ECLI:NL:RBMNE:2026:206

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2767
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de afwijzing van een meerjarige productiesubsidie door het Fonds Podiumkunsten aan Stichting Suburbia

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 30 januari 2026, wordt het beroep van Stichting Suburbia tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een meerjarige productiesubsidie door het Fonds Podiumkunsten behandeld. De rechtbank oordeelt dat het advies van de adviescommissie, dat ten grondslag lag aan de afwijzing, niet op alle punten zorgvuldig en inzichtelijk is. De aanvraag van Suburbia, die een subsidie van € 725.000,- vroeg voor de periode 2025-2028, werd afgewezen op basis van een advies dat onvoldoende rekening hield met de artistieke kwaliteit, publieksfunctie en betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de aanvraag niet kan standhouden en vernietigt het besluit van het Fonds. De rechtbank geeft het Fonds de opdracht om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het Fonds een nieuw advies bij de adviescommissie moet opvragen. Tevens wordt het Fonds veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en de proceskosten aan Suburbia.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2767

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting Suburbia, uit Almere, Suburbia

(gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten),
en
de raad van bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten, verweerder (gemachtigden: M.G. van Wamel, M. de Ridder en mr. A. Braxhoven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van Suburbia om een meerjarige productiesubsidie op grond van de Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 (de regeling). Suburbia is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van Suburbia gegrond is. Het advies van de adviescommissie dat het Fonds aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, is niet op alle punten zorgvuldig, inzichtelijk en begrijpelijk. Dat doet zich voor bij aspecten die zijn beoordeeld bij de criteria artistieke kwaliteit, publieksfunctie en betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Suburbia heeft een aanvraag ingediend voor een meerjarige productsubsidie Categorie III. Het gaat om een subsidie van € 725.000,-.
2.1.
Het Fonds heeft de aanvraag met het besluit van 3 juli 2024 afgewezen. Het Fonds heeft hieraan het advies van de adviescommissie ten grondslag gelegd. De adviescommissie heeft geadviseerd de aanvraag van Suburbia niet te honoreren.
2.2.
Met het bestreden besluit van 21 maart 2025 op het bezwaar van Suburbia is het Fonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Wel heeft het Fonds onder verwijzing naar de nadere motivering van de adviescommissie de motivering op de criteria “artistieke kwaliteit” en “betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk” aangevuld.
2.3.
Suburbia heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Fonds heeft een verweerschrift ingediend. Suburbia heeft hierop gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Suburbia, [A] en [B] (vertegenwoordigers van Suburbia) en de gemachtigden van het Fonds.

Beoordeling door de rechtbank

De regeling
3. De regeling biedt professionele gezelschappen, makers(collectieven) en ensembles de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor een productiesubsidie. Die productiesubsidie wordt voor vier jaar verstrekt (periode 2025-2028).
3.1.
Aanvragen worden voorgelegd aan een adviescommissie die bestaat uit een gezelschap van deskundigen op het gebied van podiumkunsten. De adviescommissie beoordeelt de aanvraag aan de hand van de criteria van de regeling. Het gaat daarbij om de volgende vier criteria: artistieke kwaliteit, publieksfunctie, betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk en geografische spreiding. Per criterium kan een aanvrager punten toebedeeld krijgen. Die punten maken samen de waardering van de adviescommissie. In een toelichting op de regeling zijn de criteria en de bijbehorende waarderingen nader uitgewerkt.
3.2.
Vervolgens worden de aanvragen op basis van de toegekende waardering op alle criteria in categorieën onderverdeeld: ‘honoreren’, ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ en ‘niet honoreren’. Om voor ‘honoreren (voor zover het budget dat toelaat)’ in aanmerking te komen, moet de waardering tenminste zes punten bevatten. Het Fonds honoreert eerst de aanvragen met het advies ‘honoreren’ en daarna de aanvragen met het advies ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ in volgorde van rangorde. Het Fonds verdeelt het beschikbare budget volgens deze rangorde waarbij aanvragen worden toegewezen of gedeeltelijk toegewezen totdat het van toepassing zijnde subsidieplafond is bereikt. De overige aanvragen worden afgewezen.
