Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2064

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/16/26/129 F
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FwArt. 2 FwArt. 3 EU InsolventieverordeningArt. 4 FwArt. 6 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot faillietverklaring wegens niet-betaling en meerdere schuldeisers

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 24 maart 2026 het verzoek tot faillietverklaring van een besloten vennootschap, ingediend door een schuldeiser. De verzoekster had een vordering van €51.000 uit hoofde van een geldlening die niet was terugbetaald. De verweerster betwistte de vordering deels door te stellen dat deze was verrekend met een factuur voor bouwwerkzaamheden, maar dit werd niet aannemelijk geacht door de rechtbank.

Daarnaast was er discussie over een steunvordering van een andere schuldeiser die was gecedeerd, maar de rechtbank oordeelde dat de vordering nog steeds bestond en dat de verweerster meerdere schuldeisers onbetaald liet. De rechtbank concludeerde dat de verweerster in staat van faillissement verkeert omdat zij niet binnen afzienbare termijn aan haar verplichtingen kan voldoen.

De rechtbank wees het verzoek tot faillietverklaring toe, benoemde een rechter-commissaris en stelde een curator aan. Tevens gaf zij de curator de bevoegdheid om de aan gefailleerde gerichte brieven te openen. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de besloten vennootschap failliet wegens het niet betalen van meerdere schuldeisers en wijst het verzoek tot faillietverklaring toe.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Toezicht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/26/129 F
Vonnis op grond van artikel 1 Fw Pro (verzoek tot faillietverklaring)
d.d. 24 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
[verzoekster] ,
advocaat mr. S.A.L.L. Caris,
tegen
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V.,
statutair gevestigd te gemeente [gemeente] ,
[verweerster] ,
advocaat mr. A.L. Stegeman.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoekschrift tot faillietverklaring van [verweerster] op 24 februari 2026 bij de rechtbank ingediend. Op 10 maart 2026 heeft [verzoekster] een aanvullende akte ingediend met aanvullende bijlagen.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld tijdens zittingen van deze rechtbank achter gesloten deuren van 10 maart en 24 maart 2026. Op 24 maart 2026 zijn verschenen de heer [A] , bestuurder, met zijn advocaat mr. A.L. Stegeman. Namens [verzoekster] is verschenen de heer [B] , bestuurder, met zijn advocaat mr. S.A.L.L. Caris.
1.3.
Tijdens de zitting heeft een schorsing plaatsgevonden om partijen en de rechtbank in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van een bijlage die de heer [A] heeft namens [verweerster] tijdens de zitting aan de griffie heeft toegezonden. Daarna heeft de rechtbank de zitting voortgezet. Na de schorsing heeft ook de advocaat van [verweerster] , mr. A.L. Stegeman zich gevoegd. Hij wilde zich nog beroepen op stukken die hij om 10:22 uur aan de griffie van de rechtbank had toegezonden. De rechtbank oordeelde dat die stukken te laat zijn ingediend. De stukken worden om die reden buiten beschouwing gelaten.

