Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1997

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/2405
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herbeoordeling kinderopvangtoeslag wegens te late aanmelding zonder verschoonbare termijnoverschrijding

Eiseres heeft zich op 12 maart 2024 aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag, nadat de uiterste datum voor aanmelding op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) op 31 december 2023 was verstreken. Dienst Toeslagen wees de aanvraag af wegens te late indiening. Eiseres voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de deadline, mede omdat zij al veertien jaar in het buitenland woont en sociaal minder vaardig is, en dat Dienst Toeslagen onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar te informeren. Tevens stelde zij dat toepassing van de hardheidsclausule en het gelijkheidsbeginsel op haar situatie van toepassing zijn.

De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule alleen kan worden toegepast bij schrijnende omstandigheden, zoals ernstige medische of financiële nood, die samenhangen met de gevolgen van weigering van compensatie. Het niet op de hoogte zijn van de deadline en het verblijf in het buitenland vormen geen bijzondere omstandigheden die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank acht de inspanningen van Dienst Toeslagen, waaronder communicatie via sociale media en gerichte benadering van vermoedelijke gedupeerden, voldoende.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur faalt, omdat het vergelijkbare geval waarop eiseres zich beroept wezenlijk andere feiten kent. Ook het fair play-beginsel wordt niet geschonden. De rechtbank concludeert dat de strikte toepassing van de aanmeldtermijn niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar te late aanvraag herbeoordeling kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2405

