ECLI:NL:RBMNE:2026:212

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
587142 en 594905
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:8 Procesreglement ScheidingArt. 1:151 BWArt. 3:179 lid 1 BWArt. 3:179 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met huurrecht en verdeling van gouden sieraden en inboedel

Partijen zijn in 2024 getrouwd en verzoeken de rechtbank de echtscheiding uit te spreken. De vrouw vraagt tevens om het huurrecht van de woning aan haar toe te wijzen en betaling van een bruidsgave van €8.000,-. De man verzoekt het huurrecht aan hem toe te wijzen, betaling van de bruidsgave in termijnen en een specifieke verdeling van de inboedel.

De rechtbank wijst het bezwaar van de vrouw tegen een aanvullend verzoek van de man af en besluit de echtscheiding uit te spreken. De vrouw wordt huurster van de woning omdat haar belang zwaarder weegt, mede door haar stabiele woonomgeving en traumabehandeling. De man wordt veroordeeld de bruidsgave in één keer te betalen, gezien zijn voldoende liquide middelen.

De inboedel wordt verdeeld waarbij de vrouw de koelkast, droger en laminaat krijgt, en de man de televisie, wasmachine en kasten. De rechtbank gelast ook de verdeling van de gouden sieraden en banksaldi, waarbij de stijgingen in saldi worden gedeeld en de sieraden gelijk verdeeld. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het huurrecht toe aan de vrouw, veroordeelt de man tot betaling van de bruidsgave in één keer en regelt de verdeling van inboedel, gouden sieraden en banksaldi.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/587142 / FA RK 25-82
C/16/594905 / FA RK 25-1106
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 30 januari 2026
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Cortet,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.L. Sterrenberg-Ellerbroek.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen) ontvangen op 14 januari 2025;
  • het verweerschrift van de man (met bijlage) en met zelfstandige verzoeken;
  • het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man (met bijlage);
  • een akte met bijlagen en aanvullend verzoek van de man (met bijlagen) van
  • een bericht van de vrouw van 10 december 2025;
  • een bericht van de man van 11 december 2025.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
19 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn op [datum] 2024 met elkaar getrouwd in Utrecht.
2.2.
Partijen verzoeken de rechtbank de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
2.3.
Daarnaast verzoekt de vrouw de rechtbank om:
  • de man te veroordelen tot betaling van € 8.000,- ter zake van de bruidsgave aan de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking;
  • te bepalen dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan de [adres 1] in ([postcode]) [plaats].
2.4.
De man vindt dat het verzoek van de vrouw over het huurrecht moet worden afgewezen. De man verzoekt de rechtbank om:
  • te bepalen dat de man huurder zal zijn van de woning aan de [adres 1] in ([postcode]) [plaats];
  • te bepalen dat de man de bruidsgave in 36 maandelijkse termijnen mag voldoen;
  • de verdeling van de inboedel vast te leggen conform productie 5 en te bepalen dat de vrouw gehouden is de inboedel die aan de man wordt toegescheiden aan hem te leveren binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking.

3.De beoordeling

Bezwaar
3.1.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de akte met aanvullend verzoek en bijlagen van de man van 9 december 2025. Zij vraagt de rechtbank dan ook deze akte met bijlagen buiten beschouwing te laten. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het indienen ervan - zo kort voor de zitting - in strijd is met de goede procesorde, omdat zij onvoldoende tijd heeft gehad om te reageren op dit aanvullend verzoek en eventueel een tegenverzoek in te dienen. Bovendien, zo stelt de vrouw, wordt de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen niet alleen gevormd door de inboedel, maar maken ook gouden sieraden en de saldi van de bankrekeningen van partijen daar onderdeel van uit. De man doet nu een verzoek tot partiële verdeling en dat kan niet, aldus de vrouw.
3.2.
