Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2118

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
16218504-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en oplegging TBS met voorwaarden na vernielingen, bedreiging en poging zware mishandeling

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen van ruiten en een voordeur, het bedreigen van bewoners met een mes, en een poging tot zware mishandeling door een medegedetineerde met een scherp voorwerp te slaan en steken.

De rechtbank verklaart het primair ten laste gelegde feit van zware mishandeling niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Het subsidiair ten laste gelegde feit van poging zware mishandeling wordt wel bewezen verklaard. De vernielingen en bedreiging zijn eveneens bewezen.

Psychiatrisch en psychologisch onderzoek tonen aan dat de verdachte leed aan een matige verstandelijke beperking, cannabisverslaving en een psychotische stoornis met auditieve hallucinaties en wanen, waardoor hij volledig ontoerekeningsvatbaar is. De rechtbank ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Gezien de ernst van de feiten, het hoge recidivegevaar en de noodzaak tot behandeling, legt de rechtbank een TBS-maatregel met voorwaarden op, inclusief een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking. De voorlopige hechtenis wordt geschorst bij opname in een kliniek.

De rechtbank wijst schadevergoedingen toe aan de benadeelden voor materiële en immateriële schade, legt het in beslag genomen mes verbeurd en wijst vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen af.

Uitkomst: Verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard, vrijgesproken van zware mishandeling, TBS met voorwaarden opgelegd en schadevergoedingen toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/218504-25; 08/147441-23 (vord. tul); 16/161384-22 (vord. tul); 16/275693-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in [verblijfplaats] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S. de Korte (hierna: de advocaat);
  • de officier van justitie: mr. F.A.M. Bouwhuis;
  • de benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , bijgestaan door [A] van Slachtofferhulp Nederland.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16-218504-25
Feit 1
in de periode van 13 mei 2025 tot en met 11 juli 2025 in Woudenberg meerdere ruiten, een voordeur en/of glaslatten van [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of Omnia Wonen heeft vernield;
Feit 2
op 11 juli 2025 in Woudenberg [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd door met een mes voor de deur te staan, tegen de voordeur te trappen en een steen tegen de ruit van de woning/deur te gooien;
16-275693-25
Primair:op 2 augustus 2025 in Lelystad aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem meerdere malen met een scherp voorwerp op zijn achterhoofd te slaan en/of steken;
Subsidiairis dit ten laste gelegd als poging zware mishandeling;
Meer subsidiairis dit ten laste gelegd als mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
16-218504-25
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, te weten de vernielingen en de bedreiging, heeft gepleegd.
16-275693-25
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, te weten de poging zware mishandeling, heeft gepleegd.
Het primair ten laste gelegde feit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, omdat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
3.2.
Standpunt van de verdediging
16-218504-25
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
16-275693-25
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit, omdat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Volgens de advocaat kan het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de poging zware mishandeling, wel bewezen worden.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen 16-218504-25
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2, namelijk de vernielingen en bedreiging heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- De verklaring van de verdachte op de zitting van 8 april 2026;
- De aangifte van [benadeelde 2] van 15 mei 2025; [2]
- De aangifte van [benadeelde 2] van 25 juni 2025; [3]
- De aangifte van [benadeelde 2] van 11 juli 2025; [4]
- Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 1] ; [5]
- Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning. [6]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.2.
Vrijspraak primair ten laste gelegde 16-275693-25
De rechtbank sluit zich aan bij de officier van justitie en de advocaat in het oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt. Om die reden zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit, te weten zware mishandeling.
3.3.3.
Bewijsmiddelen subsidiair ten laste gelegde 16-275693-25
De verdachte bekent dat hij het subsidiair ten laste gelegde feit, namelijk de poging zware mishandeling heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [7]
- De verklaring van de verdachte op de zitting van 8 april 2026;
- De aangifte van [slachtoffer] van 12 augustus 2025. [8]
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16-218504-25
1
in de periode van 13 mei 2025 tot en met 11 juli 2025 te
Woudenberg opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, een
voordeur en een glaslat, die geheel of ten
dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] en [benadeelde 1]
of aan Omnia Wonen, toebehoorden, heeft vernield;
2
op 11 juli 2025 te Woudenberg
[benadeelde 2] en [benadeelde 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
