Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2125

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
2 mei 2026
Zaaknummer
C/16/608719 / KG ZA 26-136
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging dwangsombepaling in executiegeschil bouwcontract

In deze zaak vordert eiseres, een bouwbedrijf, dat de tenuitvoerlegging van een dwangsombepaling uit een eerder kort geding wordt geschorst. Eiseres is gecontracteerd voor de bouw van een woning en boothuis, maar ondervindt vertragingen die zij toeschrijft aan gedaagde, die weigert facturen te betalen en geen duidelijke beslissingen neemt over bouwmethoden en materialen.

De voorzieningenrechter beoordeelt het spoedeisend belang en het executiegeschil, waarbij het instellen van hoger beroep tegen het eerdere vonnis de tenuitvoerlegging niet automatisch schorst. Op grond van een belangenafweging, waarbij de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing blijft, wordt geoordeeld dat de vertragingen en onduidelijkheden vooral in het nadeel van eiseres werken, terwijl gedaagde nauwelijks nadeel ondervindt van schorsing.

De rechter wijst de vorderingen tot opschorting van de opleverdatum en betaling van een geldvordering af wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden. De dwangsombepaling wordt geschorst totdat het hof in hoger beroep beslist. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de dwangsombepaling wordt geschorst tot het hoger beroep is beslist, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/608719 / KG ZA 26-136
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. D. Talsma,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [achternaam] ,
advocaat: mr. P.M. Jongeling.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 35 en de daarna ingediende producties 36 t/m 41, 44 en 46 (de producties 42, 43 en 45 zijn niet toegelaten en dat geldt ook voor de te laat ingediende eiswijziging),
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 16,
- de pleitnota van [eiseres] ,
- de pleitnota van [achternaam] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 7 april 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 21 april 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

[achternaam] heeft [eiseres] gecontracteerd voor het bouwen van een woning en boothuis, maar is daar niet tevreden over. Zij is daarom eind 2025 een kort geding procedure gestart. Op 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter in die procedure beslist dat [eiseres] op uiterlijk 1 mei 2026 bepaalde werkzaamheden afgerond moet hebben en dat zij anders dwangsommen verbeurt. Volgens [eiseres] belemmert [achternaam] een tijdige oplevering van die werkzaamheden en zorgt zij er zo voor dat [eiseres] dwangsommen zal verbeuren. Daarnaast betaalt [achternaam] ten onrechte de facturen niet. [eiseres] krijgt grotendeels gelijk en de tenuitvoerlegging van de dwangsommen wordt geschorst.

3.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
3.1
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Voor een geldvordering in kort geding geldt bovendien dat rekening wordt gehouden met het risico dat eiseres het geldbedrag niet terug kan betalen als zij in de bodemprocedure alsnog ongelijk krijgt.
Spoedeisend belang
3.2
[eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij (een deel van) haar vorderingen. [eiseres] moet een aantal werkzaamheden verrichten vóór 1 mei 2026. Doet zij dat niet dan verbeurt zij dwangsommen. Volgens [eiseres] kan zij de opleverdatum van 1 mei 2026 niet halen doordat [achternaam] de voortgang van de werkzaamheden frustreert en doordat zij de facturen niet betaalt.
Executiegeschil toetsingskader
3.3
Het gaat in dit kort geding om een executiegeschil. Namelijk om een geschil over de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde kort geding vonnis van 18 december 2025. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring is in dit vonnis niet gemotiveerd. [achternaam] heeft tegen het vonnis van 18 december 2025 hoger beroep ingesteld en [eiseres] is in incidenteel appel gegaan.
3.4
Uitgangspunt is dat het instellen van een rechtsmiddel de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis niet schorst. Daarvoor is ingrijpen van de rechter nodig. Artikel 438 Rechtsvordering Pro (Rv) geeft de voorzieningenrechter die mogelijkheid. Op grond van dit artikel kan de voorzieningenrechter, als dat wordt gevorderd, de tenuitvoerlegging van een vonnis schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil is beslist.
