Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2086

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/16/589536 / FL RK 25-233
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M.M. Janssen - Witteveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 lid 2 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en zorgregeling na wijziging inkomens en verzwegen inkomsten

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie en zorgregeling tussen gescheiden ouders met drie minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om verhoging van de kinderalimentatie en wijziging van de zorgregeling voor het oudste kind, terwijl de man verzocht om verlaging of nihilstelling van de alimentatie.

De rechtbank oordeelde dat de zorgregeling voor het oudste kind niet gewijzigd wordt, omdat de huidige regeling passend wordt uitgevoerd en het kind binnenkort meerderjarig wordt. De alimentatie werd herberekend op basis van gewijzigde inkomenssituaties van beide ouders, waarbij de man een WW-uitkering ontving en later weer in loondienst trad, en de vrouw haar werkuren uitbreidde.

De rechtbank concludeerde dat de man geen inkomsten uit zijn ondernemingen had verzwegen en dat de draagkrachtberekening gebaseerd werd op de werkelijke inkomens. De kinderalimentatie werd aangepast met verschillende bedragen per periode, rekening houdend met een zorgkorting en wettelijke indexering. De vrouw hoeft teveel ontvangen alimentatie niet terug te betalen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie op basis van gewijzigde inkomens en wijst het verzoek tot wijziging van de zorgregeling af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/589536 / FL RK 25-233
Omgang en kinderalimentatie
Beschikking van 17 april 2026
in de zaak van:
[de vrouw],
briefadres in [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. W.F. Wienen,
tegen
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. L.C. Griffioen-Wennekers.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft bij beschikking van 24 april 2025 partijen bevolen aan elkaar te verstrekken:
de man aan de vrouw:
- jaarcijfers 2024 van [bedrijf 1] B.V., dan wel (voorlopige) jaarcijfers 2024 van [bedrijf 1] B.V., geaccordeerd door de accountant van de man, althans van [bedrijf 1] B.V., indien er nog geen definitieve jaarcijfers zijn,
de vrouw aan de man:
  • de aanslagen IB over 2022, 2023 en 2024 voor zover opgelegd;
  • de toeslagen beschikking over 2022.
De beslissing over de wijzigingen van de kinderalimentatie en de zorgregeling over [minderjarige 1] is aangehouden in afwachting van een nader te bepalen zittingsdatum.
1.2
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het verweerschrift van de man (met producties 15 tot en met 17)) met daarin een zelfstandig verzoek (tegenverzoek), binnengekomen bij de rechtbank op 29 april 2025;
  • het bericht van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op 6 mei 2025;
  • het bericht van de man, binnengekomen bij de rechtbank op 20 mei 2025;
  • het bericht van 1 december 2025 (met producties 18 tot en met 21) van de man.
1.3
De hierna vermelde minderjarige [minderjarige 1] heeft op 3 december 2025 met de rechter gesproken over de verzoeken.
1.4
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
8 december 2025. Daarbij waren aanwezig: partijen met hun advocaat en [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.5
De rechter heeft beide partijen tijdens de mondelinge behandeling verzocht nadere financiële gegevens over te leggen en vervolgens schriftelijk te reageren op de overgelegde stukken van de wederpartij.
1.6
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van 15 december (met productie 22) van de man;
  • het bericht van 17 december (met producties 23 tot en met 30) van de man;
  • het bericht van 15 januari 2026 (met productie) van de vrouw;
  • het bericht van 27 januari 2026 (met producties 31 tot en met 33) van de man;
  • het bericht van 23 februari 2026 van de man;
  • het bericht van 24 februari 2026 (met productie 7) van de vrouw;
  • het bericht van 26 februari 2026 (met productie 34) van de man.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Zij hebben samen drie kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] .
De kinderen staan ingeschreven op het briefadres van de vrouw.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over de kinderen. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen moeten nemen.
2.4
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 februari 2024 beslist dat de man vanaf
1 september 2023 een bedrag van € 175,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Verder is in die beschikking bepaald dat de vaststellingsovereenkomst (en als bijlage 2: het ouderschapsplan) deel uitmaakt van die beschikking.