3.3.
Suburbia heeft bij de beoordeling 5,5 punten toegekend gekregen: anderhalf punt voor artistieke kwaliteit (voldoende), één punt voor publieksfunctie (voldoende), nul punten voor betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk (neutraal) en drie punten voor geografische spreiding (goed). Daarmee kreeg de aanvraag het advies ‘niet honoreren’. daarom is de aanvraag afgewezen.
Het toetsingskader
4. Indien een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, geldt als algemeen uitgangspunt dat het bestuursorgaan dan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In het geval een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Dit algemene uitgangspunt geldt ook voor het Fonds bij een kunstsubsidie zoals hier aan de orde. [1] Het gaat er bij kunstsubsidies om dat de aanvrager in voldoende mate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die aan het gevolgde advies ten grondslag ligt. De aard van artistieke kwaliteitsoordelen brengt met zich mee dat de bestuursrechter de adviezen van de adviescommissie slechts terughoudend kan toetsen. Bij besluiten over productiesubsidies komt het Fonds immers beslissingsruimte toe.
4.1.
In geschil is de beoordeling van de criteria artistieke kwaliteit, publieksfunctie en betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk en hoe de adviescommissie deze criteria heeft gewaardeerd. De rechtbank zal deze criteria hieronder bespreken en haar oordeel hierover geven. Alvorens de hiervoor genoemde criteria te bespreken, zal de rechtbank eerst een oordeel geven over het verzoek om het bezwaarschrift en de pleitnota in bezwaar in te lassen en het standpunt over het niet onderkennen van de missie van Suburbia.
Herhaald en ingelast
5. Suburbia voert aan dat zij het oneens is met het advies van de adviescommissie en met het advies van de bezwaaradviescommissie. Suburbia verzoekt de rechtbank het bezwaarschrift en de pleitnota in bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het aan Suburbia is om in beroepsgronden aan te geven in welke zin zij het oneens is met het besluit op bezwaar. Uit het bezwaarschrift en de pleitnota in bezwaar kan dat niet worden afgeleid. De rechtbank gaat daarom hieraan voorbij.
Missie
6. Suburbia wijst erop dat de adviescommissie haar nieuwe missie niet heeft onderkend. In het advies van de adviescommissie staat namelijk de oude missie, afkomstig uit een eerder advies uit de vorige subsidieronde 2021-2024. Dat is onzorgvuldig en bovendien laat dit zien dat de adviescommissie van een verkeerd uitgangspunt is uitgegaan. De nieuwe missie is de rode draad door de aanvraag en komt bij meerdere criteria tot uiting. Door dit te miskennen, is het advies ook ondeugdelijk gemotiveerd.
6.1.
Het Fonds stelt zich op het standpunt dat slechts sprake is van een inleidende tekst en dat deze niet feitelijk onjuist is. Ook blijkt niet dat de formulering van de missie van invloed is geweest op de beoordeling van de aanvraag.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de missie onder het kopje artistieke kwaliteit in het advies staat. Die missie is door de adviescommissie als volgt geformuleerd: “
Theatergroep Suburbia is het stadsgezelschap van Almere. [A] is de artistiek leider. Het gezelschap heeft als missie voorstellingen te maken voor alle bewoners van de stad, ook voor degenen voor wie toneelbezoek niet vanzelfsprekend is. Het gezelschap speelt in het theater en op locatie.” Niet in geschil is dat dit in grote mate lijkt op de formulering van de missie in een eerder advies van de adviescommissie uit de subsidieronde 2021-2024:
“Theatergroep Suburbia is het stadsgezelschap van Almere. [C] is de artistiek leider. Het gezelschap maakt toneel voor alle bewoners van de stad. Het is de missie van Theatergroep Suburbia om voorstellingen te maken ook voor degenen voor wie toneelbezoek niet vanzelfsprekend is. Het gezelschap speelt in het theater en op locatie. Jongerengezelschap SubSub maakt deel uit van Theatergroep Suburbia.”