De rechtbank wijst het bezwaar van de vrouw af. Dit betekent dat de (inhoud van de) akte en de bijlagen van de man van 9 december 2025 onderdeel uitmaken van het dossier en de rechtbank zal beslissen op het aanvullend verzoek van de man. De akte met bijlagen is weliswaar precies op de rand van de tiendagentermijn [1] ingediend, maar de inhoud van zowel de akte als de bijlagen is eenvoudig te doorgronden. Bovendien heeft de vrouw tijdens de zitting voldoende gelegenheid gekregen om zich tegen dit verzoek te verweren en zijn ook de gouden sieraden en de saldi van de bankrekeningen besproken.
3.3.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken en:
  • bepalen dat de vrouw huurster is van de woning aan de [adres 1] in ([postcode]) [plaats];
  • de man veroordelen om aan de vrouw in één keer de bruidsgave te betalen;
  • de inboedelgoederen verdelen op de wijze zoals in het dictum staat vermeld;
  • de wijze van verdeling van de overige boedelbestanddelen gelasten zoals in het dictum van deze beschikking is vermeld.
De overige verzoeken worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.4.
De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing.
De echtscheiding
3.5.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [2] Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
De woning
3.6.
Partijen hebben allebei om het huurrecht van de woning verzocht. In tegenstelling tot de vrouw is de rechtbank van oordeel dat beide partijen dat ook kunnen verzoeken, omdat de woning - weliswaar kort - ook tot het hoofdverblijf van de man strekte. Partijen hebben er immers van 1 november 2024 tot 18 december 2024 samengewoond. En alhoewel die samenwoning dus van korte duur is geweest, was het wel de intentie van partijen om zich daar na het huwelijk samen blijvend te vestigen. Dat betekent dat beide partijen in hun verzoek kunnen worden ontvangen, zodat de rechtbank een afweging zal moeten maken tussen de verschillende belangen van partijen. Daarbij speelt de vraag of één van partijen kan beschikken over alternatieve woonruimte ook een rol.
3.7.
De rechtbank bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurster zal zijn van de woning aan de [adres 1] in [plaats]. De rechtbank vindt dat het belang van de vrouw bij het huurrecht van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man. De rechtbank zal dat hierna nader uitleggen.
3.8.
Het huwelijk tussen partijen was van korte duur. Partijen zijn op [datum] 2024 getrouwd en op 14 januari 2025 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend. De vrouw woont al vanaf haar zeventiende op zichzelf, en sinds 2020 aan de [adres 2] in [plaats], terwijl de man tot aan het huwelijk bij zijn ouders heeft gewoond. Kort voor het huwelijk heeft de vrouw de woning aan de [adres 1] in [plaats] definitief toegewezen gekregen, waarna zij in februari 2025 de huur van de woning aan de [adres 2] in [plaats] heeft opgezegd. De vrouw heeft de woning aan de [adres 1] met voorrang toegewezen gekregen omdat zij een sociale huurwoning (aan de [adres 2]) achterliet.
3.9.
