Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2141

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
11824636 \ LC EXPL 25-1641 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 lid 3 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 6:265 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering en ontbinding overeenkomst webhosting en domeinregistratie

Partijen zijn een overeenkomst aangegaan voor technisch onderhoud, webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. [Gedaagde] betaalde niet alle facturen, waarop [eiseres] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbond. De kantonrechter oordeelt dat de ontbinding rechtsgeldig is vanwege de betalingsachterstand en wijst de vordering tot betaling van de openstaande facturen toe.

[Gedaagde] vorderde in reconventie schadevergoeding wegens blokkade van domeinnamen en afgifte van verhuissleutels. De kantonrechter oordeelt dat de blokkade een reactie was op het niet betalen en dat geen wanprestatie van [eiseres] is vastgesteld. Ook de vordering tot afgifte van verhuissleutels wordt afgewezen omdat geen belang is aangetoond en betaling van de openstaande facturen uitblijft.

De wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. [Gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De overeenkomst is buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagde] moet openstaande facturen, rente, incassokosten en proceskosten betalen; schadevergoeding en afgifte verhuissleutels worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11824636 \ LC EXPL 25-1641 AW/1583
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
V.O.F. [eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: N.A.A. Groot,
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.A. de Boer.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek in reconventie
- de akte van [eiseres] .
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] en [gedaagde] zijn een overeenkomst aangegaan op grond waarvan [gedaagde] een abonnement heeft afgenomen voor technisch onderhoud van een website en ook webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting voor zijn bedrijf. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] drie facturen niet betaald. Na vermeerdering van eis vordert [eiseres] betaling van nog een vierde factuur. [eiseres] heeft de overeenkomst bij brief van 8 juli 2025 ontbonden. [eiseres] wil dat [gedaagde] de facturen alsnog betaald. [gedaagde] wil dat [eiseres] de schade die hij heeft geleden doordat [eiseres] de domeinnamen heeft geblokkeerd vergoed. Volgens [gedaagde] bestaat zijn schade uit omzetverlies en reputatieschade. Verder heeft hij kosten moeten maken omdat [eiseres] de verhuissleutels niet wilde afgeven. Hij heeft voor zijn onderneming nieuwe websites moeten laten maken. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] deels toe en de vordering van [gedaagde] af.