2.5
In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de man, naast kinderalimentatie, de sportgerelateerde kosten voor de kinderen zal voldoen, zoals de jaarlijkse sportcontributie, sportbenodigdheden en ongedekte ziektekosten voor sportlenzen en fysiotherapie als gevolg van sportblessures.
2.6
In het ouderschapsplan is de volgende zorgregeling opgenomen:
  • in week 1 zullen de kinderen op dinsdag, woensdag en vrijdag bij de man zijn en de rest van de week bij de vrouw;
  • in week 2 zullen de kinderen op dinsdag, woensdag, zaterdag en zondag bij de man zijn en de rest van de week bij de vrouw;
  • de vakantie- en feestdagen zullen in goed overleg, mogelijk samen met de kinderen, verdeeld worden waarbij het uitgangspunt is dat de structurele regeling zo veel als mogelijk doorloopt tenzij een van de ouders met de kinderen op vakantie wil gaan;
  • de kinderen worden in de gelegenheid gesteld aanwezig te zijn bij de verjaardag van hun ouders en bij de verjaardag van hun familie.
2.7
Na de wettelijke indexering (jaarlijkse verhoging) bedroeg de kinderalimentatie in 2025 € 186,38 per kind per maand en bedraagt de kinderalimentatie in 2026 € 194,95 per kind per maand.
2.8
Aan de rechtbank liggen de volgende verzoeken nog voor.
2.9
De vrouw verzoekt:
  • de kinderalimentatie te wijzigen en te bepalen dat de man vanaf 11 december 2024, althans met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift kinderalimentatie moet betalen van € 354,- per maand voor [minderjarige 1] en € 267,- per kind per maand voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , waarbij de kinderalimentatie voor het eerst per 1 januari 2026 zal worden geïndexeerd;
  • de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] te wijzigen, in die zin dat het [minderjarige 1] vrijstaat om naar de man te gaan wanneer zij dat wil.
2.1
De man verzoekt de kinderalimentatie te wijzigen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, door die op nihil te stellen, althans op een bedrag van € 25,- per kind per maand, onder de verplichting van de vrouw om door de man teveel betaalde kinderalimentatie aan de man terug te betalen.

3.De beoordeling

Zorgregeling
3.1
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw, om de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] te wijzigen, af. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
3.2
In het verzoekschrift van 26 februari 2025 stelt de moeder dat de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling voor [minderjarige 1] niet meer wordt uitgevoerd. Tijdens de zitting op 8 december 2025 is gebleken dat de zorgregeling toch ook voor [minderjarige 1] nog wordt uitgevoerd, met uitzondering van de dinsdagen. Op de dinsdagen is [minderjarige 1] bij de vrouw. [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek naar voren gebracht dat zij het fijn vindt om op dinsdag alleen (zonder haar broertje en zusje) bij haar moeder te zijn. De vrouw heeft tijdens de zitting op 8 december 2025 te kennen gegeven dat zij het in het belang van [minderjarige 1] vindt dat de zorgregeling wordt gewijzigd in de regeling zoals die op dat moment feitelijk plaatsvindt. De man heeft tijdens die zitting gesteld dat hij het in het belang van [minderjarige 1] vindt dat de regeling niet wordt gewijzigd, omdat dan voor alle drie de kinderen dezelfde regeling blijft gelden en [minderjarige 1] ook op dinsdag bij de man kan verblijven als zij dat wil. Vervolgens is in de verklaring van de man van 25 februari 2026 (productie 34) vermeld dat [minderjarige 1] op dat moment liever bij de man dan bij de vrouw is en dat de vrouw te kennen heeft gegeven dat het mogelijk verstandiger is dat [minderjarige 1] (tijdelijk) meer bij de man verblijft als [minderjarige 1] dat wil.
3.3
Gelet op de hiervoor vermelde wijzigende standpunten en situaties, de omstandigheid dat het partijen en [minderjarige 1] kennelijk lukt om de zorgregeling op een voor [minderjarige 1] passende wijze vorm te geven én het feit dat [minderjarige 1] in mei achttien jaar wordt, ziet de rechtbank geen reden om de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] , zoals die is opgenomen in het ouderschapsplan, te wijzigen.