3.5
Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 ( [.] ) [1] volgt dat als het gaat om een nog niet definitieve, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak, waarbij de uitvoerbaarheid bij voorraad niet is gemotiveerd (zoals bij het vonnis van 18 december 2025), de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van dat vonnis kan schorsen op basis van een belangenafweging die uitvalt in het voordeel van de geëxecuteerde (in dit geval [eiseres] ). Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de beslissing in het vonnis van 18 december 2025 en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing. Wel kan de voorzieningenrechter in zijn oordeel betrekken of de beslissing berust op een kennelijke misslag. Een kennelijke misslag is in dit geval niet aangevoerd, zodat alleen een belangenafweging hoeft plaats te vinden.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van [eiseres]
3.6
Het belang van [achternaam] bij schorsing van de executie van het vonnis van 18 december 2025 is dat zij geen dwangsommen verbeurt als zij de opleverdatum niet kan halen doordat [achternaam] , al dan niet opzettelijk, de overschrijding van de opleverdatum veroorzaakt. Voor [eiseres] gaat het om een aanzienlijk bedrag aan dwangsommen dat zij in het geval van overschrijding verbeurt, namelijk € 75.000. Tegenover dit belang staat het belang van [achternaam] om via de dreiging van een dwangsom druk te houden op de voortgang van de werkzaamheden, zodat die uiterlijk voor 1 mei 2026 afgrond zullen zijn. Maar, als het inderdaad aan [achternaam] ligt dat [eiseres] niet kan voldoen aan een tijdige oplevering, dan zal het verbeuren van dwangsommen niet bijdragen aan een tijdige oplevering en dus niet het belang van [achternaam] dienen. Onder die omstandigheden zal het verbeuren van dwangsommen dus geen positief effect hebben op het belang van [achternaam] maar wel een negatief effect op het belang van [eiseres] . Daarom speelt bij de belangenafweging een rol aan wie de vertraging te wijten is.
3.7
Om haar stelling te onderbouwen dat [achternaam] de vertraging in de werkzaamheden veroorzaakt voert [eiseres] vier omstandigheden aan: 1) geen beslissing over de bronbemaling, 2) geen beslissing over de gevelstenen 3) te laat betaalde facturen 4) discussie over het rookkanaal.
1) geen beslissing over de bronbemaling
3.8
Om een deel van de gevel te kunnen metselen moet de grond uitgegraven worden en watervrij gehouden worden. Volgens [eiseres] is de beste methode daarvoor bronbemaling. Een goedkopere methode is het gebruik van een dompelpomp. Dat is volgens [eiseres] niet geschikt maar volgens haar wil [achternaam] dat toch. Daarom heeft zij voorgesteld om eerst de dompelpomp te proberen en als dat niet blijkt te werken over te gaan op bronbemaling. Volgens [eiseres] geeft [achternaam] geen akkoord op dat voorstel en blijft zo onduidelijk wat zij moet doen. [eiseres] stelt dat zij al sinds 10 december 2025 vraagt om een beslissing te nemen over welke werkwijze gehanteerd moet worden. [achternaam] stelt daar tegenover dat zij pas een beslissing kan nemen als zij precies weet wat de kosten van de beide methodes zijn. Daar heeft ze al heel vaak om gevraagd maar ze heeft nooit een duidelijk antwoord gekregen, aldus [achternaam] . Partijen nemen hierover dus verschillende standpunten in.
