Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2004

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/6252
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:17 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken bewijs van verzending ingebrekestelling

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op haar aanvraag van 27 februari 2024 voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Verweerder stelde dat geen ingebrekestelling was ontvangen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk zou zijn.

De rechtbank heeft eiseres verzocht bewijs te leveren van verzending van de ingebrekestelling. Eiseres overlegde een papieren exemplaar met handtekening, maar leverde geen bewijs dat dit bericht daadwerkelijk per post of digitaal is verzonden. Hoewel op het document een e-mailadres stond vermeld, ontbrak bewijs van ontvangst door verweerder.

Op grond van artikel 2:17 Awb Pro is het moment van ontvangst door het bestuursorgaan beslissend bij digitale verzending. Eiseres kon dit niet aantonen, waardoor niet is komen vast te staan dat de ingebrekestelling is verzonden. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij het beroep niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs van juiste verzending van de ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6252

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 27 februari 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 13 november 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen ingebrekestelling heeft ontvangen en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is.
3. De rechtbank heeft eiseres bij brief van 19 november 2025 verzocht om bewijs waaruit blijkt dat de ingebrekestelling is verzonden. Eiseres heeft hierop gereageerd.
4. Eiseres heeft als bijlage een papieren exemplaar van een ingebrekestelling overgelegd, gedateerd op 17 maart 2025 en voorzien van een handtekening. Dit is hetzelfde bericht dat eiseres eerder al als bijlage bij het beroepschrift heeft overgelegd. Zij heeft evenwel geen bewijsstukken verstrekt waaruit volgt dat dit stuk daadwerkelijk per post is verzonden.
5. Eiseres stelt daarnaast dat het papieren exemplaar ‘op digitale en gebruikelijke wijze’ verzonden. Op het papieren exemplaar staat bij de adressering het adres van verweerder en “per e-mail: uht.igs@toeslagen.nl’.
6. Op grond van artikel 2:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is bij de digitale verzending van berichten aan een bestuursorgaan beslissend het moment waarop het bericht elektronisch door dat bestuursorgaan is ontvangen. Eiseres heeft geen gegevens overgelegd (bijvoorbeeld afkomstig van haar internetprovider) waaruit kan worden afgeleid dat verweerder het bericht digitaal heeft ontvangen. Zij heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de ingebrekestelling daadwerkelijk is verzonden.
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.