door met een mes voor de deur te staan, tegen die voordeur te trappen
en een steen tegen de ruit van de woning/deur te gooien;
16-275693-25
op 2 augustus 2025 te Lelystad
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer] meerdere malen met een scherp voorwerp op zijn achterhoofd
heeft geslagen en gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
4.2.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16-218504-25
Feit 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;
Feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
16-275693-25
Subsidiair:
poging zware mishandeling.
4.3.
Strafbaarheid van de verdachte
4.3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie sluit zich aan bij de conclusie van de deskundigen om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
4.3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank het advies van de deskundigen over te nemen en de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.
4.3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia-rapport met daarin het psychiatrisch onderzoek van 24 december 2025 opgesteld door psychiater C.M. Gouverneur en het psychologisch onderzoek van 18 december 2025, opgesteld door psycholoog F.M. Vuister.
Uit het onderzoeksrapport van de psychiater blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een matig verstandelijke beperking, een cannabisverslaving en een (vooralsnog) ongespecificeerde psychotische stoornis, met aanhoudende auditieve hallucinaties en een waansysteem. Daarnaast zijn er kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis aanwezig. Al deze stoornissen waren aanwezig en actief ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De gedragingen van de verdachte werden gestuurd door een waansysteem: hij geloofde dat het gezin uit Woudenberg hem bedreigde en uitschold via speakers die zij in zijn woning zouden hebben geplaatst (auditieve hallucinaties). Vanuit zijn verstandelijke beperking kon de verdachte daar slechts inadequate oplossingen voor bedenken, zoals het ingooien van de ramen van de slachtoffers in de hoop dat zij daardoor zouden stoppen met slecht over hem praten. Toen de verdachte werd ingesloten, namen zijn frustratie en boosheid verder toe, in combinatie met ontwenningsverschijnselen door het plotseling stoppen met cannabisgebruik. Deze ontwenningsverschijnselen uitten zich in toegenomen prikkelbaarheid, rusteloosheid, verhoogde spanning en een verergering van de psychotische symptomen door het wegvallen van de dempende werking van cannabis. Dit leidde bij de verdachte tot een toename van imperatieve hallucinaties, die hem aanzetten tot zowel zelfbeschadiging als het aanvallen van een ander persoon. De psychiater concludeert dat de realiteitstoetsing ten tijde van de feiten volledig verstoord was door de aanwezige psychotische symptomen. Het vermogen van de verdachte om zijn gedrag te sturen of te remmen was vrijwel afwezig. Gelet op de zeer grote invloed van de psychotische symptomen op het handelen van de verdachte bij alle ten laste gelegde feiten en de bovengenoemde beperkingen is het advies om de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.
De psycholoog stelt in haar rapport vast dat sprake is van een door middelen veroorzaakte psychotische stoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis, een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Als gevolg van de psychotische stoornis stond de verdachte ten tijde van het eerste en tweede tenlastegelegde feit niet in de realiteit. Wel had hij in de aanloop daarnaartoe nog in kunnen schatten dat hij steeds meer in de problemen raakte en had hij aangeboden hulpverlening kunnen accepteren, maar zijn vermogen daartoe nam af naarmate de psychotische stoornis zich verdiepte. Daarbij speelden ook een rol de antisociale persoonlijkheidsstoornis, die hem stuurde naar het impulsief overschrijden van de grenzen van derden, en de verstandelijke ontwikkelingsstoornis, die de verdachte verhindert
zaken op een rationele en oorzaak/gevolg-wijze in te schatten. Ten tijde van het derde tenlastegelegde feit was de verdachte nog steeds aantoonbaar psychotisch. Mogelijk was ten tijde van dit tenlastegelegde feit ook sprake van ontwenningsverschijnselen van het cannabisgebruik van betrokkene. Aldus hinderden de stoornissen, ieder op hun eigen wijze, de verdachte bij het maken van adequate keuzes en beperkten zij hem deels in zijn wilsvrijheid. De gediagnosticeerde stoornissen bepaalden beide gewelddelicten in aanzienlijke mate.
De psycholoog adviseert, net zoals de psychiater, om deze feiten in hun geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.
Oordeel rechtbank
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen stelt de rechtbank vast dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten leed aan meerdere stoornissen, waaronder een psychotische stoornis. Deze stoornissen, in combinatie met zijn verstandelijke beperking, hadden een ingrijpende en allesbepalende invloed op zijn gedragskeuzes en gedragingen. De realiteitstoetsing was door de aanwezige psychotische symptomen volledig verstoord en het vermogen om zijn eigen gedrag te sturen of te remmen was vrijwel afwezig. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt voor zijn handelen. De rechtbank is dus van oordeel dat het bewezen verklaarde in het geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend en oordeelt de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar.
Conclusie
De verdachte is niet strafbaar. De rechtbank zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

