Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2098

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/1251
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 WooArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek door Ministerie van Defensie

Eiser heeft op 14 november 2025 een verzoek om informatie ingediend bij het Ministerie van Defensie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken een besluit genomen. Eiser heeft verweerder op 20 januari 2026 in gebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder besluit.

De rechtbank oordeelt dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. Verweerder voerde beperkte capaciteit en een ander Woo-verzoek over een andere periode aan, maar dit leidt niet tot verlenging van de beslistermijn. De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat verweerder te laat is.

Het beroep wordt kennelijk gegrond verklaard, waardoor het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd. Verweerder wordt tevens opgedragen het betaalde griffierecht van €200 aan eiser te vergoeden. Er worden geen overige proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt op binnen twee weken alsnog te beslissen met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1251

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

De Ministerie van Defensie, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 8 februari 2026 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van 14 november 2025.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het Woo-verzoek is verstreken. Eiser heeft op 14 november 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op
20 januari 2026 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het Woo-verzoek, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder heeft aangevoerd dat er een beperkte capaciteit is om Woo-verzoeken te behandelen en dat er een ander verzoek, ook van eiser en over hetzelfde onderwerp, maar over een andere periode, eerst afgehandeld moet worden. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om verweerder een langere beslistermijn toe te kennen, vooral nu het onderhavige verzoek lijkt te zien op een vrij korte periode en dus een relatief beperkt aantal documenten. De rechtbank draagt verweerder op om uiterlijk binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het verzoek van eiser.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De griffier is buiten staat
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).