ECLI:NL:RBMNE:2026:207
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering VOG-aanvraag voor werk in Canada
Verzoeker heeft een VOG aangevraagd om in Canada als vrachtwagenchauffeur te kunnen werken. De staatssecretaris heeft deze aanvraag op 3 oktober 2025 afgewezen vanwege ernstige justitiële antecedenten, waaronder veroordelingen voor mensenhandel en prostitutie van minderjarigen en een recente verdenking van huiselijk geweld en onttrekking aan het gezag.
Verzoeker maakte bezwaar tegen de afwijzing en vroeg om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de financiële nood van verzoeker, die weinig inkomen heeft en aanzienlijke schulden.
De beoordeling van de VOG-aanvraag bestaat uit een objectief criterium (risico’s voor de samenleving) en een subjectief criterium (afweging belangen aanvrager en samenleving). De rechter achtte het objectieve criterium vervuld vanwege de ernst en aard van de feiten uit 2005, 2006 en 2025. Het subjectieve criterium was onvoldoende gemotiveerd, maar kon worden hersteld.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het maatschappelijke belang zwaarder weegt dan de persoonlijke en financiële belangen van verzoeker. De voorzieningenrechter zag daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt afgewezen en het besluit blijft voorlopig in stand.