6.3.
De rechtbank vindt het onzorgvuldig dat de adviescommissie de missie op deze manier heeft opgeschreven, aangezien dit niet is gestoeld op de huidige aanvraag en het activiteitenplan. Dat de formulering van de missie geen feitelijke onjuistheden bevat, maakt dat niet anders. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat uit het advies niet blijkt dat deze formulering van de missie heeft doorgewerkt in de beoordeling van de criteria. In het advies wordt kenbaar de aanvraag en het daarbij gevoegde activiteitenplan beoordeeld. De onjuiste formulering van de missie staat weliswaar onder het criterium artistieke kwaliteit, maar in de daaropvolgende beoordeling komt tot uiting dat is gekeken naar de huidige aanvraag en de nieuwe visie. Zo staat er bijvoorbeeld:
“De commissie vindt de ambities en de missie van Suburbia om het gesprek aan te gaan met alle inwoners van Almere op zich helder verwoord.”
6.4.
Zoals hierna zal worden geoordeeld, zal de rechtbank het Fonds de opdracht geven om de adviescommissie opnieuw het criterium artistieke kwaliteit te laten beoordelen. Aangezien de onzorgvuldigheid in de formulering van de missie in de beoordeling van de artistieke kwaliteit zit, geeft de rechtbank het Fonds wel mee om aan de adviescommissie mee te geven in die nieuwe beoordeling de actuele missie te omschrijven.
Artistieke kwaliteit
Vakmanschap
7. Suburbia voert aan dat de adviescommissie het vakmanschap ten onrechte gematigd positief vindt. In de eerste plaats wijst zij op het vakmanschap van artistiek leider [A] . Suburbia vindt het onbegrijpelijk dat de adviescommissie naar aanleiding van de bezwaarprocedure is teruggekomen op twee van de drie kritiekpunten, maar desondanks bij dezelfde beoordeling blijft. Bovendien is het overgebleven kritiekpunt, namelijk de ervaring als artistiek leider bij een groot theatergezelschap, onterecht. Volgens de toelichting op de regeling gaat het bij vakmanschap om de vaardigheden van makers en uitvoerenden en niet om leiderschapservaring. Als dat zou worden beoordeeld, dan zou dat bovendien leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen jonge en oude theatermakers. Daarnaast klopt de motivering volgens Suburbia niet, omdat [A] ervaring heeft als artistiek leider van Euphoria en producties heeft gedraaid voor gezelschappen die groter zijn dan het gezelschap van Suburbia. Verder wijst Suburbia erop dat [D] ( [D] ) niet relatief beginnend is. Het advies geeft zijn voorgenomen voorstelling bij Suburbia en daarmee zijn ervaring onjuist weer: hij zou bij Suburbia een interventie vanuit de kleine zaal houden en niet in de openbare ruimte. Met dergelijke interventies heeft hij wel ervaring. Tot slot voert Suburbia in het kader van het vakmanschap aan dat ten onrechte van haar meer toelichting wordt gevraagd over de uitvoerenden en de wijze van begeleiding van nieuwe makers.
7.1.
