Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1994

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/4584
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning wegens gelijkheidsbeginsel met identieke woningen

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €607.000,- voor het belastingjaar 2024. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.

Tijdens de zitting op 8 april 2026 werd het gelijkheidsbeginsel besproken, waarbij eiser stelde dat zijn woning nagenoeg identiek was aan andere woningen in dezelfde straat. Na een korte schorsing onderzocht de taxateur aan de hand van oblieke foto's of de woningen inderdaad identiek waren. Zowel de taxateur als de heffingsambtenaar erkenden dat de woningen identiek waren, maar dat bij een van de vergelijkingsadressen onderdelen niet waren meegenomen in de waardering, waardoor de WOZ-waarde te laag was vastgesteld.

De heffingsambtenaar stemde in met een verlaging van de WOZ-waarde van de woning van eiser naar €579.000,-, gelijk aan de waarde van een vergelijkbare woning. Eiser ging hiermee akkoord, omdat hij dan het gevoel had dat hij een correcte belasting betaalde.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verlaagde de WOZ-waarde van de woning naar €579.000,- per waardepeildatum 1 januari 2023. Tevens werd bepaald dat de aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig worden verminderd en dat het door eiser betaalde griffierecht van €51,- wordt terugbetaald.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verlaagd naar €579.000,- en de aanslagen worden dienovereenkomstig verminderd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4584

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 29 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] (de woning) voor belastingjaar 2024 vastgesteld op
€ 607.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2023. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
6 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 8 april 2026. Eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verlaagt de waarde van de woning aan de [adres 1] in [plaats] tot € 579.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2023;
- bepaalt dat de aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig worden verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet terugbetalen.

Overwegingen

2. Tijdens de behandeling van het beroep op de zitting is met name de beroepsgrond van eiser ten aanzien van de WOZ-waardes van volgens hem nagenoeg identieke woningen aan de [straat] in [plaats] besproken (het gelijkheidsbeginsel). Na een korte schorsing, waarin de taxateur aan de hand van oblieke foto’s is nagegaan of er sprake was van identieke woningen, is door de heffingsambtenaar en de taxateur aangegeven dat de woningen aan de [adres 2] en [adres 3] inderdaad identiek zijn. Daarbij is opgemerkt dat bij [adres 2] een aantal onderdelen niet is meegenomen in de waardering, waardoor bij deze woning de WOZ-waarde te laag is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft aangegeven voor de waarde van de woning van eiser aan te willen sluiten bij de WOZ-waarde van [adres 3] , zijnde € 579.000,-.
3. Eiser heeft daarop aangegeven met een waarde van € 579.000,- akkoord te kunnen gaan, dan heeft hij namelijk het gevoel dat hij betaalt wat hij moet betalen.

Conclusie en gevolgen

4. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2023 voor het belastingjaar 2024 verlagen tot € 579.000,-. Ook moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.