3.9
Uit de door [eiseres] overgelegde producties is op te maken dat [achternaam] herhaaldelijk om een deugdelijke offerte vraagt voor de bronbemaling (producties 4, 27, 28 en38 dagvaarding) en dat [eiseres] een aantal keren een inschatting van de kosten heeft verstrekt, daarbij heeft aangeven dat zij geen exact kostenoverzicht kan geven omdat het op basis van nacalculatie gebeurt en dat zij heeft gevraagd een keuze te maken over de werkwijze (producties 15, 20, 23 en 28). Het is begrijpelijk dat [achternaam] een realistisch en zo gedetailleerd mogelijke opgave wil van de kosten die haar te wachten staan. Maar het kan goed zijn dat het inderdaad niet mogelijk is om vooraf een exacte opgave te doen van kosten voor bronbemaling. Of in dit geval de door [eiseres] verstrekte opgave nauwkeuriger had gekund is onduidelijk. Wie van partijen in hun standpunt gevolgd moet worden, kan de voorzieningenrechter dus niet bepalen. Daarvoor moet er meer duidelijkheid komen over in ieder geval de kostenopgave. Dat gaat echter het karakter van een kort geding te buiten. De belangenafweging valt op dit onderdeel iets in het voordeel van [eiseres] uit, omdat zij pas actie kan ondernemen als er een keuze is gemaakt voor een werkwijze gebaseerd op de daaraan verbonden kosten. . Het gevolg daarvan is dat [eiseres] haar werkzaamheden niet tijdig zal kunnen afronden en € 75.000,- aan dwangsommen zal verbeuren, terwijl het verbeuren van dwangsommen onder deze omstandigheden niet zal bijdragen aan het sneller gereedkomen van de werkzaamheden. Kortom voor [achternaam] verandert er niets en [eiseres] lijdt aanzienlijk financieel nadeel.
2) geen beslissing over de gevelstenen
3.1
Op 4 maart 2026 zijn er gevelstenen geleverd, maar [achternaam] twijfelde of dit wel de juiste stenen waren. [eiseres] heeft dit bij de leverancier van de stenen nagevraagd en die heeft bevestigd dat het om de door [achternaam] uitgekozen stenen gaat. Dat heeft [eiseres] aan [achternaam] doorgegeven en ook heeft zij er op gewezen dat het werkproces met een week is vertraagd omdat de metselaar vanwege de situatie met de stenen niet volgens planning kon beginnen. [achternaam] was niet tevreden met het antwoord van [eiseres] en wilde meer bewijs dat de juiste gevelstenen waren geleverd. Daarop heeft [eiseres] nogmaals navraag gedaan bij de leverancier. Zie hiervoor producties 29, 30 en 31 bij de dagvaarding.
3.11
[eiseres] stelt dat zij al geruime tijd aan [achternaam] vraagt om aan te geven of de geleverde stenen gebruikt kunnen worden. [achternaam] heeft daar tijdens de zitting over gezegd dat zij nooit tegen [eiseres] heeft gezegd dat die de geleverde stenen niet mag gaan metselen. Dat is echter geen duidelijk akkoord. Dat [eiseres] een duidelijk akkoord wil hebben voordat zij begint met metselen is niet onredelijk, omdat er tussen partijen ook nog een discussie is over de meerprijs voor de geleverde stenen. [eiseres] heeft in een bericht van 1 april 2026 een goedkopere gevelsteen voorgesteld waarvoor geen meerprijs geldt en gevraagd om aan te geven voor welke van de twee gevelstenen [achternaam] kiest (productie 41 bij de dagvaarding). Daar heeft [achternaam] diezelfde dag een reactie op geformuleerd waarin wel duidelijk staat dat ze gekozen hebben voor de steen Harderwijk (productie 12 bij de conclusie van antwoord). Deze reactie heeft [achternaam] voorgelegd aan haar advocaat. Onduidelijk is echter of de reactie ook aan [eiseres] is gestuurd. Daar wordt in de conclusie van antwoord bij de verwijzing naar deze productie niets over gezegd. Tijdens de zitting is in ieder geval duidelijk geworden dat [achternaam] akkoord is met de gevelstenen die geleverd zijn en dat daarmee gemetseld kan worden. Wat niet duidelijk is geworden, is wie er voor deze gevelstenen moet betalen. Volgens [eiseres] is dat [achternaam] omdat er voor de geleverde gevelsteen een meerprijs geldt. Volgens [achternaam] vallen de geleverde gevelstenen binnen de aanneemsom en hoeft zij de rekening daarvoor dus niet te betalen.