Kinderalimentatie
Overgelegde stukken na de beschikking van 24 april 2025
3.4
De man heeft in navolging van het in de beschikking van 24 april 2025 aan hem opgelegde bevel concept jaarstukken over 2024 betreffende [bedrijf 1] B.V. overgelegd.
3.5
De vrouw heeft wat betreft de toeslagen beschikking over 2022 die de vrouw aan de man moet verstrekken de rechtbank bericht dat in 2022 geen toeslagen werden ontvangen. De vrouw heeft verder de rechtbank bericht dat zij vóór de beschikking van 24 april 2025 de aangiften IB over 2022 tot en met 2024 heeft overgelegd. Niet is gebleken dat zij de aanslagen over die jaren aan de man heeft verstrekt, waartoe in de beschikking van 24 april 2025 aan haar een bevel is gegeven, en ook niet dat zij heeft uitgelegd waarom zij dit niet heeft gedaan.
Overgelegde stukken na de zitting van 8 december 2025
3.6
De rechtbank heeft de man verzocht jaarcijfers over 2024 van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. over te leggen en de vrouw verzocht haar salarisspecificatie over december 2025 over te leggen. Beide partijen hebben hieraan voldaan. De man heeft daarnaast ook de jaarrekeningen over 2025 van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. overgelegd. Daarnaast heeft hij de kollommenbalans over het eerste half jaar van 2025 en de grootboekkaarten rekening-courant van [bedrijf 1] B.V. over 2022 tot en met 2025 en de eerste heft van 2025 overgelegd.
Conclusie
3.7
De rechtbank beslist dat de man aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen:
  • een bedrag van € 67,- per kind per maand over de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025
  • een bedrag van € 207,- per kind per maand over de periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025;
  • een bedrag van € 165,- per kind per maand over de periode van 1 december 2025 tot 1 januari 2026;
  • een bedrag van € 172,59 per kind per maand vanaf 1 januari 2026.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van de ouders, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De reden voor de wijziging
3.8
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [1] Daarvan is hier sprake want de inkomens van beide partijen zijn gewijzigd.
De rechtbank zal hierna beoordelen of er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt.
De ingangsdatum
3.9
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden. De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. [2] Een aantal data liggen als ingangsdatum voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist.
3.1
De vrouw verzoekt de alimentatie te verhogen met ingang van 11 december 2024 of per de datum van haar verzoek (binnengekomen bij de rechtbank op 27 februari 2025). De man verzoekt de alimentatie op nihil te stellen of te verlagen per de datum waarop de vrouw haar verzoek heeft ingediend of een andere door de rechtbank te bepalen datum.
3.11
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum waarop het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man is ingediend, te weten 29 april 2025. Uit de hierna vermelde berekeningen volgt namelijk dat de kinderalimentatie (op een paar maanden na) wordt verlaagd. De rechtbank vindt het dan ook redelijk de ingangsdatum te bepalen op 29 april 2025 omdat toen door de man om een verlaging is verzocht.
De behoefte van de kinderen
3.12
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
3.13
In de vaststellingsovereenkomst van 2023 is opgenomen dat partijen de behoefte van de kinderen stellen op in totaal € 1.142,- per maand. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen reden om van een andere behoefte uit te gaan. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) bedroeg de behoefte in 2025 in totaal € 1.291,63, dus afgerond € 431,- per kind per maand.
De draagkracht van de ouders
3.14
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien. [3]
3.15
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
3.16
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 was dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
De draagkracht van de man
3.17
De voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 248,- per maand in de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025 en op € 1.138,- per maand vanaf 1 juni 2025. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.18
Uit de stukken blijkt het volgende. In februari 2022 is de man de onderneming [bedrijf 1] B.V. gestart. Hij is enig aandeelhouder. De onderneming bestaat uit een webshop voor sportartikelen. Vervolgens heeft de man in september 2022 [bedrijf 2] B.V. opgericht. De man heeft tot 1 november 2024 in loondienst (tijdelijk contract) gewerkt bij [bedrijf 3] in Amsterdam. Vanaf 1 november 2024 tot 1 juni 2025 heeft hij een WW-uitkering ontvangen. Per 1 juni 2025 is de man in loondienst getreden bij [bedrijf 4] B.V. op basis van een tijdelijk contract tot 1 juni 2026. In de verklaring van 25 februari 2026 (productie 34) stelt de man dat hij zijn baan recent is kwijtgeraakt als gevolg van loonbeslagen.
