ECLI:NL:RBMNE:2026:208

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 23/6038
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, WooArt. 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, WooArt. 5.2, eerste lid, WooArt. 6:19 AwbArt. 8:29, zesde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen gedeeltelijke weigering openbaarmaking risicoscans UWV op grond van de Woo

De Nederlandse Omroep Stichting heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) informatie opgevraagd over risicoscans die het UWV gebruikt, waaronder kenmerken en wegingen van deze scans. Het UWV weigerde een deel van de informatie openbaar te maken met het oog op het belang van inspectie, controle en toezicht, en maakte slechts een deel van de documenten openbaar met weggelakte persoonsgegevens en beleidsopvattingen.

Na bezwaar en beroep heeft het UWV enkele documenten en kenmerken alsnog openbaar gemaakt, maar volgens de rechtbank was dit onvoldoende. De rechtbank oordeelt dat het UWV de kenmerken ‘aantal digitale aanvragen’, ‘export toekenning’ en ‘export verlopen tijdens uitkering’ in de betreffende documenten alsnog moet openbaar maken of moet motiveren waarom dit niet kan.

De rechtbank weegt het belang van effectieve controle en toezicht door het UWV zwaarder dan het belang van volledige openbaarmaking van alle kenmerken, mede vanwege het risico op strategisch gedrag en omzeiling van controles. De risicoscan verblijf buitenland, hoewel momenteel niet ingezet, kan in de toekomst weer worden gebruikt en de kenmerken worden ook buiten de scan ingezet.

De rechtbank wijst het beroep toe, vernietigt het bestreden besluit voor zover het gaat om de openbaarmaking van de drie genoemde kenmerken, en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens krijgt eiseres het griffierecht en proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen zes weken aanvullende openbaarmaking te verrichten of dit te motiveren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6038