3.12
[achternaam] stelt dat zij vóór het uitzoeken van de stenen heeft gevraagd of ze rekening moest houden met de kosten van de stenen. Er is toen volgens haar door [eiseres] gezegd dat ze gewoon kon uitzoeken en er is volgens haar ook niet gesproken over meerwerk. Ook in de aannemingsovereenkomst is er geen stelpost opgenomen voor de gevelstenen van het woonhuis, terwijl dat wel het geval is bij de gevelstenen van het boothuis. Daar is volgens [achternaam] ook expliciet gesproken over meerwerk. [eiseres] stelt dat het gebruikelijk is dat bij het aangaan van de overeenkomst uitgegaan wordt van een steen die aansluit bij de keuze van de architect en dat zij dat ook heeft gedaan. Die steen valt binnen de aanneemsom en zij heeft daarvan een monster beschikbaar. Het staat de opdrachtgever echter vrij om een andere steen te kiezen en dat heeft [achternaam] gedaan. De leverancier van de stenen weet volgens [eiseres] welke steen binnen de overeenkomst van [achternaam] valt en doet op basis van dat gegeven de verkoop. [achternaam] moet daarom volgens [eiseres] geweten hebben dat de door haar gekozen gevelsteen niet binnen de aanneemsom valt. Dat blijkt volgens haar ook uit het feit dat [achternaam] om de prijzen van verschillende gevelstenen heeft gevraagd en dat die prijzen zijn verstrekt. [eiseres] wijst daarvoor op de offerte van de leverancier waarin de prijzen staan van de drie stenen die [achternaam] mooi vond (productie 41 dagvaarding). [achternaam] heeft vervolgens voor het type Harderwijk gekozen. De meerprijzen zijn volgens [eiseres] dus voorafgaand aan de bestelling aan [achternaam] doorgegeven.
3.13
De voorzieningenrechter constateert dat de aannemingsovereenkomst op het punt van een meerprijs voor de gevelstenen geen duidelijkheid biedt. De voorzieningenrechter kan op basis van de overeenkomst alleen vaststellen dat er voor het woonhuis geen stelpost is opgenomen voor de gevelstenen en voor de gevelstenen van het boothuis wel. Maar, de voorzieningenrechter stelt ook vast dat er een offerte in het dossier aanwezig is met daarin de prijzen van drie verschillende gevelstenen, waaronder de door [achternaam] gekozen steen, en dat er in die offerte melding wordt gemaakt van een meerprijs. Voor de stellingen van beide partijen valt dus wat te zeggen, maar hoe het precies zit met de prijs voor de geleverde gevelstenen en voor wiens rekening die kosten moeten komen blijft vooralsnog onduidelijk. Om daar een beslissing over te kunnen nemen is nader onderzoek nodig en daar is in een kort geding procedure geen plaats voor. De discussie over het meerwerk had echter niet in de weg hoeven te staan aan de uitvoering van het metselwerk omdat [achternaam] hoe dan ook wil dat het door haar gekozen type gevelsteen wordt gebruikt. Dat is tijdens de zitting komen vast te staan. Door dat niet eerder op ondubbelzinnige wijze aan [eiseres] door te geven (uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting blijkt in ieder geval niet dat zij dat heeft gedaan) heeft [achternaam] bijgedragen aan de vertraging van het metselwerk en daardoor ook aan het risico dat [eiseres] de werkzaamheden niet op tijd zal kunnen afronden. Daarom valt de belangenafweging op dit punt in het voordeel van [eiseres] uit. Daarnaast weegt ook hier weer mee dat de gevolgen bij het handhaven van de bestaande situatie (waaronder het verbeuren van dwangsommen) voor [eiseres] ernstiger zijn dan voor [achternaam] .
