ECLI:NL:RBMNE:2026:2138

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
12061218 \ MC EXPL 26-279
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 lid 3 RvArt. 143 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming geldleningsovereenkomst en huurachterstand met afwijzing verzet wegens onvoldoende bewijs aflossingen

In deze zaak huurde [opposant c.s.] vanaf februari 2022 een bedrijfspand van [geopposeerde] en leende geld van deze verhuurder voor opknapwerkzaamheden. Na beëindiging van de huur in mei 2024 ontstond een huurachterstand en een geldlening van €4.583,33, die terugbetaald moest worden volgens afspraken in twee aparte overeenkomsten.

[Geopposeerde] vorderde terugbetaling van de geldlening en incassokosten, welke bij verstekvonnis werden toegewezen. [Opposant c.s.] kwam in verzet en stelde dat de aflossingen die zij had gedaan ten onrechte niet in mindering waren gebracht op de geldlening, maar op de huurachterstand. Zij voerde tevens een schending aan van artikel 111 lid 3 Rv Pro wegens gebrek aan inzage.

De kantonrechter oordeelde dat de bewijslast voor de aflossingen bij [opposant c.s.] lag en dat zij onvoldoende had onderbouwd dat betalingen op de geldlening waren gedaan. De omschrijvingen bij betalingen ontbraken grotendeels, waardoor [geopposeerde] terecht de betalingen op de huurachterstand in mindering bracht. Ook was een overzicht verstrekt en was [opposant c.s.] meerdere malen gewezen op de openstaande geldlening zonder dat zij hiertegen tijdig bezwaar maakte.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard, het verstekvonnis bekrachtigd en werd [opposant c.s.] veroordeeld tot betaling van de geldlening, incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de vordering tot terugbetaling van de geldlening wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12061218 \ MC EXPL 26-279
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van

1.[opposant sub 1] B.V.,

2.
[opposant sub 2],
gevestigd en wonende in [woonplaats] ,
eisers in het verzet,
oorspronkelijk gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [opposant c.s.] ,
gemachtigde: mr. A.J.M. Knoef,
tegen
[geopposeerde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde in het verzet,
oorspronkelijk eisende partij,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het door de kantonrechter op 19 november 2025 tussen [geopposeerde] en [opposant c.s.] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 11942454 MC EXPL 25-5929;
- de verzetdagvaarding van 19 december 2025;
- de conclusie van antwoord in het verzet;
- de conclusie van repliek in het verzet.
1.2
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.Waar het in deze zaak over gaat

2.1
[opposant c.s.] huurde vanaf 1 februari 2022 van [geopposeerde] een bedrijfspand aan de [adres] in [plaats] . [opposant c.s.] heeft het bedrijfspand opgeknapt. Het geld dat zij daarvoor nodig had, heeft zij geleend van [geopposeerde] . Omdat [opposant c.s.] moest stoppen met haar bedrijfsactiviteiten, is de huur op 13 mei 2024 beëindigd. [opposant c.s.] had op dat moment een huurachterstand. [opposant c.s.] en [geopposeerde] hebben afspraken gemaakt om de geldlening aan [geopposeerde] terug te betalen en de achterstallige huur aan [geopposeerde] te voldoen. Die afspraken hebben zij vastgelegd in twee aparte overeenkomsten.
2.2
Partijen hebben een overeenkomst tot terugbetaling van de geldlening (hierna: de geldlening) en een overeenkomst tot betaling van de huurachterstand (hierna: de huurachterstand) gesloten. De geldlening ziet op een bedrag van € 4.583,33, waarvan partijen hebben afgesproken dat [opposant c.s.] vanaf 1 mei 2024 € 76,39 per maand terugbetaalt. De huurachterstand ziet op een bedrag van € 23.903,50, waarvan partijen hebben afgesproken dat [opposant c.s.] vanaf 1 mei 2024 € 398,39 per maand betaalt. [geopposeerde] heeft vanaf 30 juni 2024 betalingen van [opposant c.s.] ontvangen, maar na augustus 2025 heeft [opposant c.s.] geen betalingen meer gedaan.
2.3
Bij inleidende dagvaarding van 23 oktober 2025 heeft [geopposeerde] gevorderd om [opposant c.s.] te veroordelen tot terugbetaling van de geldlening van € 4.583,33, met
€ 705,83 aan buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.
2.4
Bij verstekvonnis van 19 november 2025 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geopposeerde] toegewezen.
2.5
[opposant c.s.] vordert in verzet om de vorderingen van [geopposeerde] af te wijzen. [opposant c.s.] meent dat de vorderingen van [geopposeerde] moeten worden afgewezen, omdat [geopposeerde] geen rekening heeft gehouden met de terugbetalingen die [opposant c.s.] vanaf 30 april 2024 tot en met augustus 2025 maandelijks ter aflossing van de geldlening heeft gedaan en zij op haar verzoek daartoe geen inzage zou hebben gegeven in de hoogte van de geldlening en de huurachterstand. Volgens [opposant c.s.] schendt [geopposeerde] daarmee artikel 111 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.6
Dat partijen de geldlening zijn overeengekomen en [opposant c.s.] deze moet terugbetalen staat niet ter discussie. Partijen zijn alleen verdeeld over de vraag of [geopposeerde] de aflossingen die [opposant c.s.] heeft gedaan op de geldlening in mindering had moeten brengen. [geopposeerde] meent van niet en de kantonrechter geeft [geopposeerde] daarin gelijk. Dat betekent dat het verzet van [opposant c.s.] ongegrond wordt verklaard. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.