3.19
De vrouw gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van een bruto jaarsalaris van € 75.000,- uit de onderneming van de man.
3.2
Volgens de man heeft hij nooit inkomen uit de onderneming genoten, omdat de onderneming alleen maar verliesgevend is geweest.
3.21
De vrouw stelt dat de man inkomsten verzwijgt en voert hierbij het volgende aan.
De man heeft vanaf september 2022 tot en met eind 2025 een bedrag van € 229.553,21 aan [bedrijf 1] B.V. geleend en niet duidelijk is waar dat geld vandaan komt. Als voorbeeld noemt de vrouw het jaar 2025 waarin het verlies van [bedrijf 1] B.V. € 46.850,- bedroeg en de man een bedrag van € 21.232,- aan [bedrijf 1] B.V. heeft geleend. In totaal was in 2025 dus een bedrag van € 68.082,- niet gedekt door omzet van de onderneming, zodat dat bedrag volledig door de man is gefinancierd. Hierbij is van belang dat het jaarinkomen van de man (WW-uitkering en inkomen uit loondienst) in 2025 € 40.862,47 bedroeg. Volgens de vrouw is het heel goed mogelijk dat de man in het buitenland ook zijn kledingcollectie verkoopt via bijvoorbeeld een niet in Nederland ingeschreven vennootschap. Daarnaast heeft de man verzwegen dat hij “ [functie] ” is bij [bedrijf 5] . Verder is de man van plan dit jaar met de kinderen naar Miami op vakantie te gaan en onduidelijk is van welk geld hij dit gaat betalen. Gelet op de hiervoor genoemde stellingen, vindt de vrouw dat haar verzoek over de kinderalimentatie moet worden toegewezen. Verder stelt de vrouw dat de overgelegde cijfers van de ondernemingen niet zijn gecontroleerd door een accountant. Opmerkelijk is volgens de vrouw dat er geen sprake is van omzet, maar wel van hoge kosten en een rekening-courantschuld waaruit blijkt dat de man geld uit de ondernemingen heeft gehaald. Volgens de vrouw is de rekening-courantschuld in het eerste kwartaal van 2025 met een bedrag van € 33.000,- toegenomen. Dit moet bij de berekening van de draagkracht van de man worden meegenomen als inkomen.
3.22
Als reactie op de stellingen van de vrouw heeft de man het volgende naar voren gebracht. Hij betwist dat hij inkomsten verzwijgt. Hij heeft in 2025 gelden ontvangen als gevolg van de verkoop van een woning en een lening van zijn partner. De rol bij [bedrijf 5] is volledig onbezoldigd. Volgens de man is de rekening-courantschuld in 2025 maar met een bedrag van € 3.000,- gestegen. Er is geen sprake van winst vanuit de ondernemingen en ook niet van enige liquiditeit.
3.23
De rechtbank overweegt over de ondernemingen als volgt. Volgens de jaarrekeningen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. zijn de ondernemingen verliesgevend. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met inkomen uit de ondernemingen gelet op de rekening-courantschuld van de onderneming aan de man. Uit de jaarrekeningen blijkt dat de man gelden uit de B.V. heeft gehaald: in 2025 een bedrag van € 21.232,-. De man heeft dus een schuld aan zijn onderneming(en). Gelet op de liquiditeit van de ondernemingen is het niet mogelijk deze schuld te verrekenen met bijvoorbeeld een dividenduitkering aan de man vanuit (één van) de ondernemingen. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk om uit te gaan van een inkomen uit de ondernemingen.