Op 18 december 2024 heeft de man de woning verlaten en is de vrouw in de woning blijven wonen. Waar de man sindsdien verblijft, kan de rechtbank niet vaststellen. De vrouw stelt dat de man weer terug is gegaan naar zijn ouders, maar de man betwist dit. De verhalen van de man hierover zijn echter tegenstrijdig. In zijn verweerschrift staat dat hij sinds de breuk bij zijn ouders verblijft, maar tijdens de zitting heeft hij verklaard dat hij sindsdien geen vaste verblijfplaats meer heeft en in zijn auto slaapt als hij geen slaapdienst heeft. Wat voor de rechtbank wel vaststaat, is dat de man op 18 december 2024 niet (tijdelijk) naar de woning aan de [adres 2] in [plaats] is vertrokken, terwijl deze nog wel ter beschikking van partijen stond. De huur hiervan is immers pas in februari 2025 opgezegd. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van de man over waar hij thans verblijft en het feit dat hij niet naar de woning aan de [adres 2] is gegaan, kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de man mogelijk toch bij zijn ouders verblijft. De woning van zijn ouders betreft een eengezinswoning waar de man (in ieder geval) tot aan het huwelijk met zijn ouders en broertjes heeft gewoond. In feite is het korte huwelijk niet meer geweest dan een zeer kort intermezzo. De indruk dat de man bij zijn ouders woont wordt versterkt door het feit dat hij tot op heden op het adres van zijn ouders staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Daarin is bovendien vermeld dat dit zijn woonadres is, en niet - zoals de man zelf zegt - zijn briefadres. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat het niet aannemelijk is dat de man niet meer bij zijn ouders woont of kan wonen. Daar staat tegenover dat een alternatieve woonruimte voor de vrouw een stuk moeilijker te realiseren is, omdat zij niet terecht kan bij haar familie. Zij woont al een hele tijd zelfstandig en heeft de huur van haar woning aan de [adres 2] opgezegd voor de woning aan de [adres 1]. Het verlies van deze laatste woning zou voor haar dus van veel grotere betekenis zijn dan voor de man.
3.10.
Daar komt bij dat de vrouw een stabiele woonomgeving nodig heeft. De relatie van partijen was, ook al voor het huwelijk, zeer turbulent. Er lijkt sprake te zijn geweest van een gewelddadige relatie waarin sprake was van stalking, bedreiging, manipulatie en ernstige conflicten. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij tijdens de relatie met de man trauma’s heeft opgelopen waarvoor zij in (trauma)behandeling moet. Om deze traumabehandeling zo goed mogelijk te doorlopen, is het van belang dat de woonomgeving van de vrouw stabiel blijft. Ook dit geeft de vrouw een groter belang bij de woning dan de man.
De bruidsgave
3.11.
Tussen partijen staat vast dat de man een bruidsgave verschuldigd is aan de vrouw van € 8.000,-. De vrouw wil dat de man dit bedrag in één keer uitkeert, maar de man is het daar niet mee eens. Hij stelt dat hij daar de middelen niet voor heeft en wil de bruidsgave daarom in termijnen betalen.
3.12.
De rechtbank wijst dat verzoek van de man af en bepaalt dat de man de bruidsgave in één keer aan de vrouw moet voldoen. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet beschikt over voldoende liquide middelen. Zo volgt uit de aangifte IB over 2024 dat de man in dat jaar een fiscale winst uit onderneming had van € 71.534,-. Niet gesteld of gebleken is dat de man in 2025 een aanzienlijk lagere winst uit onderneming had. Gelet op de (woon)situatie van de man moet van deze winst uit onderneming voldoende overblijven om de bruidsgave in één keer te kunnen voldoen. Bovendien volgt uit de aangifte IB ook dat de man in 2024 ruim € 30.000,- aan spaargeld had. Het kan zo zijn dat de man spaargeld heeft gebruikt om zaken van te kunnen betalen, maar de rechtbank vindt het onaannemelijk dat de man helemaal geen liquide middelen meer heeft om in één keer € 8.000,- aan de vrouw betalen.
Inboedel
3.13.
De rechtbank zal de inboedel verdelen op de wijze zoals in 4.4 van het dictum staat vermeld. Partijen zijn het erover eens dat het bed, de eettafel en eetstoelen, de salontafel, de bank en de gordijnen aan de vrouw kunnen worden toebedeeld. De duurdere inboedelgoederen (de televisie, koelkast, wasmachine en droger) houdt partijen verdeeld, net als het laminaat. De rechtbank vindt het het eerlijkst om de duurdere inboedelgoederen gelijk tussen partijen te verdelen. De vrouw heeft haar voorkeur uitgesproken voor de koelkast en de droger, dus deze goederen zullen aan haar worden toebedeeld. Ook het laminaat zal aan de vrouw worden toebedeeld. Het laminaat is immers in deze woning gelegd en is waarschijnlijk moeilijk te hergebruiken in een andere woning. De man krijgt alle kasten en de bureautafel toebedeeld en verder de televisie en de wasmachine. Bij gebrek aan informatie over de waarde van de inboedelgoederen is de rechtbank van oordeel dat de inboedelgoederen op deze manier op een zo gelijk mogelijke manier zijn verdeeld.