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Jethoe),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Eiseres heeft zich op 12 maart 2024 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen deze aanvraag heeft mogen afwijzen omdat hij te laat was ingediend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eiseres te laat is en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van eiseres met het besluit van 9 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat deze is ingediend na 31 december 2023. Dat was de uiterste datum waarop aanvragen om compensatie in de zin van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) konden worden ingediend. [1] Als toepassing van artikel 6.1 van de Wht leidt tot een zeer onbillijke uitkomst, kan van deze termijn worden afgeweken op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Als er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zal Dienst Toeslagen bekijken of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [2]
4. Eiseres voert aan dat toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule, waardoor haar termijnoverschrijding als verschoonbaar moet worden geacht. Ze was niet op de hoogte van de uiterste datum waarop zij zich kon aanmelden. Ze woont al veertien jaar in [land] . Van haar kan niet worden verwacht dat zij op de hoogte is van de in Nederland geldende termijnen. Dat eiseres van de hersteloperatie op de hoogte had kunnen zijn door het nieuws in [land] te volgen, betwist zij. Dienst toeslagen heeft niet onderbouwd dat dit in [land] op het nieuws te zien is geweest. Dat haar wordt verweten dat zij niet op de hoogte was hiervan, staat haaks op de gedachte van de Wht dat ruimhartig moet worden gecompenseerd. De gemachtigde van eiseres geeft ter zitting aan dat eiseres minder sociaal vaardig is, waardoor niet van eiseres kan worden verwacht dat zij het nieuws in de gaten houdt van een land waar ze niet woont. Eiseres is pas eind februari 2024 via vrienden op de hoogte geraakt van de mogelijkheid tot herbeoordeling. Daarna heeft zij zich zo spoedig mogelijk, binnen twee weken, gemeld. In die periode heeft eiseres ook meerdere keren geprobeerd te bellen met Dienst Toeslagen, waar telkens lange wachttijden waren en zij steeds opnieuw moest bellen omdat zij er niet doorheen kwam. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht blijkt verder dat het van belang is dat alle gedupeerden op de hoogte zijn van de hersteloperatie, ook gedupeerden die in het buitenland wonen en dat Dienst Toeslagen probeert gedupeerden te bereiken via brieven, Facebook en Twitter. [3] Dienst Toeslagen heeft niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting uit de Memorie van Toelichting, omdat – zoals Dienst Toeslagen tijdens de zitting heeft aangegeven – niet iedereen bericht heeft ontvangen over de mogelijkheid om een aanvraag te doen. Ook eiseres heeft geen bericht heeft gehad. Daarnaast is het gelijkheidsbeginsel geschonden, omdat andere ouders wel een brief hebben ontvangen van Dienst Toeslagen. Volgens het (latere) Behandelkader [4] van Dienst Toeslagen zou in geval van eiseres sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beleid is voor gevallen uit 2024 minder streng dan voor gevallen uit 2025 en eiseres heeft haar aanvraag snel ingediend nadat ze kennis heeft genomen van de mogelijkheid tot herbeoordeling. Verder voert eiseres aan dat sprake is van willekeur bij toepassing van de hardheidsclausule. Ze verwijst hierbij naar een ander geval waarbij een echtpaar zich op 2 april 2024 heeft gemeld en waarbij wel de hardheidsclausule is toegepast omdat sprake was van bijzondere omstandigheden, waaronder dat het echtpaar zich in het buitenland bevond. Dit is bij eiseres ook het geval. Eiseres doet ook in dit kader een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast is het fair play beginsel geschonden. Dienst Toeslagen neemt in alle procedures ruim de tijd om te beslissen, maar van eiseres wordt verwacht dat ze alle termijnen haalt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft meerdere uitspraken gedaan over de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. [5] Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule sprake moet zijn van schrijnende omstandigheden waarbij kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren.
6. De rechtbank ziet geen reden om in zaken zoals deze, waarin het gaat om een te late aanmelding, anders aan te kijken tegen de toepassing van de hardheidsclausule. Dat betekent dat de aanvrager voldoende aannemelijk moet maken dat zij zich tijdens de aanvraagperiode in een dermate schrijnende situatie bevond dat zij daardoor geen aanvraag kon indienen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres niet aannemelijk geworden dat zij de aanvraag niet voor het verstrijken van de aanvraagtermijn kon indienen en dat sprake was van bijzondere omstandigheden op basis waarvan Dienst Toeslagen de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiseres niet op de hoogte was van de mogelijkheid om compensatie aan te vragen en dat hieraan een termijn was verbonden, niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt en daardoor niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Het moet bij de hardheidsclausule immers gaan om een schrijnende situatie en daarvan is geen sprake. Het feit dat eiseres al veertien jaar in het buitenland verblijft, is ook geen bijzondere omstandigheid die leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding. De mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen is veelvuldig en op verschillende manieren onder de aandacht van de burger gebracht, waarbij werd vermeld dat burgers zich voor 1 januari 2024 konden aanmelden via de website of telefoon.
6.2.
Uit het Behandelkader van Dienst Toeslagen waar eiseres naar heeft verwezen volgt dat alleen van de Wht kan worden afgeweken bij bijzondere omstandigheden. Dat volgt ook uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling, waarop de rechtbank heeft gewezen onder rechtsoverweging 5. Van bijzondere omstandigheden is in het geval van eiseres geen sprake. Daarom is het niet van belang dat ze zo snel als mogelijk was voor haar een aanvraag heeft ingediend. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht een aanvraag voor compensatie moet worden ingediend voor 1 januari 2024. Deze uiterste aanvraagdatum is door de wetgever dwingend geformuleerd. Het stellen van een harde aanmeldingsdeadline is volgens de wetgever noodzakelijk om de hersteloperatie beheersbaar en uitvoerbaar te houden. Zonder een dergelijke deadline zou de operatie onnodig kunnen worden uitgerekt, wat de uitvoerbaarheid zou bemoeilijken en de beschikbare middelen zou kunnen overbelasten. De wetgever heeft bewust gekozen voor een uiterlijke aanmelddatum om ouders een ruime termijn – ongeveer drieënhalf jaar – te geven om hun rechten te kunnen effectueren. Door deze termijn is voldoende rekening gehouden met het beperkte ‘doenvermogen’ van de doelgroep bij het doen van een tijdige aanvraag. Het betoog van eiseres dat zij sociaal minder vaardig is leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
6.3.
Het beroep van eiseres op het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De door eiseres overgelegde zaak waar de hardheidsclausule was toegepast betreft een ander geval, omdat daar sprake was van het overlijden van beide moeders van het echtpaar in 2022 en 2023. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat dit wezenlijk andere feiten en omstandigheden zijn.
6.4.
Ter zitting heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat het via sociale media berichten heeft verspreid en dat het ouders die geregistreerd stonden bij het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) actief heeft benaderd omdat de kans groot was dat zij gedupeerden waren van de toeslagenaffaire. Op een bepaald moment is Dienst Toeslagen opgehouden met het aanschrijven van ouders. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet in strijd met de inspanningsverplichting zoals verwoord in de Memorie van Toelichting. Dienst Toeslagen heeft zich hiermee ingespannen om mogelijk gedupeerden te bereiken, ook in het buitenland. Uit de Memorie van Toelichting blijkt niet dat elke ouder die mogelijk gedupeerd is een brief moet krijgen. Uit de Memorie van Toelichting [6] volgt dat destijds bewust de keuze is gemaakt om alleen ouders actief te benaderen als bij de Belastingdienst bekend is dat er een grote kans bestaat dat zij gedupeerd zijn, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van een CAF-zaak of een O/GS-kwalificatie hadden. Eiseres is dus terecht niet persoonlijk benaderd, omdat zij niet behoort tot de groep van ouders waarvan op grond van de beschikbare data al kon worden geconcludeerd dat er een grote kans was dat zij gedupeerd was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit kader slaagt daarom niet.
6.5.
Het beroep op het fair play beginsel slaagt ook niet. Eiseres heeft ongeveer drieënhalf jaar de tijd gehad om aan te melden voor herbeoordeling. Niet is gebleken dat zij hierdoor een onevenredig nadeligere positie heeft ten aanzien van de Dienst toeslagen of dat Dienst Toeslagen oneerlijk heeft gehandeld tegenover eiseres.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat strikte toepassing van de aanmeldtermijn in het geval van eiseres niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres vervelend is dat Dienst Toeslagen haar aanvraag te laat heeft mogen vinden. In het geval van eiseres zijn er echter geen bijzondere omstandigheden die maken dat met de hardheidsclausule kan worden afgeweken van de aanmeldtermijn van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet in behandeling hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 6.1, eerste lid van de Wht.
2.Zie de brief van de staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 24 november 2023, kenmerk 2023-0000266331.
3.Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 60.
4.Behandelkader Bezwaar verschoonbare termijnoverschrijding, 4 maart 2025.
5.Zie de uitspraken van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1004, en van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1435.
6.Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, paragraaf 3.1.1.4.