3.24
In de stellingen van de vrouw ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de man inkomsten verzwijgt. De man heeft uitgelegd dat hij in 2025 over financiële middelen beschikte door de verkoop van een woning en het aangaan van een lening.
3.25
Niet is gebleken dat de man kleding in het buitenland verkoopt. De enkele stelling van de vrouw dat dat mogelijk is, is onvoldoende om hiervan uit te gaan.
3.26
Wat betreft de functie van de man bij [bedrijf 5] heeft de man onbetwist gesteld dat aan die functie geen inkomsten zijn gekoppeld, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van die steling.
3.27
Voor de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025 gaat de rechtbank uit van de WW-uitkering die de man ontving. Uit de overgelegde betaalspecificaties blijkt dat de WW-uitkering € 4.097,64 bruto per maand bedroeg. Dit moet worden vermeerderd met 8 % vakantietoeslag. Het netto besteedbaar inkomen bedroeg dan € 2.938,- per maand. [4] Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 had de man in de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025 een draagkracht van (70% [2.938 – (0,3 x 2.938 + 1.310)]=)
€ 523,- per maand.
3.28
Vanaf 1 juni 2025 gaat de rechtbank uit van de overgelegde loonstroken van september tot en met november 2025. Hierop is een bruto loon vermeld van € 6.500,- per maand en een pensioenpremie van € 219,22 per maand. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vrouw heeft in haar berekeningen bij beide partijen rekening gehouden met deze korting gelet op de co-ouderschapsregeling en de rechtbank ziet geen reden om de vrouw hierin niet te volgen. Uit de loonstroken blijkt niet dat de man een bonus, eindejaarsuitkering of andere extra inkomsten ontvangt. Volgens de man zou hij een bonus ontvangen als zijn contract wordt verlengd, maar is zijn contract eerder beëindigd. De rechtbank ziet dan ook geen reden om ervan uit gaan dat de man andere inkomsten heeft ontvangen naast zijn bruto loon en een vakantietoeslag. Omdat niet bekend is hoe de inkomenssituatie van de man er nu uitziet, kan de rechtbank de draagkracht van de man, als nodig, niet aanpassen aan de huidige feitelijke situatie. Uitgaande van het hiervoor vermelde bedraagt het netto besteedbaar inkomen vanaf 1 juni 2025 € 4.756,- per maand. [5] Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 had de man vanaf 1 juni 2025 een draagkracht van (70% [4.756 – (0,3 x 4.756 + 1.310)]=) € 1.413,- per maand.
3.29
Partijen zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de man naast het betalen van kinderalimentatie aan de vrouw de sportgerelateerde kosten voor de kinderen zal voldoen. Geen van beide partijen verzoekt deze afspraak te wijzigen zodat de rechtbank, ondanks de te wijzigen kinderalimentatie, ervan uitgaat dat deze afspraak blijft gelden. Volgens de man bedragen de sportgerelateerde kosten € 3.300,- per jaar en heeft hij deze kosten voor zijn rekening genomen. De vrouw heeft in haar verzoekschrift weliswaar aangevoerd dat de man weigert de kosten voor sportlenzen voor [minderjarige 1] te voldoen, maar zij heeft vervolgens niets aangevoerd tegen de hiervoor vermelde stelling van de man dat hij steeds heeft betaald. De rechtbank vindt dan ook dat de vrouw onvoldoende verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de man en zal de man volgen. De rechtbank gaat dan ook uit van een maandelijks bedrag van € 275,- aan sportgerelateerde kosten. Niet gesteld of gebleken is dat de sportgerelateerde kosten in de tussen partijen overeengekomen behoefte van de kinderen is inbegrepen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen samen in de tussen hen overeengekomen behoefte van de kinderen moeten voorzien, naast de sportgerelateerde kosten van de kinderen die de man voldoet. De rechtbank verminderd dan ook de draagkracht van de man met deze kosten, zodat in de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025 een bedrag van (523 -/- 275 =) € 248,- per maand resteert voor het betalen van kinderalimentatie en vanaf 1 juni 2025 een bedrag van (1.413 -/- 275 =) € 1.138,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
3.3
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank in de periode van 29 april 2025 tot 1 december 2025 op € 233,- per maand en vanaf 1 december 2025 op € 416,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.31
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij sinds medio november 2025 meer uren is gaan werken (22 uur per week). Uit de overgelegde salarisspecificaties van februari en maart 2025 blijkt dat zij in die maanden 18 uur per week werkte. Om doelmatigheidsredenen gaat de rechtbank ervan uit dat het inkomen van de vrouw vanaf 1 december 2025 is verhoogd, zodat de rechtbank een berekening van de draagkracht van de vrouw over de periode van 29 april 2025 tot 1 december 2025 heeft gemaakt en een berekening vanaf 1 december 2025.