Het Fonds volgt het advies van de adviescommissie dat het vakmanschap van Suburbia gematigd positief is. Bij de beoordeling van het vakmanschap moet de adviescommissie alle omstandigheden meewegen. De ervaring van [A] als artistiek leider van een groot gezelschap is zo’n omstandigheid. Bovendien vindt het Fonds de nadere motivering van de adviescommissie over de ervaring van [A] navolgbaar. Ook de motivering ten aanzien van de ervaring van [D] vindt het Fonds begrijpelijk. Voor zover er al onduidelijkheid zou hebben bestaan over zijn voorervaring, dan wijst het Fonds erop dat het aan de subsidieaanvrager is om voldoende toelichting over die ervaring te geven in de aanvraag. Dat laatste geldt ook voor de toelichting over de uitvoerenden en de wijze van begeleiding van nieuwe makers.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat het advies op het punt van het vakmanschap onvoldoende begrijpelijk is. Uit de toelichting op de regeling volgt dat vakmanschap betrekking heeft op de vaardigheden van de betrokken makers en uitvoerenden. Daarbij kan het gaan om uitvoeringsvaardigheden, zoals beheersing van een instrument, acteer- of dansvaardigheid, maar ook om dramaturgische vaardigheden. Het gevolgd hebben van een vakopleiding is geen voorwaarde; het gaat om de vaardigheid waarmee de activiteiten worden vormgegeven. De rechtbank stelt vast dat volgens de toelichting het vakmanschap dus niet wordt beoordeeld op basis van de leiderschapservaring van de artistiek leider. Dat is wel wat de adviescommissie heeft gedaan en ten aanzien van [A] – zo staat in de nadere motivering – doorslaggevend heeft gevonden. Daarnaast is de rechtbank het met Suburbia eens dat in de nadere motivering van de adviescommissie ten onrechte staat dat [D] theatrale interventies zal plegen in de openbare ruimte. Uit het activiteitenplan van Suburbia blijkt dat hij een interventie zal plegen vanuit de kleine zaal, met uitzicht op het plein. Dit onderscheid is relevant, omdat de adviescommissie [D] als relatief beginnend ziet vanwege een gebrek aan gebleken ervaring met die vorm van theater en Suburbia dat betwist. Op die punten geeft de rechtbank Suburbia daarom gelijk. Dat is anders voor de andere door Suburbia genoemde punten. De rechtbank vindt het advies van de adviescommissie navolgbaar op de punten dat meer toelichting over de uitvoerenden en de wijze van begeleiding van nieuwe makers werd verlangd. In bezwaar is het advies op deze punten daarom terecht gevolgd.
Oorspronkelijkheid
7.3.
Suburbia voert aan dat de adviescommissie de oorspronkelijkheid niet heeft beoordeeld. De bezwaaradviescommissie geeft hier vervolgens een eigen draai aan, maar dit is geen deskundigencommissie. Aan de oorspronkelijkheid kan bovendien in redelijkheid niet worden getwijfeld. De artistieke signatuur van Suburbia komt duidelijk tot uiting in haar aanvraag en is voldoende uitgekristalliseerd. De adviescommissie denkt te ouderwets en onderkent onvoldoende dat de verscheidenheid in producties juist de kern van haar nieuwe artistieke signatuur is.
7.4.
Het Fonds stelt dat uit het advies blijkt dat de oorspronkelijkheid is beoordeeld door de adviescommissie. Dat het woord ‘oorspronkelijkheid’ niet expliciet is genoemd, maakt dat niet anders. Daarnaast kan het Fonds de redenering van de adviescommissie op dit punt volgen.
7.5.