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

Nederlandse Omroep Stichting, uit Hilversum, eiseres

(gemachtigde: mr. A.J. Tromp),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV)
(gemachtigde: mr. E. Klein Velderman).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek aan het UWV om op grond van de Wet open overheid (Woo) informatie openbaar te maken.
Eiseres heeft op 15 december 2022 een verzoek op grond van de Woo ingediend, waarbij zij vraagt om, kort weergegeven, informatie over alle risicoscans in ontwikkeling of in gebruik bij het UWV waaronder, maar niet beperkt tot, de risicoscans verblijf buitenland, verwijtbare werkloosheid en sollicitaties en de systeemscreening gezondheidsfraude.
Het UWV heeft met vijf deelbesluiten op dit verzoek beslist. Het UWV heeft meerdere documenten (deels) openbaar gemaakt en een aantal documenten integraal geweigerd omdat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen. [1] Ook zijn in alle deels openbaargemaakte documenten de persoonsgegevens weggelakt. [2] Enkele documenten zijn niet openbaargemaakt omdat deze (ook) persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. [3]
Met het besluit op bezwaar van 27 oktober 2023 (bestreden besluit I) maakt het UWV van twee documenten alsnog bepaalde passages openbaar. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit I en stelt beroep in.
Met het besluit van 2 mei 2024 (bestreden besluit II) herroept het UWV gedeeltelijk bestreden besluit I. Met dit besluit maakt het UWV wederom een aantal documenten (deels) openbaar. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op dit besluit.
Eiseres handhaaft haar gronden van beroep, omdat het bestreden besluit II niet aan al haar bezwaren tegemoetkomt.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
Met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb heeft de rechtbank van de ongelakte documenten kennisgenomen.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen van de kant van eiseres: [persoon 1] en [persoon 2] , werkzaam bij eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. [persoon 3] . Namens het UWV hebben de gemachtigde en mr. [persoon 4] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Het geschil in deze beroepszaak draait om de kenmerken die door het UWV worden gebruikt bij de risicoscans. Het UWV heeft een deel van die kenmerken en de weging daarvan in de risicoscans niet openbaar gemaakt. De rechtbank beoordeelt of het UWV met toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woo heeft mogen weigeren de gelakte informatie en de geheel geweigerde informatie openbaar te maken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Meer informatie openbaargemaakt door het UWV
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat het UWV met bestreden besluit II een extra document openbaar heeft gemaakt. Daarnaast heeft het UWV besloten om drie kenmerken die worden genoemd in de risicoscan verwijtbare werkloosheid en de risicoscan verblijf buiten Nederland openbaar te maken. Eiseres heeft na dit besluit haar beroep gehandhaafd. Met bestreden besluit II staat vast dat met bestreden besluit I te weinig informatie was geopenbaard en dat dit besluit alleen al om die reden gebrekkig is. De vraag is of het UWV met bestreden besluit II het gebrek voldoende heeft hersteld. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
4. De rechtbank heeft de ongelakte documenten ingezien en stelt vast dat de in bestreden besluit II genoemde kenmerken: ‘aantal digitale aanvragen’, ‘export toekenning’ en ‘export verlopen tijdens uitkering’ in ieder geval in meerdere documenten voorkomen. De rechtbank wijst daarbij onder andere naar document 18 en document 38. [4] Het UWV vindt dat zij voorgenoemde kenmerken openbaar heeft gemaakt door ze te noemen in bestreden besluit II en op te nemen in het Algoritmeregister. Volgens het UWV is het niet nodig om dezelfde kenmerken ook in de gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten openbaar te maken en daar een nieuwe gelakte versie van te maken. Dit volgt de rechtbank niet, omdat dat in dit geval niet in lijn is met de Woo. In het oorspronkelijke Woo-verzoek van eiseres is namelijk uitdrukkelijk gevraagd om kopieën van documenten die informatie over risicoscans bevatten. In dat geval moet in het kader van de Woo informatie openbaar worden gemaakt door een kopie of de letterlijke inhoud van de documenten te verstrekken. Pas als dat niet gevergd kan worden mag openbaar gemaakt worden door inlichtingen uit de documenten te verschaffen. [5] Het UWV heeft niet onderbouwd waarom het verstrekken van een nieuwe gelakte versie van de documenten redelijkerwijs niet gevergd kan worden, terwijl eiseres en ook eenieder daardoor informatie mist. Er zit naar het oordeel van de rechtbank namelijk een relevant verschil tussen beide vormen van openbaarmaking, omdat door het enkel noemen van de kenmerken in bestreden besluit II en/of het Algoritmeregister eiseres geen inzicht heeft welke documenten het betreft en waar in deze documenten de kenmerken staan. De rechtbank is van oordeel dat het UWV alsnog deze kenmerken in de betreffende documenten openbaar moet maken, waarbij de in bestreden besluit II genoemde kenmerken
nietworden weggelakt, dan wel nader moet motiveren waarom dit niet gevergd kan worden.
Weigeringsgrond artikel 5.1, tweede lid, onder d van de Woo
5. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of het UWV de overige (delen van) documenten kon weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d van de Woo. Op grond van dat artikel blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen (in dit geval het UWV). De rechtbank stelt vast dat tussen partijen geen discussie bestaat over de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo (het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen) door het UWV. De rechtbank zal deze weigeringsgronden daarom onbesproken laten.