3.32
Voor de periode van 29 april 2025 tot 1 december 2025 gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties over februari en maart 2025 waarin een bruto salaris is vermeld van
€ 1.228,- per maand. Rekening wordt gehouden met de premies en de vakantietoeslag van
8 %. Blijkens de salarisspecificatie over december 2025 ontvangt de vrouw een eindejaarsuitkering van 5,5%. De rechtbank gaat uit van een eindejaarsuitkering van 5,5 % over het jaarinkomen gebaseerd op het inkomen in de maanden februari en maart 2025. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.347,- per maand. [6] Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 had de vrouw in de periode van 29 april 2025 tot 1 december 2025 een draagkracht van (70% [2.347 – (0,3 x 2.347 + 1.310)]=) € 233,- per maand.
3.33
Vanaf 1 december 2025 gaat de rechtbank uit van de salarisspecificatie over december 2025. Rekening wordt gehouden met de premies en de vakantietoeslag van
8 %. De rechtbank gaat uit van een eindejaarsuitkering van 5,5 % over het jaarinkomen gebaseerd op een inkomen in december 2025. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.720,- per maand. [7] Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 had de vrouw in december 2025 een draagkracht van (70% [2.720 – (0,3 x 2.720 + 1.310)]=) € 416,- per maand.
3.34
De man stelt dat de vrouw in staat is meer uren te werken, zodat zij een grote bijdrage kan leveren in de kosten van de kinderen. Hij vindt daarom dat wat betreft de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van een 40-urige werkweek of dat bij de berekening van de door de man te betalen kinderalimentatie rekening moet worden gehouden met de volledige zorgkorting van 35%. De rechtbank zal de beslissing over de vraag of het redelijk is om van de vrouw te verwachten dat zij haar uren verder uitbreidt achterwege laten, omdat zoals hierna wordt overwogen de zorgkorting van 35% volledig wordt toegepast met uitzondering van de korte periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025.
3.35
Verder gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw zwarte inkomsten heeft, omdat de man deze stelling niet heeft onderbouwd.
De verdeling van de kosten
3.36
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
-
Periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025
3.37
De ouders hebben in de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025 samen een draagkracht van (248 + 233 =) € 481,- per maand. Dit is niet genoeg om alle kosten van de kinderen te kunnen betalen, want die zijn in totaal afgerond € 1.292,- per maand. De ouders komen dus samen een bedrag van € 811,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 248,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
- Periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025
3.38
De ouders hebben in de periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025 samen een draagkracht van (1.138 + 233 =) € 1.371,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen van in totaal € 1.292,- per maand te betalen. Dit betekent dat de man een deel van (1.138 / 1.371 x 1.292 =) € 1.072,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van
(233 / 1.371 x 1.292 =) € 219,- per maand.
- Vanaf 1 december 2025
3.39
De ouders hebben in de periode van 1 december 2025 samen een draagkracht van (1.138 + 416 =) € 1.554,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen van in totaal € 1.292,- per maand te betalen. Dit betekent dat de man een deel van (1.138 / 1.554 x 1.292 =) € 946,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (416 / 1.554 x 1.292 =)
€ 346,- per maand.
De zorgkorting
3.4
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man deels aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de man verlagen met een percentage van de behoefte van de kinderen of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
3.41
De kinderen verblijven op basis van de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling de helft van de tijd bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 35% van de behoefte van in totaal € 1.292,- per maand, dus afgerond € 452,- per maand.