3.De beoordeling

Verzet is tijdig ingediend
3.1
Eerst moet worden beoordeeld of [opposant c.s.] tijdig in verzet is gekomen. Het verzet moet volgens artikel 143 Rv Pro worden gedaan binnen vier weken na de betekening van het vonnis. [opposant c.s.] stelt dat zij op 24 november 2025 heeft kennisgenomen van het verstekvonnis. Uitgaande van die datum is het verzet aanhangig gemaakt binnen de verzet termijn van vier weken. Het verzet is dus tijdig ingediend. [geopposeerde] heeft dit ook niet betwist.
De geldlening
3.2
Omdat [opposant c.s.] erkent dat zij de geldlening moet terugbetalen, maar zegt dat zij de geldlening voor een deel al heeft terugbetaald ligt op haar de bewijslast van de betaling. Dat betekent dat [opposant c.s.] voldoende moet onderbouwen dat de betalingen zijn gedaan ter aflossing van de geldlening. De kantonrechter is van oordeel dat [opposant c.s.] dat onvoldoende heeft gedaan om de navolgende reden.
3.3
[opposant c.s.] heeft vanaf 30 april 2024 tot en met augustus 2025 betalingen aan [geopposeerde] gedaan. Op de betaler ligt de plicht om aan te geven waarop een betaling betrekking heeft. Het is dus aan [opposant c.s.] om bij haar betalingen aan te geven of die betalingen zijn gedaan ten behoeve van de geldlening of de huurachterstand. Bij de eerste betalingen heeft [opposant c.s.] dat gedaan. Blijkens de bankafschriften die [opposant c.s.] in het geding heeft gebracht, heeft [opposant c.s.] bij de betalingen op 30 april 2024, 3 juni 2024 en
2 juli 2024 respectievelijk de omschrijvingen
huurachterstand nr 1, huurachterstand nr 2en
huurachterstand nr 3gezet. Bij de betalingen die [opposant c.s.] vervolgens elke maand doet ontbreekt een omschrijving. [geopposeerde] mocht er door de omschrijving die er aan de betalingen was gegeven vanuit gaan dat [opposant c.s.] de betalingen deed ter aflossing van de huurachterstand. Dat die betalingen bij elkaar opgeteld de maandelijkse termijn van zowel de geldlening als de huurachterstand bedroegen maakt dit niet anders. Als het de bedoeling van [opposant c.s.] was om beide termijnen gelijk te betalen, had zij dat in de omschrijving voor [geopposeerde] duidelijk moeten maken. Het ontbreken van een omschrijving komt in dat kader voor rekening en risico van [opposant c.s.] Bovendien heeft [geopposeerde] aan [opposant c.s.] kenbaar gemaakt dat zij de betalingen in mindering bracht op de huurachterstand. [geopposeerde] heeft naar aanleiding van het verzoek van [opposant c.s.] op 9 november 2025 om een overzicht van de betalingen en de hoogte van de leningen te geven op 10 november 2025 een overzicht aan [opposant c.s.] gestuurd. Dat overzicht is ook als bijlage 3 bij haar conclusie van antwoord in verzet in de procedure gebracht. Uit dat overzicht blijkt dat alle aflossingen die [opposant c.s.] van 30 april 2024 tot en met augustus 2025 heeft gedaan in mindering zijn gebracht op de huurachterstand. [geopposeerde] wijst [opposant c.s.] in de bijgaande e-mail op het overzicht van de betalingen en de resterende huurachterstand en daarnaast op de dagvaarding waarin de volledige geldlening wordt gevorderd. [opposant c.s.] heeft niet gereageerd op deze e-mail. [geopposeerde] heeft [opposant c.s.] ook in november en december 2024 op de geldlening van
€ 4.583,33 gewezen en aangemaand om dat bedrag volledig te voldoen. [opposant c.s.] had volgens haar stelling op dat moment al een aantal betalingen ter aflossing van de geldlening gedaan, maar ook op deze brieven heeft [opposant c.s.] niet gereageerd. [opposant c.s.] heeft niet aan [geopposeerde] kenbaar gemaakt dat [geopposeerde] ten onrechte alle betalingen op de huurachterstand en niet op de geldlening in mindering bracht. [geopposeerde] mocht er dan ook vanuit gaan dat zij de betalingen terecht afloste op de huurachterstand. Van strijd met de substantiëringsplicht is onder deze omstandigheden geen sprake.
3.4
Dit betekent dat de vordering tot betaling van € 4.583,33 aan geldlening toewijsbaar is. De vordering in verzet van [opposant c.s.] zal daarom worden afgewezen. [opposant c.s.] moet het bedrag van de geldlening van € 4.583,33 en de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 705,83 aan [geopposeerde] betalen.
3.5
[opposant c.s.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het verzet betalen. De proceskosten aan de zijde van [geopposeerde] worden begroot op € 678,00 (2 punten x tarief € 339,00).

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
verklaart het verzet ongegrond;
4.2
bekrachtigt het door de kantonrechter op 19 november 2025 onder zaaknummer 11942454 MC EXPL 25-5929 gewezen verstekvonnis;
4.3
veroordeelt [opposant c.s.] in de proceskosten in het verzet van € 678,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op
22 april 2026.
41264