3) te late betaling van de facturen
3.14
Twee van de facturen zijn de dag na de kort geding aanvraag onder voorbehoud betaald en één factuur is niet betaald. [achternaam] stelt dat zij de facturen niet hoeft te betalen en doet een beroep op haar opschortingsrecht. Tijdens de zitting heeft zij gezegd dat het beroep op opschorting ziet op alles wat er tot op heden speelt, maar in ieder geval op de gevelstenen en het metselwerk. [eiseres] en ook [achternaam] zijn in dit kort geding alleen nader ingegaan op de factuur voor de gevelstenen. Hoe de te late betaling van de andere twee facturen tot vertraging heeft geleid, daar heeft [eiseres] niets over gezegd. Voor de discussie tussen partijen over het niet betalen van de factuur voor de gevelstenen wordt verwezen naar wat daar onder 3.12 en 3.13 is overwogen. Daaruit volgt dat op dit moment onduidelijk is of de kosten van de geleverde gevelstenen onder de aanneemsom vallen of dat daarvoor een meerprijs geldt en voor wiens rekening een eventuele meerprijs moet komen. Toch valt ook hier de belangenafweging uit in het voordeel van [eiseres] , omdat de gevolgen van niet ingrijpen door de voorzieningenrechter groter zijn dan het gevolg voor [achternaam] . Voor dit onderdeel weegt extra mee dat in het vonnis van 18 december 2025 is bepaald dat de dwangsommen zijn opgelegd uitgaande van strikte betaling door [achternaam] .
4) discussie over het rookkanaal
3.15
Verder verschillen partijen van mening over de vraag wie het rookkanaal en de bijbehorende brandwerende voorzieningen moet aanleggen. Volgens [achternaam] moet [eiseres] dat doen. Dat heeft haar haardleverancier gezegd en dat zou ook volgen uit het deskundigenrapport waarin staat dat er een brandwerende beplating ontbreekt op de houten gevelelementen bij de schoorsteen en dat die nodig is om het rookkanaal voor de schoorsteen aan te kunnen leggen (productie 11, pagina 6, conclusie van antwoord). Dat deze beplating ontbreekt en dat die nodig is voor het rookanaal betwist [eiseres] niet. Zoals zij ook niet betwist dat er brandveiligheidseisen gelden voor de aanleg van een rookkanaal. [eiseres] stelt alleen dat de haardleverancier die [achternaam] inschakelt daarvoor verantwoordelijk is. [eiseres] hoeft op grond van de overeenkomst alleen een niet functionele sierschoorsteen te maken, zo stelt zij. Ter onderbouwing heeft [eiseres] correspondentie overgelegd tussen haar en [achternaam] , waarin ook berichten van de haardleverancier zijn opgenomen (productie 25 dagvaarding). Hierin wijst [eiseres] [achternaam] er op dat de verantwoordelijkheid voor het plaatsen van brandwerend plaatmateriaal (vanwege eventuele aansprakelijkheid voor brandschade) bij de haardleverancier ligt. Uit deze correspondentie maakt de voorzieningenrechter op dat [eiseres] en de door [achternaam] gekozen haardleverancier kennelijk van mening verschillen, maar of dat betekent dat [eiseres] ongelijk heeft kan daar niet uit worden afgeleid. Dat hangt allereerst af van wat partijen hebben afgesproken over het aandeel van [eiseres] bij de aanleg van het rookkanaal en wellicht ook van wat een gangbare werkwijze is bij de aanleg van rookkanalen.