-
Periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025
3.42
In de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025 hebben partijen samen onvoldoende draagkracht om volledig in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien. Het zou dan niet eerlijk zijn als de man de zorgkorting volledig mag toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort van € 811,- per maand draagt, dus een bedrag van afgerond € 406,- per maand. Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van (452 -/- 406 =) € 46,- per maand in mindering brengt op de draagkracht van de man. Er blijft dan een bedrag over van (248 -/- 46 =) € 202,- per maand, dus afgerond € 67,- per kind per maand, dat de man aan kinderalimentatie moet betalen over de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025.
-
Periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025
3.43
In de periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025 hebben partijen samen voldoende draagkracht om in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien, zodat de zorgkorting volledig in mindering op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen kan worden gebracht.
Dat betekent dat de man een bedrag van (1.072 -/- 452 =) € 620,- per maand, dus afgerond
€ 207,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen over de periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025.
- Vanaf 1 december 2025
3.44
Vanaf 1 december 2025 hebben partijen samen ook voldoende draagkracht om in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien, zodat de zorgkorting vanaf die datum ook volledig in mindering op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen kan worden gebracht.
Dat betekent dat de man een bedrag van (946 -/- 452 =) € 494,- per maand, dus afgerond
€ 165,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen vanaf 1 december 2025.
Indexering
3.45
Omdat de wijziging van de door de man te betalen kinderalimentatie ingaat op een datum vóór 1 januari 2026, verhoogt de rechtbank het bedrag van € 165,- per kind dat de man over de periode van 1 december 2025 tot 1 januari 2026 moet betalen, per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4,6%. De kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 172,59 per kind per maand.
Alimentatie terugbetalen
3.46
De rechtbank komt, met uitzonding van de periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025, uit op een lager bedrag aan kinderalimentatie dan eerder was vastgesteld.
3.47
De rechtbank wijst het verzoek van de man om de vrouw te verplichten de door hem te veel betaalde kinderalimentatie terug te betalen af. De rechtbank beslist ambtshalve dat de vrouw de eventueel te veel ontvangen kinderalimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen. De rechtbank neemt deze beslissingen om de volgende redenen.
3.48
Vast staat dat de vrouw het LBIO heeft ingeschakeld om de kinderalimentatie te innen. Volgens de vrouw voldoet de man de kinderalimentatie sinds begin 2025 niet regelmatig/volledig. Niet duidelijk is hoeveel kinderalimentatie de man vanaf 1 juni 2025 heeft betaald (middels inning door het LBIO) en dus ook niet of er te veel is betaald.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.49
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
3.5
De vrouw verzoekt een beslissing te nemen over de proceskosten. De rechtbank bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt zoals dit gebruikelijk is in familiezaken.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die is vastgesteld in de beschikking van 1 februari 2024 van deze rechtbank, en bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op:
  • een bedrag van € 67,- per kind per maand over de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025;
  • een bedrag van € 207,- per kind per maand over de periode van 1 juni 2025 tot 1 december 2025;
  • een bedrag van € 165,- per kind per maand over de periode van 1 december 2025 tot 1 januari 2026;
  • een bedrag van € 172,59 per kind per maand vanaf 1 januari 2026;
4.2
bepaalt dat de vrouw de eventueel als gevolg van deze beschikking teveel ontvangen kinderalimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen;
4.3
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen;
4.5
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.M. Janssen - Witteveen, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: draagkracht van de man in de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025
Bijlage 2: draagkracht van de man vanaf 1 juni 2025
Bijlage 3: draagkracht van de vrouw in de periode van 29 april 2025 tot 1 december 2025
Bijlage 4: draagkracht van de vrouw vanaf december 2025

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 1:397 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
4.Bijlage 1: draagkracht van de man in de periode van 29 april 2025 tot 1 juni 2025.
5.Bijlage 2: draagkracht van de man vanaf 1 juni 2025.
6.Bijlage 3: draagkracht van de vrouw in de periode van 29 april 2025 tot 1 december 2025.
7.Bijlage 4: draagkracht van de vrouw vanaf december 2025.