5.Maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd een maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden, waarbij het - kort samengevat - gaat om de volgende voorwaarden:
Geen strafbare feiten plegen;
Meewerken aan reclasseringstoezicht;
Meewerken aan time-out;
Niet naar het buitenland;
Opneming in een zorginstelling;
Ambulante behandeling;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
Verbod verdovende middelen;
Alcoholverbod;
Dagbesteding;
Aflossing schulden;
Beheersing middelengebruik;
Een contact- en locatieverbod met de slachtoffers.
De officier van justitie eist dat deze maatregelen direct na de uitspraak ingaan (dadelijk uitvoerbaar is).
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank TBS met voorwaarden op te leggen. Daarbij merkt de advocaat op dat de verdachte al 268 dagen in voorlopige hechtenis zit en dat het van belang is dat hij zo snel mogelijk kan doorstromen naar een kliniek voor behandeling.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte TBS met voorwaarden op.
Bij het bepalen van deze maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermaals vernielen van de voordeur en ruiten van de woning van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Ook heeft hij hen bedreigd door met een mes voor de deur te staan, tegen de deur te trappen en een steen tegen de ruit van de woning te gooien. Naast de vernielingen en bedreiging heeft de verdachte zich, kort daarna, schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van een kennelijk willekeurig gekozen medegedetineerde door hem meermalen met een scherp voorwerp op zijn hoofd te slaan/steken.
Hoewel de rechtbank de verdachte ontoerekeningsvatbaar acht, wil dit niet zeggen dat hij door zijn handelen de slachtoffers geen angst en schrik heeft aangejaagd. Het gedrag van de verdachte is niet anders te omschrijven dan als conflictzoekend, onvoorspelbaar en gewelddadig. Het moet voor zijn slachtoffers buitengewoon beangstigend zijn geweest dat zij, zonder enige voor hen begrijpelijke aanleiding, geconfronteerd werden met – in het geval van het gezin uit Woudenberg – terugkerend geweld of – in het geval van de medegedetineerde – ernstig geweld.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van1 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Strafkader
In het hiervoor vermelde Pro Justitia-rapportage concludeert de psychiater dat bij de verdachte zonder adequate behandeling een hoog risico bestaat op psychotische symptomen en hiermee ook een hoog risico op geweldsdelicten, nu dit in zeer sterke mate samenhangt met elkaar. De psycholoog concludeert dat er bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat er weinig beschermende factoren aanwezig zijn.
De psychiater geeft aan dat in de eerste plaats een klinische behandeling noodzakelijk is waarin de verdachte wordt behandeld voor zijn verslaving en de psychotische symptomatologie goed gemonitord en gestabiliseerd wordt. Middels een langdurig klinisch traject zal de verdachte zoveel mogelijk vaardigheden moeten leren om te groeien in zelfstandigheid. Wel zal de verdachte altijd enige mate van ondersteuning nodig hebben vanwege zijn verstandelijke beperking. Daarnaast zal onderzocht kunnen worden wat een passende woonplek voor de verdachte op de lange termijn is zodat een zorgvuldige overgang georganiseerd kan worden vanuit de klinische behandeling. Gezien de motivatie van de verdachte is de verwachting van de psychiater dat het bovengenoemde traject vormgegeven kan worden binnen een TBS-maatregel met voorwaarden. Een klinische behandeling binnen het kader van een zorgmachtiging is overwogen, maar een dergelijke maatregel is doorgaans van tijdelijke aard en veelal gericht op stabilisering bij crisis, terwijl de verdachte juist langdurige ondersteuning nodig heeft. De psychiater adviseert daarom de behandeling en begeleiding vorm te geven middels een TBS-maatregel met voorwaarden.
De psycholoog geeft aan dat de verdachte gebaat is bij een in aanvang sterk gestructureerde omgeving zoals bijvoorbeeld een Forensisch Psychiatrische Afdeling met een beperkt beveiligingsniveau. Nadat binnen een klinische setting een zekere stabiliteit en verantwoordelijkheidszin is bereikt, kan middels een ambulant traject worden toegewerkt naar een daaropvolgende woonsituatie. Volgens de psycholoog dient dit bij voorkeur plaatst te vinden binnen het kader van een TBS-maatregel met voorwaarden.
Tot slot heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 maart 2026 van [instelling] . De reclassering adviseert positief over de oplegging van TBS met voorwaarden, gelet op de motivatie van de verdachte en enig ziektebesef en -inzicht. De reclassering vindt een stevig en langdurig forensisch kader noodzakelijk om het recidiverisico positief te kunnen beïnvloeden en gedragsverandering te bewerkstellingen. De reclassering adviseert om als voorwaarden te stellen:
Geen strafbare feiten plegen;
Meewerken aan reclasseringstoezicht;
Meewerken aan time-out;
Niet naar het buitenland;
Opneming in een zorginstelling;
Ambulante behandeling;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
Verbod verdovende middelen;
Alcoholverbod;
Dagbesteding;
Aflossing schulden;
Beheersing middelengebruik;