Het betoog van Suburbia slaagt niet. Uit de toelichting op de regeling volgt dat het bij oorspronkelijkheid gaat over de eigenheid en de herkenbaarheid van de uitgevoerde en beoogde projecten. Het gaat daarbij onder meer om de vraag of de voorstellingen zich van die van andere makers onderscheiden, ze herkenbaar zijn als zijnde gemaakt door die maker en er een herkenbare artistieke signatuur en ontwikkeling daarin is. De oorspronkelijkheid heeft niet alleen betrekking op specifieke eigenschappen van de maker(s), maar ook op aspecten als de gevolgde werkwijze en gehanteerde thematiek. In het advies van de adviescommissie leest de rechtbank de beoordeling op deze punten terug in de een na laatste alinea. Dat het woord ‘oorspronkelijkheid’ ontbreekt, betekent niet dat de oorspronkelijkheid niet is beoordeeld. Daarnaast ziet de rechtbank in wat Suburbia aanvoert onvoldoende aanknopingspunten om het advies onvoldoende te achten. De adviescommissie is op basis van de aanvraag tot dit oordeel gekomen. Dat Suburbia een andere visie heeft op haar artistieke signatuur en toelichting daarop, kan door de rechtbank niet als zodanig worden beoordeeld. Dit is aan de adviescommissie die een artistiek kwaliteitsoordeel hierover geeft. De rechtbank ziet verder ook niet dat de bezwaaradviescommissie een andere draai hieraan geeft, die zou moeten betekenen dat het besluit van het Fonds geen stand zou kunnen houden. Het advies van de adviescommissie is begrijpelijk en heeft het Fonds aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.
Zeggingskracht
7.6.
Volgens Suburbia heeft de adviescommissie dit subcriterium achteraf anders ingevuld door de vormgeving en dramaturgische lijn te beoordelen. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat Suburbia de aanvraag hierop niet heeft kunnen afstemmen. Daarnaast blijkt uit het advies niet dat de adviescommissie het verleden heeft meegewogen.
7.7.
Het Fonds vindt dat er geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Bij de zeggingskracht gaat het om de wijze waarop het publiek wordt beroerd, geprikkeld of verrast. Daarvoor zijn de vormgeving en dramaturgische lijn medebepalend. Daarnaast worden eerdere prestaties niet zelfstandig beoordeeld, maar wordt alleen ter referentie naar de activiteiten uit de vorige subsidieperiode gekeken. Het advies kan worden gevolgd.
7.8.
De rechtbank geeft Suburbia ongelijk op dit punt. Volgens de toelichting op de regeling heeft zeggingskracht betrekking op de overdracht op het publiek. Het gaat daarbij onder meer om de vraag in hoeverre de maker(s) met hun voorstellingen het beoogde publiek weten te beroeren, prikkelen of verrassen. In dat verband ligt het in de rede dat wordt gekeken naar de vormgeving en dramaturgische lijn. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Uit de toelichting op de regeling volgt verder dat er alleen als referentie naar de activiteiten in de vorige subsidieperiode wordt gekeken. Die activiteiten worden niet zelfstandig beoordeeld en daarom hoeft daarover niet altijd expliciet een motivering in het advies te worden opgenomen. Suburbia heeft ook niet concreet gemaakt wat zij hierover in het advies mist en waarom dit het advies op dit punt onbegrijpelijk maakt. Het betoog slaagt daarom niet.
Diversiteit en inclusie
7.9.
Suburbia wijst er nog op dat de code diversiteit en inclusie kenbaar had moeten worden betrokken bij de beoordeling van de artistieke kwaliteit.
7.10.
Het Fonds merkt hierover op dat het feit dat diversiteit en inclusie niet expliciet zijn besproken in het advies, alleen betekent dat er geen punten van kritiek waren. Omdat de beoordelingssystematiek samenhangt met kritiekpunten, hebben extra positieve punten geen invloed op de waardering.
7.11.
De rechtbank geeft Suburbia op dit punt gelijk. Diversiteit en inclusie hadden kenbaar in het advies moeten worden betrokken. In de toelichting op de regeling leest de rechtbank namelijk dat het bij artistieke kwaliteit van belang wordt gevonden hoe diversiteit en inclusie een rol spelen in de wijze waarop inhoudelijke en artistieke keuzes tot stand komen. Dit is dus een relevant aspect van de beoordeling. Dat alleen de kritiekpunten in de advisering tot uiting hoeven te komen, volgt de rechtbank niet. Dit blijkt niet uit de regeling of de toelichting daarop. Bovendien staan in het advies wel degelijk ook positieve punten genoemd. Uiteraard hoeft niet alles uitdrukkelijk in de motivering van het advies tot uiting te komen, maar dat mag wel worden verwacht van de punten die volgens de toelichting op de regeling van belang zijn, zoals diversiteit en inclusie. Omdat diversiteit en inclusie niet in het advies zijn besproken, is het niet duidelijk of, en hoe deze punten in de beoordeling zijn meegewogen. Het advies is daarom op dit punt onvoldoende inzichtelijk.
