Eiseres, dochter van een gedupeerde van de toeslagenaffaire, diende een aanvraag in voor brede ondersteuning op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad wees de aanvraag deels af, met name de kosten voor orthodontie, omdat deze kosten al waren gemaakt en volgens het college geen terugwerkende kracht mogelijk was.
Eiseres stelde dat het college ten onrechte haar aanvraag afwees en dat er maatwerk had moeten worden geleverd. De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende transparant was over de richtlijnen en het noodzakelijkheidscriterium dat het hanteerde. Er was geen kenbaar beleid of schriftelijke gedragslijn openbaar gemaakt, waardoor toetsing door de rechtbank niet mogelijk was.
De rechtbank concludeerde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.