3.De beoordeling

in conventie
Wie is partij?
3.1
[eiseres] V.O.F. heeft bij dagvaarding een vordering ingesteld tegen [gedaagde] . Bij repliek heeft [eiseres] te kennen gegeven dat er sprake is van een kennelijke verschrijving in haar naam. Dit moet zijn V.O.F. [eiseres] . [gedaagde] heeft tegen die wijziging geen verweer gevoerd zodat de kantonrechter uitgaat van V.O.F. [eiseres] als degene die de vordering tegen [gedaagde] heeft ingesteld.
Waar gaat het om?
3.2
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan [eiseres] technisch onderhoud aan de website van [gedaagde] verricht en ook webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. [eiseres] heeft daarvoor een drietal facturen aan [gedaagde] verzonden, te weten een factuur op 3 januari 2025 van € 465,85, een factuur op 26 maart 2025 van € 190,33 en een factuur op 24 april 2025 van € 102,79.
De factuur van 3 januari 2025 van € 465,85 (nr. 3644)
3.3
Met betrekking tot de factuur van 3 januari 2025 van € 465,85 erkent [gedaagde] deze verschuldigd te zijn. Volgens [gedaagde] heeft hij echter op 18 april 2025 een bedrag van € 385,00 voldaan. [eiseres] erkent bij dagvaarding op 18 april 2025 een bedrag van € 385,00 te hebben ontvangen. Dit betekent dat een bedrag van € 80,85 voor toewijzing in aanmerking komt.
De factuur van 26 maart 2025 van € 190,33 (nr. 3712)
3.4
Volgens [gedaagde] ziet deze factuur op het abonnement [.] en is dit abonnement per 6 februari 2024 beëindigd. De factuur is ten onrechte verzonden. [eiseres] betwist een opzegging te hebben ontvangen.
3.5
De kantonrechter wil aannemen dat [gedaagde] het abonnement heeft willen opzeggen met de door hem overgelegde brief van 6 februari 2024. Waar het echter om gaat is of [eiseres] die opzegging heeft ontvangen. Immers: artikel 3:37 lid 3 BW Pro bepaalt dat een tot een bepaalde persoon ( [eiseres] ) gerichte verklaring (de opzegging) slechts haar werking heeft, als die verklaring die persoon heeft bereikt. [eiseres] betwist dat zij de opzegging van [gedaagde] heeft ontvangen. Gelet op de algemene regel van het bewijsrecht is het aan [gedaagde] om te bewijzen dat [eiseres] die opzeggingsbrief wel heeft ontvangen. [gedaagde] heeft niet gesteld hoe hij [eiseres] op de hoogte heeft gesteld van de volgens hem gedane opzegging. Zo blijkt uit de brief niet aan wie deze is verzonden en ook niet of deze per email of anderszins is verstuurd. [gedaagde] heeft ook geen bewijs aangeboden van zijn stelling dat de opzegging [eiseres] heeft bereikt. Dit betekent dat er niet vanuit kan worden gegaan dat [eiseres] de opzegging heeft ontvangen. Deze heeft dan ook niet zijn werking gehad. Dit betekent dat de overeenkomst is blijven doorlopen. Nu niet is komen vast te staan dat aan de overeenkomst een einde is gekomen door opzegging, is [gedaagde] de factuur van 26 maart 2025 verschuldigd. [gedaagde] betwist nog dat de factuur hem heeft bereikt. Uit de correspondentie tussen [gedaagde] en [eiseres] moet worden opgemaakt dat [gedaagde] op 12 mei 2025 aan (de gemachtigde van) [eiseres] per email kenbaar heeft gemaakt geen facturen te hebben ontvangen. Op 12 mei 2025 stuurt de gemachtigde van [eiseres] vervolgens alsnog de facturen naar het emailadres van [gedaagde] . [gedaagde] betwist niet deze email te hebben ontvangen. Dat betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat [gedaagde] in ieder geval op 12 mei 2025 de facturen heeft ontvangen, zodat ook dit verweer van [gedaagde] moet worden verworpen. Het bedrag van € 190,33 wordt dan ook toegewezen.
De factuur van 24 april 2025 van € 102,79 (nr. 3748)
3.6
[gedaagde] erkent bij antwoord deze factuur verschuldigd te zijn. Voor zover [gedaagde] bij dupliek betwist deze factuur te hebben ontvangen, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt over het al dan niet ontvangen van factuur 3712. Daarvoor geldt ten aanzien van deze factuur hetzelfde. Dit betekent dat het bedrag van € 102,79 eveneens wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke ontbinding
3.7
Bij brief van 8 juli 2025 heeft [eiseres] de overeenkomst ontbonden per 18 juli 2025. [eiseres] heeft aan [gedaagde] meegedeeld dat de website niet meer actief is en dat hij geen gebruik meer kan maken van de email. Om [gedaagde] de kans te geven een alternatief te zoeken heeft [eiseres] de ontbinding tien dagen na 8 juli 2025 in laten gaan.
3.8
In artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat iedere tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming - gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis - deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
3.9
Voor een rechtsgeldige buitengerechtelijke ontbinding is dus allereerst vereist dat er sprake is van een tekortkoming. Omdat vast is komen te staan dat [gedaagde] gehouden was de facturen te betalen en hij dit niet heeft gedaan, heeft [gedaagde] een betalingsachterstand laten ontstaan zodat er aan de zijde van [gedaagde] sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de betalingsverplichting. Verder is [gedaagde] met betrekking tot deze tekortkoming door [eiseres] in gebreke gesteld.
3.1
Of de tekortkoming van [gedaagde] deze ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt, moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. [gedaagde] heeft een groot deel van de facturen onbetaald gelaten. De betalingsachterstand, waarvan in deze zaak sprake is, is gelet op de omvang van de overeenkomst zodanig dat deze een ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Verder weegt mee dat ook nadat [gedaagde] door [eiseres] is aangesproken, niet is overgegaan tot betaling. Uit een mail van 15 juli 2025 van [gedaagde] aan [eiseres] moet worden opgemaakt dat zijn advocaten hem hebben geadviseerd om een bedrag van € 445,94 onder protest over te maken, maar zelfs dat leidt er niet toe dat [gedaagde] de openstaande facturen voldoet. Ook correspondeert [eiseres] al sinds 2016 met [gedaagde] om haar facturen betaald te krijgen. Het houdt een keer op. De kantonrechter is van oordeel dat de tekortkoming de door [eiseres] ingeroepen ontbinding rechtvaardigt.