Tussenconclusie voor artistieke kwaliteit
7.12.
De rechtbank vindt dat het advies van de adviescommissie gedeeltelijk te volgen is. Dit geldt echter niet voor de onderdelen vakmanschap en diversiteit en inclusie. De rechtbank geeft daarom het Fonds de opdracht om de adviescommissie dit criterium opnieuw te laten beoordelen, met inachtneming van wat de rechtbank hierover heeft geoordeeld.
Publieksfunctie
8. Suburbia vindt de twijfel of het beoogde publiek daadwerkelijk zal worden bereikt, onterecht. Dat de adviescommissie in dat verband een grote verscheidenheid aan producties en een weinig uitgekristalliseerde signatuur noemt, laat wederom zien dat de adviescommissie de nieuwe missie van Suburbia miskent. In het advies van de bezwaaradviescommissie is onvoldoende aandacht geweest voor de bezwaargronden die hierover gaan. Verder wijst Suburbia er in dit verband op dat haar werkwijze voor het bereiken van de doelgroepen voldoende in de aanvraag is toegelicht en dat zij niet inziet wat het bezwaar is tegen overlap tussen doelgroepen. Het verwijt dat zij niet concreter kan benoemen welke influencers ze gaat inzetten, is bovendien onterecht. Van Suburbia kan niet worden verwacht dit concreet aan te geven voor de gehele subsidieperiode van vier jaar. De bezwaaradviescommissie benoemt in dit verband ten onrechte dat het ook gaat om de wijze waarop de influencer de voorstelling onder de aandacht brengt, terwijl dit geen omstandigheid is die de adviescommissie betrekt in de beoordeling. Tot slot noemt Suburbia dat niet is getoetst hoe toegankelijk en aanspreekbaar de activiteiten zijn in het kader van diversiteit en inclusie.
8.1.
Het Fonds vindt het advies op het punt van de publieksfunctie navolgbaar. Ook de bezwaaradviescommissie heeft dit terecht gevonden. Volgens het Fonds is het begrijpelijk dat de kritiek over de weinig uitgekristalliseerde signatuur doorwerkt in de herkenbaarheid en het onderscheidend vermogen van Suburbia en daarmee het bereik van het publiek. Daarnaast heeft de adviescommissie terecht bekeken welke strategie wordt gebruikt om het publiek te bereiken. Het Fonds vindt het niet onbegrijpelijk dat de adviescommissie die doelgroepen breed gedefinieerd vindt, zodat er nauwelijks een gerichte strategie op te voeren is. Ook acht het Fonds het logisch dat de adviescommissie behoefte had aan een nadere uitwerking van de publieksbenadering, zoals de inzet van influencers. Verder herhaalt het Fonds het standpunt dat het feit dat diversiteit en inclusie niet expliciet zijn besproken in het advies, alleen betekent dat er geen punten van kritiek waren. Omdat de beoordelingssystematiek samenhangt met kritiekpunten, hebben extra positieve punten geen invloed op de waardering.
8.2.
De rechtbank oordeelt dat het advies over de publieksfunctie grotendeels inzichtelijk en begrijpelijk is. Het is de rechtbank niet gebleken dat de adviescommissie de oude missie van Suburbia heeft betrokken in de beoordeling van dit criterium. Uit het advies over dit criterium blijkt duidelijk dat de beoordeling is gestoeld op de huidige aanvraag en het activiteitenplan.
8.3.
