Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:199

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 26/448
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken materiële connexiteit bij last onder dwangsom

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing door gedeputeerde staten van haar verzoek tot intrekking of opschorting van een last onder dwangsom die op 30 juni 2025 aan haar is opgelegd. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting en stelt vast dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van materiële connexiteit.

De voorzieningenrechter legt uit dat een verzoek om voorlopige voorziening niet alleen formeel ontvankelijk moet zijn, maar ook materieel connex moet zijn, wat betekent dat het verzoek betrekking moet hebben op de inhoud van het bestreden besluit. Verzoekster wil met haar verzoek om voorlopige voorziening vervangende toestemming verkrijgen om haar mestvergistingsinstallatie weer op te starten, omdat er zicht is op legalisatie. Dit doel heeft echter geen betrekking op de inhoud van de afwijzing van haar eerdere verzoek tot intrekking of opschorting van de last onder dwangsom.

Een schorsing van de afwijzing zou geen verandering brengen in de bestaande situatie, aangezien de last onder dwangsom en de eerdere afwijzing van het verzoek tot intrekking of opschorting van de last onder dwangsom onverminderd van kracht blijven. Het feitelijke verzoek om opstarten van de installatie is een verzoek om schorsing van de last onder dwangsom, waarvoor een apart verzoek om voorlopige voorziening had moeten worden ingediend. Omdat dit niet is gedaan, kan het huidige verzoek niet tot het beoogde resultaat leiden.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van materiële connexiteit en is kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/448

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.C. Ozinga),
en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Dit verzoek richt zich tegen het besluit van gedeputeerde staten om het herhaalde verzoek van verzoekster tot intrekking dan wel opschorting van de op 30 juni 2025 aan haar opgelegde last onder dwangsom af te wijzen (de afwijzing). Verzoekster is het niet eens met de afwijzing en heeft hiertegen bij gedeputeerde staten bezwaar ingediend.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat tegen de afwijzing bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Ook moet wat verzoekster met haar verzoek wil bereiken betrekking hebben op de inhoud van de afwijzing (materiële connexiteit).
4. Naar aanleiding van de aan haar opgelegde last onder dwangsom heeft verzoekster het gebruik van de mestvergistingsinstallatie op haar bedrijf aan de [adres] in [plaats] voor het verstrijken van de aan haar gegeven begunstigingstermijn gestaakt en gestaakt gehouden. Dit gestaakt houden van het gebruik van de installatie leidt tot het uitblijven van inkomsten en als de installatie langer gesloten blijft moet deze weer geheel worden opgestart wat tot aanzienlijke kosten voor verzoekster leidt.
5. In haar verzoek om een voorlopige voorziening vraagt verzoekster de voorzieningenrechter om vervangende toestemming om haar bedrijf/installatie weer op te starten, omdat er inmiddels concreet zicht op legalisatie is.
6. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit verzoek niet voldoet aan het onder 3 genoemde vereiste van materiële connexiteit, omdat wat verzoekster wil bereiken geen betrekking heeft op de inhoud de afwijzing.
7. Met het verzoek om een voorlopige voorziening kan uitsluitend worden bereikt dat de afwijzing wordt geschorst tot gedeputeerde staten op het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing hebben beslist. Maar als de voorzieningenrechter tot schorsing van de afwijzing zou overgaan, brengt dat geen wijzigingen in de bestaande (juridische) situatie. Zo’n schorsing van de afwijzing heeft immers geen invloed op de werking van de eerder aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom en de eerdere afwijzing van het verzoek tot intrekking dan wel opschorting van de last onder dwangsom. Deze blijven dan gewoon van kracht. Het verzoek van verzoekster om vervangende toestemming om haar bedrijf/installatie weer op te kunnen starten is feitelijk een verzoek om schorsing van de last onder dwangsom. Als verzoekster haar bedrijf weer had willen opstarten had zij dus hangende het bezwaar tegen de last onder dwangsom een verzoek om een voorlopige voorziening moeten doen, maar dat heeft verzoekster niet gedaan. In die procedure had, anders dan bij een verzoek om intrekking van een last onder dwangsom, ook de vraag aan de orde kunnen komen of er concreet zicht is op legalisatie. Het verzoek om een voorlopige voorziening kan dus niet tot het door verzoekster beoogde doel leiden.

Conclusie en gevolgen

8. De conclusie van het voorgaande is dat de materiële connexiteit ontbreekt en het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.