De overige vermogensbestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap
3.14.
Het uitgangspunt van de wet is dat bij de verdeling alle tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen worden betrokken. [3] Als bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, kan daarvan nadere verdeling worden gevorderd. [4] De stelling van de vrouw dat een partiële verdeling per definitie niet kan (zie 3.1), is dus onjuist. Dat neemt niet weg dat het de voorkeur verdient om een ontbonden huwelijksgemeenschap in één keer te verdelen. Dit geldt des te meer als één van partijen zich verzet tegen partiële verdeling. Op die manier hoeft niet een extra (dagvaardings)procedure te worden gevoerd en zijn partijen niet genoodzaakt om nog langer op een bepaalde manier aan elkaar verbonden te blijven.
3.15.
De vrouw heeft aangevoerd dat de ontbonden huwelijksgemeenschap niet alleen bestaat uit inboedel, maar ook uit gouden sieraden en de saldi van de bankrekeningen van partijen. De man heeft dit niet met zoveel woorden betwist. Er zijn echter geen expliciete verzoeken over deze vermogensbestanddelen gedaan. In het licht van de voorgaande overweging en het belang van partijen bij een gehele afwikkeling van de echtscheiding, inclusief vermogensafwikkeling, zal de rechtbank hierna toch de wijze van verdeling van de gouden sieraden en de saldi van de bankrekeningen gelasten. Dit is tijdens de zitting ook zo besproken met partijen. De rechtbank acht zich daartoe voldoende in staat omdat de ontbonden huwelijksgemeenschap uit maar drie vermogensbestanddelen bestaat die zeer overzichtelijk zijn. De rechtbank hoopt partijen hiermee op weg te helpen om uiteindelijk de gehele verdeling zelf af te ronden.
De saldi van de bankrekeningen
3.16.
Over de verdeling van saldi van bankrekeningen kan de rechtbank in zijn algemeenheid overwegen de saldi van de bankrekeningen van partijen op de peildatum, verminderd met de saldi van de bankrekeningen van partijen op de huwelijksdatum, verdeeld moeten worden. Dit is tijdens de zitting ook zo besproken met partijen. Dit brengt met zich mee dat partijen over en weer inzicht moeten geven in de saldi op de verschillende data. Als de saldi zijn gestegen moet die stijging verdeeld worden, maar alleen als de stijging het gevolg is van inkomsten uit arbeid of uitkering; een schenking of erfenis die door (één van) partijen op zijn/haar bankrekening is ontvangen, hoeft niet verdeeld te worden. Voor zover sprake is van een daling van de saldi ten gevolge van uitgaven met betrekking tot de gemeenschap, gemeenschappelijke schulden en/of kosten van de huishouding, is ieder van partijen voor de helft draagplichtig voor die daling.
3.17.
Partijen hebben in deze procedure geen informatie gegeven over hun bankrekeningen. De rechtbank kan daarom slechts de wijze van verdeling gelasten van de banksaldi, op de in 3.16 beschreven wijze.
De gouden sieraden
3.18.
