ECLI:NL:RBMNE:2026:2046

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/2841
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. WA
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verordening op de heffing en invordering van de parkeerbelasting 2023Art. 5 lid 1 Verordening op de heffing en invordering van de parkeerbelasting 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens schending hoorplicht en redelijke betalingstermijn

Eiser parkeerde op 23 augustus 2023 een auto zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. De heffingsambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag op, die door eiser werd bestreden. Eiser stelde dat de hoorplicht was geschonden omdat een hoorzitting niet was gehouden en dat hij geen redelijke termijn had gekregen om de parkeerbelasting te voldoen vanwege storingen bij parkeerautomaten.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende uitnodigingen voor hoorzittingen had gestuurd en dat eiser of zijn gemachtigde niet had gereageerd, waardoor de hoorplicht niet was geschonden. Daarnaast was vastgesteld dat eiser niet had betaald, ondanks dat hij de intentie had en pogingen had gedaan. De rechtbank vond dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat de parkeerbelasting direct bij het parkeren verschuldigd is en eiser niet onverwijld en onafgebroken uitvoeringshandelingen had verricht om te betalen.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen redelijke termijn had gekregen om te betalen, maar dat dit niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leidde omdat de parkeerbelasting niet was voldaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard omdat de hoorplicht niet is geschonden en eiser geen redelijke termijn heeft gekregen om te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2841

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: J. Pablo)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)

Procesverloop

1.1
De heffingsambtenaar heeft op 5 september 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 27 februari 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2026. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Feiten
2. Eiser heeft op 23 augustus 2023 om 20.35 uur een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de Troelstralaan in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan.
Geschil
3. Tussen partijen is in geschil of de hoorplicht is geschonden en of de heffingsambtenaar aan eiser een redelijke termijn heeft gegund om de parkeerbelasting te voldoen.
Beoordeling door de rechtbank
Schending van de hoorplicht?
4. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar hem onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om gehoord te worden. De gemachtigde van eiser stelt dat er - na een mailwisseling met verweerder - was afgesproken dat de hoorzitting op 22 maart 2024 zou plaatsvinden. Om onduidelijke redenen heeft verweerder met dagtekening 27 februari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan, zonder dat de hoorzitting hieraan vooraf is gegaan. Eiser is in zijn procesbelang geschaad door het achterwege laten van de hoorzitting, zo stelt hij.
5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat (de gemachtigde van) eiser in ruim voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden. De gemachtigde is op 30 november 2023, 12 januari 2024, 2 februari 2024 en 19 februari 2024 uitgenodigd voor een hoorzitting. De gemachtigde van eiser heeft daar niet op gereageerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de heffingsambtenaar screenshots van de e-mails met de uitnodigingen overgelegd. Er is uiteindelijk een hoorzitting gehouden op
22 februari 2026, maar (de gemachtigde van) eiser is daarbij niet verschenen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de overgelegde screenshots van de e-mails van 30 november 2023, 12 januari 2024, 2 februari 2024 en de uitnodiging van 19 februari 2024 aannemelijk heeft gemaakt dat eiser voldoende gelegenheid is geboden om deel te nemen aan een hoorzitting. De heffingsambtenaar heeft de hoorplicht dus niet geschonden. De e-mails zijn gestuurd naar het e-mailadres [emailadres] . Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat dit het juiste e-mailadres is. In de bijlage bij de e-mails is een pdf-document opgenomen met de titel “ [eiser] ”. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de uitnodigingen voor de hoorzittingen ook op onderhavige zaak betrekking hadden. Uit de door eiser overgelegde e-mails blijkt daarnaast – in tegenstelling tot wat eiser stelt – niet dat de hoorzitting pas op 22 maart 2024 zou plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Parkeerbelasting binnen redelijke tijd betaald?
7. Eiser voert aan dat hem op 23 augustus 2023 geen redelijke termijn is gegund om de parkeerbelasting te voldoen. Eiser wilde de parkeerbelasting betalen, maar de parkeerautomaat waar hij naast had geparkeerd had een storing. Eiser is daarna naar een andere parkeerautomaat gegaan om alsnog de parkeerbelasting te voldoen. Eiser stelt dat ook bij deze parkeerautomaat sprake was van een storing. Eiser heeft zijn uiterste best gedaan om te betalen. Aan eiser dient een redelijke tijd te worden gegund om aangifte te doen van de parkeerbelasting. Hierbij is van belang dat eiser wel de intentie had om te betalen en dat hij uitvoeringshandelingen heeft verricht om de parkeerbelasting te voldoen. Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank van 9 november 2022. [1]
8. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat aan eiser wel een redelijke termijn is gegund om de parkeerbelasting te voldoen. De heffingsambtenaar bevestigd dat er sprake was van een storing bij de parkeerautomaat naast de plek waar eiser had geparkeerd op het moment dat hij wilde betalen. Eiser heeft echter niet kenbaar gemaakt naar welke parkeerautomaat hij daarna is toegegaan. Volgens de heffingsambtenaar staat de dichtstbij staande parkeerautomaat in de Samuel van Houtenstraat. Van deze parkeerautomaat is op 23 augustus 2023 geen storing bekend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de heffingsambtenaar screenshots overgelegd van de plaats van de parkeerautomaten en van de betalingen die bij die parkeerautomaten zijn gedaan.
9. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Parkeerbelasting is direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd, dus direct nadat de auto wordt geparkeerd. [2] Uit vaste rechtspraak volgt ook dat een parkeerder een redelijke tijd moeten worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur in werking te stellen. Die redelijke tijd begint direct nadat de auto wordt geparkeerd. [3] De parkeerder moet in die tijd wel bezig zijn om de parkeerbelasting te betalen (het zogenoemde onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen). Tijdens de zitting is door de gemachtigde van eiser bevestigd dat eiser heeft geprobeerd om de parkeerbelasting te voldoen, maar dit uiteindelijk niet heeft gedaan. De redelijke termijn is, zoals hiervoor beschreven, erop gericht om een persoon de tijd te gunnen die nodig is om de parkeerapparatuur in werking te stellen. Nu vast is komen te staan dat eiser niet aan de parkeerbelasting heeft voldaan, kan van een redelijke termijn geen sprake zijn. Bovendien heeft de heffingsambtenaar met de overgelegde screenshots en de toelichting dat betalen bij de parkeerautomaat in de Samuel van Houtenstraat of via een parkeerapplicatie wel mogelijk was, voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de mogelijkheid was om het parkeerrecht te voldoen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.WA, rechter, in aanwezigheid van
mr.A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Dit volgt uit artikel 2, onderdeel a in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Verordening op de heffing en invordering van de parkeerbelasting 2023.
3.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.