Uit de toelichting op de regeling volgt verder dat de publieksfunctie betrekking heeft op de relatie tussen de te ontwikkelen voorstellingen/concerten en het beoogde publiek. Hierbij wordt onder meer een visie gevraagd van Suburbia op het huidige publiek, op het toekomstige publiek en een visie op hoe Suburbia het huidige en het toekomstige publiek wil behouden/bereiken. In dat verband heeft de adviescommissie mogen betrekken dat zij de artistieke signatuur weinig uitgekristalliseerd vindt. De adviescommissie weegt dit namelijk mee in de zin dat zij het niet geheel aannemelijk vindt dat het publiek ook daadwerkelijk wordt bereikt. De rechtbank is daarnaast niet gebleken dat de bezwaaradviescommissie – en in navolging daarop het Fonds – onvoldoende aandacht heeft gehad voor de bezwaargronden die hierover gaan.
8.4.
Ook vindt de rechtbank voldoende inzichtelijk dat en waarom de adviescommissie behoefte had aan een nadere uitwerking van de publieksbenadering. Dat geldt ook voor de opmerking van de adviescommissie dat zij een nadere uitwerking had willen lezen, zoals welke influencers bij welke voorstelling worden ingezet. Zoals het Fonds terecht zegt, betekent dit niet dat Suburbia alle influencers voor alle voorstellingen in de vier jaar moet kunnen benoemen, maar gaat het erom dat Suburbia dit plan concreter had kunnen uitwerken dan dat zij nu heeft gedaan. De rechtbank begrijpt wel dat het advies van de bezwaaradviescommissie kan doen vermoeden dat zijzelf iets heeft toegevoegd wat niet uit het advies van de adviescommissie blijkt, namelijk dat het er voor de adviescommissie onder meer om gaat op welke wijze de influencers de voorstellingen onder de aandacht brengen. Dit is namelijk niet als zodanig door de adviescommissie benoemd en beoordeeld. Voor de inzichtelijkheid en begrijpelijkheid van het advies van de adviescommissie over de publieksfunctie heeft dit echter geen betekenis.
8.5.
Het betoog van Suburbia slaagt wel ten aanzien van de diversiteit en inclusie. Ook bij dit criterium had de diversiteit en inclusie kenbaar moeten worden betrokken door de adviescommissie. In de toelichting bij de regeling staat hierover namelijk dat van belang is hoe toegankelijk en aansprekend de activiteiten en communicatie daarover zijn voor potentiële publieksgroepen in het kader van diversiteit en inclusie. Ook voor dit criterium geldt dat uit de regeling of de toelichting niet volgt dat alleen de kritiekpunten in de advisering tot uiting hoeven te komen. Zoals gezegd, worden in het advies bovendien ook de positieve punten genoemd. Het advies is daarom op dit punt onvoldoende inzichtelijk.
Tussenconclusie voor publieksfunctie
8.6.
De rechtbank vindt dat het advies van de adviescommissie grotendeels te volgen is. Dat is alleen anders op het punt van de diversiteit en inclusie. Een motivering op dat punt ontbreekt in het advies. De rechtbank geeft daarom het Fonds de opdracht om de adviescommissie dit criterium opnieuw te laten beoordelen, met inachtneming van wat de rechtbank hierover heeft geoordeeld.
Betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk
9. Surburbia voert aan dat de adviescommissie onvoldoende heeft onderkend dat zij onderscheidend is. Dit blijkt uit de ongebruikelijke en weinig gehanteerde methodiek van Suburbia, bijvoorbeeld door de inzet van publiek uit minstens twee leefwerelden, het ontwikkelen van een digitaal podium en de digitale toepassing van theatercodes. Daarnaast heeft Suburbia een unieke positie in Flevoland en daarmee is de maatschappelijke impact groot. Dat moet ook bij dit beoordelingscriterium worden meegenomen, zoals eveneens is gedaan bij de advisering over de aanvraag van Theater Producties Twente.
9.1.