onder begeleiding en toezicht van de reclassering en met dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden.
Er is voor de verdachte een indicatie afgegeven voor Verblijfsintensiteit F en Beveiliging Gemiddeld Hoog (FG2). De verdachte is geaccepteerd door [instelling] . Er was, ten tijde van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, nog geen concrete datum voor opname in de kliniek. Mocht de geïndiceerde kliniek geen plaats hebben op de datum einde detentie, dan zal de Divisie Individuele Zaken zorg dragen voor een overbruggingsplek in een kliniek met hetzelfde beveiligingsniveau.
De reclassering adviseert bij oplegging van een TBS-maatregel met voorwaarden ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen.
Oplegging van TBS-maatregel met voorwaarden
De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen over de noodzaak van het opleggen van een TBS-maatregel met voorwaarden over.
Aan de wettelijke eisen voor de oplegging van een TBS-maatregel wordt voldaan. Ten eerste bestond ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte. Ten tweede is zowel de bedreiging als de (poging tot) zware mishandeling een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel. Gelet op de inhoud van de hierboven besproken rapporten heeft de verdachte te kampen met zodanige problematiek dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om hem onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Het risico op recidive wordt door alle deskundigen ingeschat als hoog als passende behandeling en begeleiding ontbreken.
Op zitting zijn de in het reclasseringsadvies opgenomen voorwaarden aan de verdachte voorgehouden en de verdachte heeft zich tot naleving van al die voorwaarden bereid verklaard. Ook heeft de verdachte zich tot naleving van een contactverbod met [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en een locatieverbod voor de plaats Woudenberg bereid verklaard, zoals door de officier van justitie gevorderd.
Alles overwegende vindt de rechtbank de oplegging van de TBS-maatregel met voorwaarden passend en noodzakelijk. De rechtbank zal de maatregel met de daarbij in het dictum vermelde voorwaarden opleggen. De rechtbank is van oordeel dat dit de meest passende oplossing is voor de verdachte om voldoende hulp en begeleiding te krijgen. De rechtbank zal vanwege het geconstateerde, hoge recidivegevaar bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Dat betekent dat voor de verdachte de voorwaarden gelden, ook als de zaak nog niet onherroepelijk zou zijn omdat er sprake is van een tegen dit vonnis ingesteld hoger beroep.
In geval van omzetting naar TBS met dwangverpleging
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen, zodat de maatregel niet gemaximeerd zal zijn in geval van omzetting in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking
Om het recidivegevaar in te perken, kan een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Deze maatregel houdt in dat de verdachte zich na beëindiging van de TBS aan gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen dient te houden en zich moet conformeren aan langdurig toezicht door de reclassering, zodat het risico op herhaling wordt geminimaliseerd. Of dergelijke aanvullende maatregelen nodig zijn en, zo ja, welke dat zijn zal bepaald worden tegen het einde van de TBS-maatregel. Gelet op de adviezen van de deskundigen, waaruit naar voren komt dat de verdachte langdurig ondersteuning nodig zal blijven houden, acht de rechtbank oplegging van deze maatregel noodzakelijk om ook na de tenuitvoerlegging van de TBS-maatregel toezicht op de verdachte als mogelijkheid te behouden.
De voorlopige hechtenis
De verdachte bevindt zich op dit moment nog in voorlopige hechtenis. Weliswaar legt de rechtbank geen gevangenisstraf op, maar met de oplegging van de TBS-maatregel is sprake van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan meebrengen. De voorlopige hechtenis loopt daarom door. Wel zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in een kliniek. De rechtbank licht dit hierna toe.
De schorsing houdt verband met de op te leggen dadelijk uitvoerbare TBS met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de TBS met voorwaarden niet omgezet worden in TBS met dwang. Wel bestaat dan de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier kan de veiligheid van de maatschappij en verdachte zelf worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5. Aan de schorsing zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die van de TBS-maatregel.
De rechtbank zal, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie en zoals geadviseerd door de reclassering, de voorlopige hechtenis van de verdachte schorsen met ingang van het moment waarop de verdachte in de [instelling] of soortgelijke instelling is opgenomen, zodat de klinische opname van de verdachte aansluitend zal plaatsvinden aan zijn detentie. De verdachte is al geaccepteerd door [instelling] . De verdachte heeft zich tot naleving van deze voorwaarden bereid verklaard, ook als dit inhoudt dat hij eerst wordt geplaatst op een overbruggingsplek.
Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden. Zij zal overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen een en ander formuleren in het dictum.

