhoud en de voorzieningen als boven gemiddeld te waarderen en daar een correctie voor toe te passen. Naar oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de verschillen tussen de woning en deze referentiewoning voldoende rekening gehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.