Het Fonds vindt dat met de nadere motivering de gedachtegang van de adviescommissie inzichtelijk is gemaakt en dat alle omstandigheden daarin voldoende zijn gewogen. De positionering van Suburbia in Flevoland hoort niet thuis bij de beoordeling van dit criterium, maar komt terug bij de beoordeling van de geografische spreiding. Bovendien betekent een regionale betekenis niet dat de activiteiten ook een aanzienlijke verrijking opleveren van een discipline, genre of de podiumkunsten als geheel in Nederland. De vergelijking met de advisering van Theater Producties Twente gaat niet op, omdat die instelling op inhoud van lokale betekenis is en dat speelt bij Suburbia niet.
9.2.
De rechtbank oordeelt dat het advies over de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk grotendeels inzichtelijk en begrijpelijk is. De adviescommissie vindt de voorgenomen activiteiten onvoldoende onderscheidend en is niet overtuigd van de bijzondere betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk. Dat Suburbia daarop een andere visie heeft, kan door de rechtbank niet als zodanig worden beoordeeld. Dit ligt in de beoordelingsruimte van het Fonds en vooral bij de deskundigheid van de adviescommissie.
9.3.
Wel vindt de rechtbank dat het Fonds onvoldoende heeft uitgelegd waarom de positie van Suburbia in Flevoland niet relevant is bij de beoordeling van dit criterium. De rechtbank begrijpt dat de locatie van een aanvrager in de eerste plaats betrekking heeft op het criterium geografische spreiding en niet op het criterium de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk. Tegelijkertijd staat in de toelichting op de regeling bij dit laatste criterium dat mogelijke onderscheidende maatschappelijke effecten een rol spelen. Ook heeft de adviescommissie de versterking van podiumkunsten in de regio relevant gevonden bij de beoordeling van de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk van Theater Producties Twente. Niet in geschil is dat in dat advies hierover staat: “
zij stelt vast dat Theater Producties Twente voorstellingen brengt die geworteld zijn in de Twentse cultuur en geschiedenis en dat daarmee verhalen worden ontsloten die niet vaak worden verteld binnen de Nederlandse podiumkunsten. Verder wordt bij de locatieproducties de lokale bevolking betrokken. De commissie is van mening dat de activiteiten van Theater Producties Twente hierdoor zullen bijdragen aan de versterking van de podiumkunsten in de regio”.De rechtbank ziet dat voorstellingen die deze instelling aanbiedt anders zijn qua inhoud dan Suburbia, maar tegelijkertijd blijkt uit het advies wel dat relevant is gevonden dat er een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van podiumkunsten in de regio. De rechtbank vindt dat het Fonds in dat licht onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij Suburbia geen betekenis is toegekend aan haar ligging en het gestelde maatschappelijke effect in Flevoland. Het betoog slaagt op dit punt.
Tussenconclusie voor de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk
9.4.
De rechtbank vindt dat het advies van de adviescommissie grotendeels te volgen is. Het Fonds heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom de positie en het gestelde maatschappelijke effect van Suburbia in de regio in de advisering geen rol van betekenis heeft. De rechtbank geeft het Fonds de opdracht dit nader te motiveren, waarbij zij zich kan voorstellen dat zij hierover het advies inwint van de adviescommissie.

Conclusie en gevolgen

10. Het advies van de adviescommissie kan het bestreden besluit niet dragen. Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat het Fonds een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor is vereist dat het Fonds een nieuw advies bij de adviescommissie opvraagt. De rechtbank geeft het Fonds tien weken voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het Fonds het griffierecht aan Suburbia vergoeden en krijgt Suburbia ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het Fonds moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van Suburbia een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 21 maart 2025;
- draagt het Fonds op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Fonds het griffierecht van € 385,- aan Suburbia moet vergoeden;
- veroordeelt het Fonds tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan Suburbia.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzitter, mr. B. Fijnheer en mr. L. van ’t Hof, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1233.