6.In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte is het volgende goed inbeslaggenomen:
- Steekwapen (mes, G3559550).
6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat het mes verbeurd zal worden verklaard.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Hoewel de verdachte schriftelijk afstand heeft gedaan van het mes, is niet gebleken dat de last in de zin van artikel 116 lid 2 sub c Wetboek Pro van Strafvordering is afgegeven. Daarom dient de rechtbank op deze vordering te beslissen. Conform de vordering van de officier van justitie zal het in beslag genomen mes verbeurd worden verklaard.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vordering van de benadeelde partijen inzake 16-218504-25
Benadeelde partij [benadeelde 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 879,71 voor de gevolgen van feit 1 en 2 van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 379,71 voor vergoeding van materiële schade en € 500,- euro voor vergoeding van immateriële schade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Lamp met detector: € 35,07;
Deurbelcamera: € 100,-;
Voorzieningen tijdelijk veiligheidshek: € 32,66;
Permanent tuinhek: € 211,98;
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.085,- voor de gevolgen van feit 1 en 2 van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,- voor vergoeding van materiële schade en € 2.675,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
a. Eigen bijdrage zorgverzekering: € 385,-.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide vorderingen van de benadeelde partijen in zijn geheel kunnen worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3.
Standpunt van de verdediging
Benadeelde partij [benadeelde 2]
Voor zover materiële schade is gevorderd, stelt de advocaat dat deze voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de advocaat de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
Voor zover materiële schade is gevorderd, stelt de advocaat dat deze voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat het bedrag moet worden gematigd tot € 1.500,- onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [benadeelde 2]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde feiten, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade
.De verdachte heeft in een periode van twee maanden drie keer vernielingen gepleegd bij de woning van de benadeelde partij. Daarbij is sprake van een opbouwend patroon van escalatie, waarbij de verdachte uiteindelijk ook de benadeelde partij heeft bedreigd door met een mes voor de deur te staan. Deze strafbare feiten vonden plaats zonder enige aanleiding, waardoor het voor de benadeelde partij onmogelijk zal zijn geweest om die te relativeren of anderszins rationeel te benaderen. Juist het ongrijpbare van het gedrag zal dat des te beangstigender hebben gemaakt. Dat blijkt ook uit het feit dat de benadeelde partij zich genoodzaakt voelde om ter beveiliging bouwhekken rondom zijn woning te plaatsen. De foto’s van zowel de verdachte voor de deur van de benadeelde partij, als de foto’s van de nadien aangebrachte bouwhekken, maken indruk. De aard en de ernst van de feiten brengen dus mee dat in dit geval de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon aannemelijk is geworden.
Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 11 juli 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 879,71 aan de Staat moet betalen.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde feiten, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de brief van de huisarts volgt dat het slachtoffer is doorverwezen naar een psycholoog in verband met PTSS-achtige klachten en een behandeling zal krijgen. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het slachtoffer vier intakegesprekken heeft gehad met de psychische hulpverlener en in april a.s. start met de daadwerkelijke behandeling. Ter zitting is toegelicht dat waarschijnlijk ongeveer 12 behandelingen zullen volgen. De verdediging heeft hier ook geen verweer op gevoerd.
Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. Daaruit volgt dat de voor geestelijk letsel toe te kennen vergoedingen beginnen bij een bedrag van € 2.675. De benadeelde partij vordert, na eiswijziging ter zitting, dit minimumbedrag.
Geelt op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 11 juli 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.060,- aan de Staat moet betalen.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straffen
De politierechter in Zwolle heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 08/147441-23 op 12 februari 2024 een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar.
De politierechter in Utrecht heeft aan de verdachte in de zaak met 16/161384-22 op 21 november 2023 een gevangenisstraf van 3 weken voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
8.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank de vorderingen afwijst.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen. Hoewel vaststaat dat de verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, wordt hij voor die feiten ontslagen van alle rechtsvervolging. Bovendien acht de rechtbank het in het belang van verdachte en dat van de maatschappij dat de verdachte zo snel mogelijk met de behandeling kan starten.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
36f, 38, 38a, 38z, 45, 57, 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het onder parketnummer 16-275693-25 primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2 inzake parketnummer 16-218504-25 en het subsidiair ten laste gelegde onder parketnummer 16/275693-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.2 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde niet strafbaar en
ontslaat hem van alle rechtsvervolgingten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten;
maatregel TBS met voorwaarden
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden stelt daarbij de
volgende voorwaardenbetreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
1.
Geen strafbare feit plegen
De verdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
o De verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
o De verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
o De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o De verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
o De verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
o De verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o De verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o De verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4.
Niet naar het buitenland
De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5.
Opneming in een zorginstelling
De verdachte laat zich opnemen en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. Hieronder kan ook een overbruggingsplek worden begrepen. De opname start zo spoedig mogelijk en duurt zolang de reclassering dit in overleg met de zorginstelling noodzakelijk vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
6.
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
7.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
8.
Verbod verdovende middelen
De verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe
vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
9.
Alcoholverbod
De verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
10.
Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
11.
Aflossing schulden
De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
12.
Beheersing middelengebruik;
De verdachte werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
13.
Contactverbod
De verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met:
- [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 1975 en
- [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 1975,
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;
14.
Locatieverbod
De verdachte zal zich niet bevinden in de gemeente Woudenberg, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;
- geeft opdracht aan de reclassering de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
maatregel 38z Sr
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
 Steekwapen (mes, G3559550);
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1 en 2 onder parketnummer 16-218504-25)
  • wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 879,71 bestaande uit € 379,71 materiële schade en € 500,- immateriële schade (smartengeld).
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 11 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 879,71 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 11 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 8 dagen gijzeling;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1 en 2 onder parketnummer 16-218504-25)
  • wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.060,-, bestaande uit € 385,- materiële schade en € 2.675,- immateriële schade (smartengeld);
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 11 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 3.060,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 11 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 30 dagen gijzeling;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 08-147441-23

