Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €607.000,- voor het belastingjaar 2024. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.
Tijdens de zitting op 8 april 2026 werd het gelijkheidsbeginsel besproken, waarbij eiser stelde dat zijn woning nagenoeg identiek was aan andere woningen in dezelfde straat. Na een korte schorsing onderzocht de taxateur aan de hand van oblieke foto's of de woningen inderdaad identiek waren. Zowel de taxateur als de heffingsambtenaar erkenden dat de woningen identiek waren, maar dat bij een van de vergelijkingsadressen onderdelen niet waren meegenomen in de waardering, waardoor de WOZ-waarde te laag was vastgesteld.
De heffingsambtenaar stemde in met een verlaging van de WOZ-waarde van de woning van eiser naar €579.000,-, gelijk aan de waarde van een vergelijkbare woning. Eiser ging hiermee akkoord, omdat hij dan het gevoel had dat hij een correcte belasting betaalde.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verlaagde de WOZ-waarde van de woning naar €579.000,- per waardepeildatum 1 januari 2023. Tevens werd bepaald dat de aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig worden verminderd en dat het door eiser betaalde griffierecht van €51,- wordt terugbetaald.