3.11
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] de overeenkomst kon ontbinden per 18 juli 2025. De verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden, kan daarom worden toegewezen.
Vermeerdering van eis
3.12
[eiseres] heeft bij dupliek in reconventie haar eis gewijzigd in die zin dat zij haar vordering vermeerderd met een bedrag van € 202,37 vermeerderd met wettelijke handelsrente. Volgens [eiseres] ziet dat bedrag op een factuur van 16 december 2025 voor domeinregistratie vanaf 11 oktober 2025 en zijn daarna ook al termijnen vervallen, maar nog niet gefactureerd. Wat er ook zij van de vermeerdering van eis, de overeenkomst tussen partijen is per 18 juli 2025 buitengerechtelijk ontbonden. De rechtsgrond voor de vorderingen van [eiseres] bestaat dus niet meer. De vordering (de eisvermeerdering) zal daarom worden afgewezen.
Conclusie
3.13
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt in hoofdsom een bedrag van € 373,97 (€ 80,85 + € 190,33 + € 102,79) voor toewijzing in aanmerking.
Wettelijke handelsrente
3.14
Omdat tussen partijen sprake is van een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW is [gedaagde] ook wettelijke handelsrente verschuldigd. Voor de vraag vanaf wanneer hij dat verschuldigd is, moet worden gekeken naar het moment waarop hij in verzuim raakte. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat voor wat betreft de factuur van 3 januari 2025, veertien dagen na 3 januari 2025 en voor wat betreft de andere twee facturen veertien dagen na 12 mei 2025, de datum waarop [gedaagde] de factuur per mail van de gemachtigde van [eiseres] heeft ontvangen. Dit betekent dat het verzuim voor de factuur van 3 januari 2025 is ingetreden op 17 januari 2025 en de andere twee facturen op 26 mei 2025. Vanaf die respectievelijke data is [gedaagde] de wettelijke handelsrente verschuldigd.
Buitengerechtelijke kosten
3.15
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 56,10 worden toegewezen.
Proceskosten
3.16
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
681,23
in reconventie
3.17
[gedaagde] stelt in reconventie dat door de blokkade van de domeinnamen de websites van [gedaagde] onbereikbaar waren. Dit heeft geleid tot omzetverlies en reputatieschade. Verder heeft hij kosten moeten maken omdat [eiseres] de verhuissleutels niet wilde afgeven, waardoor hij nieuwe websites heeft moeten laten maken. [gedaagde] vordert na wijziging van eis afgifte van de verhuissleutels, op straffe van een dwangsom en betaling van € 19.000,00 aan schade, dan wel de schade op te laten maken bij staat.
Schadevergoeding
3.18
Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van een tekortkoming van [eiseres] in de nakoming van de overeenkomst. Dat [gedaagde] onbereikbaar is (geweest) nadat [eiseres] de websites heeft geblokkeerd kan niet leiden tot een geslaagd beroep op wanprestatie. De blokkades waren immers een reactie op het niet betalen van de facturen door [gedaagde] (en niet andersom). Ook heeft [gedaagde] niet gesteld dat hij [eiseres] in gebreke heeft gesteld terwijl dat in beginsel wel vereist is, wil [eiseres] in verzuim komen te verkeren. Daarmee ontbreekt de grondslag van de reconventionele vordering tot schadevergoeding. De vordering van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen.
Verhuissleutels
3.19
Ook de vordering tot afgifte van de verhuissleutels (authcodes) voor de domeinnamen [domeinnaam 1] , [domeinnaam 2] en [domeinnaam 3] wordt afgewezen. [eiseres] heeft bij dupliek aangegeven dat [gedaagde] nimmer opdracht heeft gegeven tot afgifte van de verhuissleutels. Een webdesigner heeft wel contact opgenomen met [eiseres] , maar [eiseres] mag volgens hetgeen gebruikelijk is deze alleen afgeven aan de eigenaar van de website of aan zijn leverancier na een nadrukkelijk verzoek daartoe en [eiseres] is door [gedaagde] niet op de hoogte gebracht. Verder heeft [eiseres] opgemerkt dat er al een andere domeinnaam is geregistreerd.
3.2
Nog los van de vraag of [eiseres] verplicht kan worden om de verhuissleutels af te geven zolang [gedaagde] de facturen van [eiseres] niet heeft betaald, heeft [gedaagde] niet betwist dat er sprake is van andere domeinnamen. Zij heeft nagelaten om aan te geven welk belang zij nog heeft bij de verhuissleutels. Bij gebreke van belang zal dit deel van de vordering eveneens worden afgewezen. Overigens heeft [eiseres] aangegeven dat zij bereid is de gevraagde verhuissleutels (authcodes) af te geven zodra de vordering is voldaan.
Proceskosten
3.21
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op € 87,00 voor salaris gemachtigde (2 punten x 0,5 x 87,00).

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden bij brief van 8 juli 2025,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 373,97, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 80,85 vanaf 17 januari 2025 en over € 293,12 vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 56,10 aan buitengerechtelijke kosten,
4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 681,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.5
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 87,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.