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-161384-22
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;
Voorlopige hechtenis
- schorst het bevel tot voorlopige hechtenis
met ingang van het moment waarop de verdachte is opgenomen in de [instelling] , een soortgelijke instelling of is opgenomen in een andersoortige kliniek als overbruggingsplek,onder dezelfde voorwaarden als die zijn verbonden aan de TBS-maatregel, zoals hiervoor weergegeven.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Sanders, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. A.E. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
Mr. T.M. Sanders en mr. A.E. van der Wal zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
16/218504-25
1
hij in of omstreeks de periode van 13 mei 2025 tot en met 11 juli 2025 te
Woudenberg opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, een
voordeur en/of glaslatten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1]
en/of Omnia Wonen, toebehoorde heeft vernield,
beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij op of omstreeks 11 juli 2025 te Woudenberg
[benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met een mes voor de deur te staan, tegen die voordeur te trappen
en/of een steen tegen de ruit van de woning/deur te gooien;
16/275693-25
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Lelystad
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer]
meerdere malen met een scherp voorwerp op zijn achterhoofd te slaan en/of te
steken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Lelystad
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer] meerdere malen met een scherp voorwerp op zijn achterhoofd
heeft geslagen en/of gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Lelystad
[slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meerdere malen met een
scherp voorwerp op zijn achterhoofd te slaan en/of te steken

Voetnoten

2.Pagina 11 en 12.
3.Pagina 9 en 10.
4.Pagina 14 en 15.
5.Pagina 25 en 26.
6.Pagina 22 en 23.
8.Pagina 6 en 7.