6. Uit de besluitvorming van het UWV volgt dat het UWV zich op het standpunt stelt dat het niet meer openbaar kan maken over de kenmerken of de weging daarvan. De reden daarvoor is dat wanneer bekend wordt wat de variabelen/kenmerken zijn waarmee de risicoscans werken, dit tot gevolg heeft dat de risicoscans hun effectiviteit verliezen. Volgens het UWV is het zeer aannemelijk dat dit kan leiden tot calculerend gedrag bij mensen die bewust de regels proberen te overtreden. Openbaarmaking van de informatie kan dan ook de mogelijkheden vergroten voor kwaadwillende personen om de uitkomsten van het algoritme ongewenst te beïnvloeden (gaming the system). Het openbaar maken van de kenmerken heeft dus tot gevolg dat het UWV niet meer goed in staat is om effectief haar wettelijk vastgelegde controlerende en toezichthoudende taken te kunnen uitvoeren. Op de zitting heeft het UWV toegelicht dat die controlerende en toezichthoudende taken van groot belang zijn, omdat het gaat over de besteding van publieke middelen.
7. Eiseres is het daar niet mee eens en voert – kort samengevat – aan dat het UWV artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woo te breed heeft toegepast. Het UWV heeft niet alleen geweigerd om de methoden en technieken openbaar te maken, maar heeft ook geweigerd om openbaar te maken welke kenmerken überhaupt bij de controles betrokken worden. Ook is het onbekend hoe het UWV deze kenmerken inzet en weegt. Als het UWV alleen openbaar zou maken welke kenmerken het betreft, blijft nog steeds onbekend hoe die kenmerken worden ingezet en gewogen, waarmee de effectiviteit van de steekproefsystemen gewaarborgd blijft. Wie niet weet of een bepaald kenmerk als risicofactor wordt beschouwd of juist niet, en de individuele weging en onderlinge verhouding tussen de kenmerken niet kent, kan de controle niet omzeilen. Eiseres kan zich wel voorstellen dat er ook kenmerken zijn waarvan het bekend worden op zichzelf al kan leiden tot een simpele omzeiling. Daarom had het UWV bij een beroep op de weigeringsgrond dit per kenmerk moeten motiveren. Ook wijst eiseres erop dat het UWV de risicoscan verblijf buitenland niet langer inzet. Daarmee vervalt enig belang bij een beroep op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woo geheel, omdat deze risicoscan niet meer voor inspectie, toezicht en controle wordt gebruikt of gebruikt gaat worden. Eiseres vindt ook dat het belang van openbaarmaking in dit geval zwaarder weegt. Eiseres wijst op de belangrijke rol die is weggelegd voor de journalistiek. De journalistiek in het algemeen en eiseres specifiek heeft een waakhondfunctie, waarbij zij onder meer de overheid moet controleren en de democratische waarden moet beschermen.
8. De rechtbank is van oordeel, na kennisneming van de niet openbaar gemaakte documenten en de gelakte delen van de openbaar gemaakte documenten, dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd waarom zij de openbaarmaking van deze kenmerken heeft geweigerd. Hierbij is van belang dat elke informatie over de kenmerken, ook als de onderlinge verhouding en precieze weging ervan niet duidelijk is, een zekere mate van inzicht geeft in hoe het UWV fraude opspoort, zodat bij verstrekking ervan het belang van een effectieve controle op de verstrekking van uitkeringen door het UWV in het geding is. Het openbaar maken van de kenmerken zou strategisch gedrag kunnen uitlokken, waarbij mogelijk wordt getracht te achterhalen hoe kenmerken door het UWV precies worden gewogen. Dit is wellicht niet het geval bij elk kenmerk op zich, maar het gaat vooral om de combinatie van de kenmerken. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat het in dit geval gaat om een relatief klein aantal kenmerken. Bij openbaarmaking van kenmerken is het mogelijk voor individuen dan wel georganiseerde criminaliteit om met die kennis van die kenmerken de controle te omzeilen om zo onrechtmatig gebruik te maken van publieke middelen. Het UWV heeft afgewogen dat drie specifieke kenmerken wel openbaar gemaakt kunnen worden, omdat het risico op omzeiling van die kenmerken klein is of het juist wenselijk wordt geacht als mensen met dat kenmerk rekening houden. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het UWV besluiten om het openbaar maken van de resterende kenmerken achterwege te laten.
9. Dat het UWV de risicoscan verblijf b uitenland op dit moment niet inzet, maakt daarvoor geen verschil. Het UWV heeft toegelicht dat de risicoscan in de toekomst mogelijk in een aangepaste versie wel weer wordt ingezet. Bovendien staan de kenmerken die in die risicoscan zijn opgenomen niet op zichzelf, maar worden ze ook buiten de risicoscan ingezet door medewerkers van het UWV om mogelijk misbruik van of fraude met uitkeringen op te sporen. De rechtbank is van oordeel dat het UWV mocht besluiten dat openbaarmaking van de informatie over die risicoscan, ook al wordt die op dit moment niet ingezet, toch niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht.
10. De rechtbank volgt eiseres ook niet in de stelling dat openbaarmaking nu zwaarder weegt gelet op de rol van eiseres, eerdere misstanden en een (vermeend) gebrek aan toezicht op handhaving door Autoriteit Persoonsgegevens. Daarbij vindt de rechtbank het van belang dat het gaat om het bestrijden van mogelijk misbruik van publieke middelen. Dat heeft het UWV zwaarder mogen laten wegen. Bovendien heeft eiseres geen aanwijzingen genoemd waaruit volgt dat er nu ook sprake zou zijn van een misstand.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het UWV na het instellen van beroep door eiseres meer informatie openbaar heeft gemaakt. Ook is bestreden besluit II gebrekkig omdat het UWV de documenten waar de kenmerken ‘aantal digitale aanvragen’, ‘export toekenning’ en ‘export verlopen tijdens uitkering’ in voorkomen niet opnieuw (met deze kenmerken ongelakt) openbaar heeft gemaakt. Dat betekent dat het UWV dit alsnog moet doen, dan wel moet motiveren waarom dat in dit geval niet kan worden gevergd. Voor het overige hoeft het UWV niet meer openbaar te maken dan het al heeft gedaan.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres krijgt het griffierecht terug. Zij krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding wordt vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt bestreden besluit II, voor zover dit besluit ziet op de openbaarmaking van de drie kenmerken ‘aantal digitale aanvragen’, ‘export toekenning’ en ‘export verlopen tijdens uitkering’;
- draagt het UWV op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzitter, en mr. A.M. den Dulk en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woo.
2.Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
3.Artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
4.Nummering aangehouden zoals op de inventarislijst van de ongelakte documenten.
5.Zie artikel 2.4, derde lid, in combinatie met artikel 4.5, eerste lid, van de Woo.