2.De beoordeling

2.1.
Nu niet is gesteld of gebleken dat het centrum van de voornaamste belangen van verweerster zich in een andere lidstaat bevindt dan die waarin de plaats van haar statutaire zetel is gelegen, gaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 3 van Pro de EU Insolventieverordening uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
Standpunt [verzoekster]
2.2.
[verzoekster] legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. [verzoekster] heeft een vordering van € 51.000 op [verweerster] uit hoofde van een op 17 augustus 2025 gesloten geldleningsovereenkomst. De geldlening had uiterlijk 30 september 2025 moeten worden terugbetaald. Eind september 2025 heeft [verzoekster] uitstel gegeven voor de betaling tot 15 oktober 2025. De betaling door [verweerster] is uitgebleven. Daarnaast laat [verweerster] andere schuldeisers onbetaald, waaronder [onderneming] BV. [onderneming] heeft een vordering van € 30.000 op [verweerster] .
Verweer [verweerster]
2.3.
[verweerster] voert verweer en legt daaraan het volgende ten grondslag. [verweerster] erkent dat [verzoekster] een vordering had uit hoofde van de geldleningsovereenkomst met [verweerster] . Echter, die vordering is verrekend met een factuur van 19 februari 2026 uit hoofde van bouwwerkzaamheden aan een pand gelegen aan de [adres 1] te [project 1] , aldus [verweerster] .
2.4.
Daarnaast had [onderneming] een vordering op [verweerster] . Die vordering heeft [onderneming] gecedeerd aan [C] , waarna [onderneming] haar steunvordering heeft ingetrokken. [verweerster] stelt dat de steunvordering daardoor is weggevallen, zodat geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers.
Het oordeel van de rechtbank
2.5.
Vaststaat dat [verzoekster] een vordering op [verweerster] heeft uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. Dit wordt door [verweerster] niet betwist. [verweerster] voert vervolgens aan dat de vordering is verrekend met een vordering van [verweerster] op [verzoekster] , op grond van een factuur van 19 februari 2026. [verzoekster] betwist dit. Zij verwijst daarbij naar een e-mailwisseling van september 2025 en naar de aanvullende vaststellingsovereenkomst van 29 december 2025. Daaruit volgt dat betaling voor werkzaamheden in het project “ [project 1] ” zou plaatsvinden door verrekening met een hogere, nog openstaande schuld in verband met project “ [project 2] ”. De heer [A] is daarmee akkoord gegaan, kennelijk ook namens [verweerster] . Het is gelet op die afspraak niet aannemelijk dat [verweerster] dan toch een factuur kan sturen. Daarbij komt dat uit overgelegde WhatsApp-berichten blijkt dat de heer [A] op 6 maart 2026 erkent dat voor project “ [project 1] ” nog geen werkzaamheden zijn verricht. Het had gelet daarop op de weg van [verweerster] gelegen om duidelijk te maken waarom onder dergelijke omstandigheden wel een vordering op [verzoekster] zou zijn ontstaan. Dit zou bijvoorbeeld uit een schriftelijke overeenkomst kunnen volgen. Dit heeft zij niet gedaan, zodat niet aannemelijk is dat [verweerster] een vordering op [verzoekster] heeft die zij met haar schuld kan verrekenen.
2.6.
Over de steunvordering van [onderneming] overweegt de rechtbank het volgende. Tijdens de zitting heeft de heer [A] e-mailcorrespondentie overgelegd tussen [onderneming] en de heer [C] . Uit die overgelegde e-mailwisseling volgt dat de vordering van [onderneming] is gecedeerd aan de heer [C] . Daarmee bestaat de vordering echter nog steeds. Of [onderneming] dan wel de heer [C] niet wil dat de vordering als steunvordering wordt gebruikt in onderhavige procedure, is niet relevant. Waar het om gaat is dat [verweerster] nog steeds een schuld heeft in verband met de geldlening die zij van [onderneming] heeft ontvangen.
2.7.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [verweerster] meerdere schuldeisers onbetaald laat en dat zij niet binnen afzienbare termijn in staat zal zijn om de vorderingen alsnog te voldoen. Immers, daarvoor is [verweerster] al voldoende in de gelegenheid gesteld. [verweerster] verkeert daardoor in de toestand te hebben opgehouden te betalen. Het verzoek zal met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 1, 2, 4, 6, en 14 Fw worden toegewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V.,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd gemeente [gemeente] ,
vestigingsadres: [postcode] [plaats 2] , [adres 2] ,
in staat van faillissement,
3.2.
benoemt tot rechter-commissaris mr. P.J. Neijt, lid van deze rechtbank, en stelt aan tot curator mr. M.A. van der Hoeven, advocaat te Utrecht, telefoonnummer [telefoonnummer] ,
3.3.
geeft de curator last tot het openen van de aan gefailleerde gerichte brieven.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Konings en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 te 10:33 uur.