3.16
De aannemingsovereenkomst is daar niet duidelijk over. In de overeenkomst staat alleen op pagina 6 onder het kopje ‘aanpassingen als minderwerk gerekend’ (productie 2 conclusie van antwoord) dat het rookkanaal buiten wordt uitgevoerd als sierschoorsteen en buiten niet functioneel is. Dit zegt echter niets over wie er voor het brandwerend plaatmateriaal moet zorgen. [achternaam] heeft tijdens de zitting nog eens benadrukt dat deze onduidelijkheid voor rekening moet komen van [eiseres] . Wellicht heeft [achternaam] hierin gelijk, maar dat is iets wat een bodemrechter zal moeten beslissen. Voor dit kort geding geldt dat onduidelijk is wie wat moet doen voor de aanleg van het rookkanaal en dus ook wie daar op welk punt iets over moet beslissen. Ook hier heeft dat tot gevolg dat [eiseres] dwangsommen zal gaan verbeuren terwijl er voor [achternaam] niets zal veranderen.
Conclusie: de dwangsombepaling wordt geschorst
3.17
Uit het voorgaande volgt dat op de hiervoor genoemde punten met name onduidelijkheid overheerst en dat die onduidelijkheid ertoe leidt dat er geen beslissingen genomen kunnen worden. Daardoor loopt [eiseres] het zeer reële risico dat zij een bedrag van € 75.000,- aan dwangsommen zal verbeuren als de voorzieningenrechter de dwangsom niet schorst, terwijl een schorsing voor [achternaam] nauwelijks gevolgen heeft. De voorzieningenrechter zal daarom de dwangsombepaling schorsen totdat het hof in hoger beroep op het vonnis van 18 december 2025 heeft beslist. Dat is niet precies wat [eiseres] heeft gevorderd, maar de vordering zoals [eiseres] die heeft geformuleerd zou ertoe kunnen leiden dat daarmee de beslissing in hoger beroep wordt doorkruist en dat is onwenselijk.
De opleverdatum van 1 mei 2026 wordt niet opgeschoven
3.18
[eiseres] vordert - kort gezegd - dat de voorzieningenrechter bepaalt dat bij de beoordeling of [eiseres] voldoet aan dictum 4.1 van het vonnis van 18 december 2025 (afronding uiterlijk 1 mei 2026), de periode(n) waarin (tijdige) afronding (mede) niet mogelijk is geweest door aan [achternaam] toe te rekenen omstandigheden, niet meetellen, althans dat de termijn van 1 mei 2026 wordt verlengd met een periode gelijk aan de door [achternaam] c.s. veroorzaakte vertraging.
3.19
Deze vordering wordt afgewezen omdat er te veel onduidelijkheid bestaat over de vraag wie er verantwoordelijk is of verantwoordelijk moet worden gehouden voor de vertragingen. Alleen de twee te laat betaalde facturen en één niet betaalde factuur zijn omstandigheden waarvan vastgesteld kan worden dat die aan [achternaam] te wijten zijn. Dat is echter onvoldoende om op basis daarvan te kunnen concluderen dat de daardoor veroorzaakte vertragingen geheel en al aan [achternaam] te wijten zijn. [eiseres] heeft dat niet onderbouwd. Zij beroept zich in dat verband met name op het vonnis van 18 december 2025, waarin staat dat de voorzieningenrechter er van uit gaat dat [achternaam] de facturen van [eiseres] zal voldoen. Dat wijst inderdaad op een verplichting aan de kant van [achternaam] om de facturen van [eiseres] (tijdig) te betalen, maar de enkele vaststelling dat [achternaam] die verplichting niet is nagekomen zegt niets over de vertraging die daardoor is veroorzaakt. Daar had [eiseres] meer uitleg over moeten geven. Daar komt bij dat de werkzaamheden die volgens [eiseres] zijn vertraagd (het metselwerk aan de buitengevel, het drooghouden van de werkruimte daaromheen en het rookkanaal) volgens [eiseres] zijn veroorzaakt doordat [achternaam] hierover geen duidelijke beslissingen neemt, en niet doordat de hiervoor genoemde facturen niet (tijdig) zijn betaald. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om in te grijpen in de opleverdatum die de voorzieningenrechter in het vonnis van 18 december 2025 heeft bepaald. De datum van 1 mei 2026 blijft dus staan.