De vrouw heeft gesteld dat partijen tijdens hun huwelijk gouden sieraden hebben gekregen van familie, vrienden en kennissen, zodat deze sieraden onderdeel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Volgens de vrouw gaat het om twee kettingen en acht armbanden. De man heeft tijdens de zitting in eerste instantie verklaard dat hij daar niets van wist. Vervolgens heeft de vrouw tijdens de zitting foto’s van de bruiloft laten zien. Op deze foto’s was te zien dat de vrouw gouden sieraden omgehangen krijgt van de moeder van de man, terwijl de man ernaast staat. Na het zien van deze foto’s heeft de man vervolgens verklaard dat hij het niet precies weet, maar dat het zou kunnen - en bovendien niet ongebruikelijk is - dat er gouden sieraden geschonken zijn. De man ontkent overigens niet dat hij samen met de vrouw en zijn moeder op de foto’s staat, dat die foto’s tijdens het huwelijk zijn gemaakt en dat op die foto’s ook gouden sieraden te zien zijn. De vrouw heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat er tijdens het huwelijk van partijen gouden sieraden aan hen beiden zijn geschonken. Die gouden sieraden vallen dus in de ontbonden huwelijksgemeenschap. Dat betekent dat (de waarde van) de gouden sieraden tussen partijen verdeeld moet worden.
3.19.
Verder bestaat er tussen partijen discussie over de vraag waar de gouden sieraden nu zijn. De vrouw stelt dat de moeder van de man de gouden sieraden direct na het huwelijk heeft meegenomen. De moeder van de man zou de gouden sieraden in haar kluis bij De Nederlandsche Bank bewaren. De vrouw zou de gouden sieraden na de huwelijksreis terugkrijgen, maar dat is niet gebeurd. De man betwist dit, althans hij zegt niet te weten waar de gouden sieraden zijn. De rechtbank kan op basis van deze verhalen niet vaststellen wie de gouden sieraden in bezit heeft en wie van partijen dus gehouden is om de helft ervan aan de ander te geven. In zijn algemeenheid kan de rechtbank aan partijen meegeven dat voor zover de gouden sieraden bij de man, of zijn moeder, zijn, hij de helft ervan (dan wel de helft van de waarde ervan) aan de vrouw dient te geven. Dit geldt eveneens voor de vrouw in het geval zij in het bezit is van de gouden sieraden. Op deze wijze zal de rechtbank de verdeling van de gouden sieraden gelasten.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.20.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De proceskosten
3.21.
De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum] 2024 in Utrecht;
4.2.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster is van de woning aan de [adres 1] in ([postcode]) [plaats];
4.3.
veroordeelt de man om aan de vrouw in één keer een bedrag van € 8.000,- te betalen inzake de bruidsgave;
4.4.
verdeelt de inboedel als volgt:
4.4.1.
deelt toe aan de man:
  • de televisie
  • de wasmachine van het merk Miele
  • de kasten (slaapkamer)
  • de schoenenkast
  • de voorraadkast
  • de bureautafel;
4.4.2.
deelt toe aan de vrouw:
  • de koelkast van het merk Bosch
  • de droger van het merk Miele
  • het laminaat
  • het bed
  • de eettafel
  • de eetstoelen
  • de salontafel
  • de bank
  • de gordijnen;
4.5.
gelast de wijze van verdeling van de overige boedelbestanddelen als volgt:
4.5.1.
partijen dienen elkaar inzicht te verschaffen in de saldi van al hun bankrekening op de huwelijksdatum en op de datum van 14 februari 2025;
4.5.2.
voor zover sprake is van een stijging van de saldi dient die bij helfte te worden gedeeld, voor zover die stijging niet is terug te voeren op een schenking of erfenis;
4.5.3.
voor zover sprake is van een daling is elk van partijen daarvoor voor de helft draagplichtig;
4.5.4.
de gouden sierraden die aan partijen zijn geschonken tijdens hun huwelijk dienen bij helfte te worden verdeeld; voor zover een van partijen die sierraden in zijn/haar bezit heeft dient die partij, hetzij de andere partij in het bezit te stellen van een deel van die sierraden, gelijk aan de helft van de waarde van het totaal, hetzij de andere partij de helft van de waarde van het totaal te vergoeden;
4.6.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;
4.7.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;
4.8.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. M. Hoogeveen-van de Vrede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 7.8 van het Procesreglement Scheiding.
2.Artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 3:179 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
4.Artikel 3:179 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek.