Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2059

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/16/604707 / BE ZA 25-69
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:78 lid 1 BWArt. 3 huwelijkse voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage bankafschriften voor berekening legitieme portie

Eisers, kinderen van de overleden erflater, vorderden inzage in alle bankafschriften van gezamenlijke rekeningen om de omvang van hun legitieme portie te kunnen berekenen en controleren. De erflater had hen onterfd en de gedaagde was benoemd tot enig erfgenaam en executeur.

De rechtbank oordeelde dat de gedaagde reeds voldoende documenten had verstrekt, waaronder een boedelbeschrijving, afschriften van rekeningen per overlijdensdatum, financiële jaaroverzichten en gezamenlijke belastingaangiften. Deze informatie was toereikend om de legitieme portie te berekenen zonder dat alle bankafschriften nodig waren.

De rechtbank vond geen aanwijzingen voor schenkingen, leningen of vorderingen die de legitieme zouden beïnvloeden. Ook was er geen noodzaak voor inzage in het uitgavepatroon of een onderzoek naar kosten van de huishouding, mede vanwege een vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden.

De rechtbank adviseerde partijen tot overleg voor een minnelijke regeling gezien het geringe financiële belang en stelde de proceskosten tussen partijen gelijk. De hoofdzaak werd aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van alle bankafschriften af omdat de verstrekte informatie voldoende is voor de berekening van de legitieme portie.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/604707 / BE ZA 25-69
Vonnis in incident van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [plaats] ,
3.
[eiseres sub 3],
te [plaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. I. Lieberwerth,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C. Waanders.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, tevens houdende een eis in incident, met producties 1 t/m 13;
  • de conclusie van antwoord in incident, met producties 1 t/m 7.
1.2
Daarna is bepaald dat er uitspraak wordt gedaan in het incident.

2.De beoordeling

Het geschil in het incident

2.1
[eisers] hebben in het incident gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle bankafschriften over de periode van 1 december 2018 tot 1 juli 2024 die (mede) op naam staan van de hierna te noemen erflater, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.
2.2
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident.
De beslissing in het incident
2.3
De rechtbank zal de vordering in het incident afwijzen en de proceskosten in het incident compenseren. De rechtbank zal deze beslissing hieronder toelichten, nadat de rechtbank eerst heel kort het geschil in de hoofdzaak heeft toegelicht.
Waar gaat de hoofdzaak over
2.4
[eisers] zijn de kinderen van [erflater] , hierna te noemen: erflater. Erflater is van 1957 tot 1976 gehuwd geweest met hun moeder. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Erflater is op [datum] 1978 gehuwd met [gedaagde] onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. Dit huwelijk is op [datum] 2024 ontbonden door de dood van erflater.
2.5
Erflater heeft op 27 maart 2017 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. In zijn testament heeft hij [eisers] onterfd en [gedaagde] benoemd tot enig erfgenaam en executeur. [eisers] hebben een beroep gedaan op hun legitieme. Zij vorderen in de hoofdzaak dat de rechtbank de hoogte van hun legitieme vaststelt en [gedaagde] veroordeelt om de legitieme aan hen uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het toetsingskader
2.6
Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW Pro heeft een legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen, dan wel als er een met beheer belaste executeur in functie is, de executeur, aanspraak op inzage in en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Ook moeten zij hem op zijn verzoek alle benodigde inlichtingen verschaffen. Dit informatierecht moet ruim worden opgevat, maar is (zoals uit de tekst van het wetsartikel blijkt) wel beperkt tot gegevens die de legitimaris voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Artikel 4:78 geeft Pro de legitimaris geen algemeen recht op rekening en verantwoording en ook geen algemeen recht op inzage in het uitgavepatroon de erflater. Pas als de legitimaris voldoende aannemelijk maakt dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de legitieme vast te stellen, weegt zijn recht zwaarder dan het recht van de erflater en diens erfgenaam/partner op privacy.
2.7
[eisers] hebben gesteld dat zij de bankafschriften nodig hebben om de verklaring van [gedaagde] te controleren dat er geen schenkingen zijn gedaan die van belang zijn voor de omvang van de legitieme, door [gedaagde] gesteld op € 1.426,82 per kind. Verder hebben [eisers] gesteld dat de bankafschriften nodig zijn om te kunnen onderzoeken of erflater leningen heeft verstrekt en/of er sprake is van een vergoedingsrecht van erflater (en dus van de nalatenschap) op [gedaagde] of van een vordering op grond van artikel 3 van Pro de huwelijks voorwaarden (kosten huishouding).
2.8
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] aan [eisers] voldoende informatie heeft verstrekt om de legitieme te kunnen berekenen en controleren. Daarvoor hebben [eisers] de bankafschriften niet nodig. [gedaagde] heeft aan [eisers] namelijk onder meer al de volgende documenten ter beschikking gesteld:
een boedelbeschrijving, met onderliggende bescheiden over onder meer de kosten van de uitvaart;
afschriften van de vier en/of-rekeningen van [gedaagde] en erflater per datum overlijden bij ABN AMRO;
financiële jaaroverzichten van ABN AMRO vanaf 2020 t/m 2023 waaruit het verloop van deze vier rekeningen bij ABN AMRO blijkt;
de gezamenlijke IB-aangiften en aanslagen 2018 t/m 2023 van erflater en [gedaagde] , waaruit onder meer het inkomen van beiden en hun vermogen in box 3 blijken;
Reeningafschriften ter onderbouwing van de wijze waarop de aflossing van de hypotheek volgens [gedaagde] is gefinancierd.
2.9
Partijen zijn het over eens dat de helft van de saldi op de vier en/of-rekeningen tot de nalatenschap behoort en dat [eisers] geen privébankrekeningen had. In lijn daarmee heeft [gedaagde] de helft van die saldi per sterfdatum opgenomen in de boedelbeschrijving. Uit de financiële jaaroverzichten en de IB-aangiften blijkt dat de saldi van deze vier en/of-rekeningen vanaf 2019 over de jaren heen een geleidelijke stijging laten zien. Gegeven het relatief bescheiden inkomen dan erflater en [gedaagde] (AOW en pensioen), afgezet tegen de gebruikelijke kosten van levensonderhoud, wijst die stijging er niet op dat schenkingen zijn verricht die meegenomen zouden moeten worden bij de berekening van de legitieme. Verder duidt dit er evenmin op dat er leningen zijn verstrekt. Uit de aangiften inkomstenbelasting blijkt ook niet van het bestaan van uitstaande vorderingen, die alsnog op de boedelbeschrijving zouden moeten worden geplaatst.
2.1
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] evenmin voldoende belang bij de rekeningafschriften om te onderzoeken of sprake is van een vordering op grond van artikel 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden. Het is wel waarschijnlijk dat erflater meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan [gedaagde] , maar daar was hij ook toe verplicht omdat zijn inkomen hoger was. Verder duidt de toename van de saldi op de en/of-rekeningen er niet op dat het gezamenlijke inkomen ontoereikend was om de kosten van de huishouding te betalen. Een onderzoek of wel naar rato van vermogen is bijgedragen in de kosten van de huishouding is daarom niet aan de orde. Overigens bevatten de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding van een jaar voor verrekening van te veel betaalde kosten van de huishouding.
2.11
Wat dan rest is een eventueel vergoedingsrecht van de nalatenschap op [gedaagde] , dat zou kunnen volgen uit de wijze waarop de hypotheekschuld is afgelost. [eisers] hebben expliciet op die aflossing gewezen. Deze hypotheekschuld betrof de woning, waarin erflater en [gedaagde] samenwoonden en die uitsluitend eigendom was en is van [gedaagde] . Deze bedroeg op 1 januari 2018 nog € 42.500,-, op 1 januari 2019 € 36.125,- en op 1 januari 2021 € 30.706,-, waarna de hypotheekschuld in 2021 geheel is afgelost. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] echter voldoende uiteengezet en met stukken onderbouwd hoe de aflossingen zijn gefinancierd. Daarvoor is niet nodig dat zij alle afschriften van de en/of-rekeningen verstrekt. Overigens volgt uit hetgeen [gedaagde] zelf stelt dat er in 2021 uit gezamenlijke middelen € 16.000,- is afgelost op de hypotheekschuld, hetgeen duidt op een vermogensoverdracht van [eisers] naar [gedaagde] van € 8.000,-. De beoordeling van de stelling van [gedaagde] dat dit de voldoening van een natuurlijke verbintenis betrof is van juridische aard. Ook daarvoor zijn de bankafschriften niet nodig.
2.12
De rechtbank geeft partijen overigens dringend in overweging met elkaar in overleg te treden ten behoeve van een minnelijke regeling, gelet op het geringe financiële belang van de zaak en het feit dat de legitieme, anders dan waarvan [eisers] bij dagvaarding nog uitgingen, niet eerder dan na het overlijden van [gedaagde] opeisbaar is. Het ware beter geweest als [gedaagde] [eisers] hiervan tijdig in kennis had gesteld door hen niet alleen een uittreksel van het testament, waaruit dit niet bleek, maar het testamant in zijn geheel ter beschikking te stellen.
Proceskosten
2.13
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het verdere verloop van de procedure
2.14
De rechtbank zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol van 13 mei 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1
wijst het gevorderde af;
3.2
compenseert de kosten van het incident in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
3.3
bepaalt dat de zaak weer op de rol van
13 mei 2026zal komen voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak;
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.