De vordering genoemd onder A.3. van de dagvaarding wordt afgewezen
3.2
[eiseres] vordert dat [achternaam] geen dwangsommen kan aanzeggen of incasseren zolang de facturen niet volledig zijn betaald (die zijn voor het grootste deel al betaald) en zolang [achternaam] de noodzakelijke medewerking niet verleent. Bij deze vordering heeft [eiseres] geen belang meer, of in ieder geval onvoldoende belang, omdat de dwangsom wordt geschorst totdat is beslist op het hoger beroep tegen het vonnis van 18 december 2025.
De subsidiaire vordering wordt afgewezen
3.21
Deze vordering heeft [eiseres] ingesteld voor het geval de primaire vorderingen niet volledig worden toegewezen. Dat is het geval. Toch wijst de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering niet toe. Die ziet namelijk op het staken van de executie van de dwangsom totdat de facturen volledig zijn betaald en totdat [achternaam] de noodzakelijke medewerking heeft verleend. Ook bij deze vordering heeft [eiseres] geen belang meer omdat de dwangsom wordt geschorst.
De geldvordering wordt afgewezen
3.22
Tijdens de zitting heeft [eiseres] haar eis verminderd met de betalingen die [achternaam] op 20 maart 2026 heeft gedaan. Het gaat om een betaling van € 10.665,42 op de factuur voor termijn 13 en een betaling van € 31.996,27 op de factuur voor termijn 10. Van de geldvordering van € 56.024,016 blijft dan dus nog over een bedrag van € 13.362,48. Dit bedrag ziet vrijwel geheel op de factuur voor de meerprijs van de gevelstenen voor de woning. [achternaam] betwist dat zij een meerprijs moet betalen voor deze gevelstenen. Volgens haar vallen de gevelstenen binnen de prijsstelling van de aannemingsovereenkomst. Of, in ieder geval moet een eventuele meerprijs volgens haar voor rekening komen van [eiseres] omdat zij dat niet duidelijk in de overeenkomst heeft opgenomen.
3.23
Uit de aannemingsovereenkomst voor de woning blijkt inderdaad niet of en wanneer er een meerprijs geldt voor gevelstenen. Er staat slechts dat het metselwerk van de buitengevels wordt uitgevoerd conform tekening. De bijgevoegde tekening is onleesbaar. Kortom de voorzieningenrechter kan uit de overgelegde overeenkomst en bijbehorende tekening niet opmaken of er een meerprijs is overeengekomen voor de geleverde gevelstenen. Daardoor blijft onduidelijk of deze post voor rekening moet komen van [eiseres] of van [achternaam] . De geldvordering is daarom niet toewijsbaar.
Daarnaast heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat zij spoedeisend belang heeft bij deze vordering en is ook daarom de vordering niet toewijsbaar. [eiseres] stelt wel dat het niet betalen van de factuur doorwerkt in de inkoop, levering en beschikbaarheid van onderaannemers, maar heeft dat weinig concreet gemaakt. Zo heeft zij niets gezegd over haar financiële situatie in het algemeen en ook niet over haar financiële situatie specifiek met betrekking tot de gevelstenen en het metselwerk. Omdat de stenen al geleverd zijn kan de inkoop en levering daarvan in ieder geval niet meer in gevaar komen. Over de beschikbaarheid van de metselaar heeft [eiseres] alleen gezegd dat die klaar stond maar niet kon starten doordat [achternaam] geen akkoord gaf voor de gevelstenen. De oorzaak voor het verlies van de beschikbaarheid van de metselaar heeft dus volgens de toelichting van [eiseres] te maken met het ontbreken van een duidelijk akkoord voor de gevelstenen en niet met het onbetaald laten van de factuur voor die gevelstenen.
3.24
De vordering tot betaling van het bedrag van € 13.362,48 wordt dus afgewezen. De vorderingen tot betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten delen het lot van de geldvordering.
Aan het beroep op verrekening komt de voorzieningenrechter niet toe
3.25
[achternaam] doet een beroep op verrekening voor het geval zij wordt veroordeeld tot betaling. [eiseres] heeft namelijk de proceskosten waartoe zij in het vonnis van 18 december 2025 is veroordeeld niet betaald. Omdat de geldvordering niet wordt toegewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan het beroep op verrekening.
[achternaam] hoeft de gevorderde medewerking niet te verlenen
3.26
[eiseres] vordert, op straffe van verbeurte van een dwangsom, de medewerking van [achternaam] aan vier verschillende handelingen. Deze worden allemaal afgewezen. De vordering ten aanzien van de handeling die in de dagvaarding is genoemd onder (a) wordt afgewezen omdat [eiseres] er geen belang meer bij heeft dat [achternaam] schriftelijk bevestigt dat [eiseres] het metselwerk kan uitvoeren met de geleverde gevelstenen. Tijdens de zitting heeft [achternaam] namelijk gezegd dat [eiseres] met die stenen kan gaan metselen. Wat betreft de handelingen dan wel het nalaten van handelingen genoemd onder (b) en (d) is de voorzieningenrechter van oordeel dat die te vaag geformuleerd zijn om toegewezen te kunnen worden. En voor (d) geldt daarnaast ook nog dat niet duidelijk is om hoeveel kosten het gaat. Voor de handeling genoemd onder (c) geldt dat die afgewezen wordt, omdat niet duidelijk is geworden wat er precies is afgesproken over de dompelpomp dan wel bronbemaling, wat daar de kosten van zijn en wie die moet betalen.
De proceskosten
3.27
[eiseres] is grotendeels in het gelijk gesteld. [achternaam] moet daarom de proceskosten van [eiseres] betalen. De kosten van [eiseres] bestaan uit:
- dagvaarding
€ 127,35
- griffierecht
€ 3.083,00
- salaris advocaat
€ 1.177,00
(gemiddeld tarief )
- nakosten
€ 189,00
(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€ 4.576,35
Maar, omdat [eiseres] ten onrechte een geldvordering heeft ingesteld en daardoor het griffierecht significant hoger is, zal de voorzieningenrechter [achternaam] slechts veroordelen tot betaling van het griffierecht dat [eiseres] zou hebben moeten betalen als zij de geldvordering niet had ingesteld, te weten een bedrag van € 735,00. De proceskosten van [eiseres] worden dus begroot op:
- dagvaarding
€ 127,35
- griffierecht
€ 735,00
- salaris advocaat
€ 1.177,00
(gemiddeld tarief )
- nakosten
€ 189,00
(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€ 2.228,35
Dit bedrag wordt vervolgens nog gecompenseerd met het griffierecht dat [achternaam] extra moet betalen als gevolg van de ten onrechte ingestelde geldvordering. Het griffierecht dat [achternaam] voor deze procedure moet betalen is € 1.414,00. Als [eiseres] de geldvordering niet zou hebben ingesteld dan zou dat € 341,00 zijn geweest. De proceskostenveroordeling wordt verminderd met het verschil tussen die twee bedragen. Dat is een bedrag van € 1.073,00. De uiteindelijke proceskostenveroordeling wordt daarmee € 1.155,35 (€ 2.228,35 - € 1.073,00).
3.28
De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 december 2025 (zaaknummer C/18/602555 / KL ZA 25-290), voor zover die tenuitvoerlegging ziet op dictum 4.2 (dwangsom) en/of op daarop gebaseerde executiemaatregelen, daaronder begrepen het aanzeggen en/of incasseren van (gestelde) dwangsommen, het geven van executie-opdrachten aan de deurwaarder en/of het leggen van beslag, totdat het hof heeft beslist op het hoger beroep tegen het vonnis van 18 december 2025,
4.2
veroordeelt [achternaam] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.155,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [achternaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [achternaam] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.