Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2143

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
12028161 \ LC FORM 25-2764
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Verdrag van MontrealArt. 33 Verdrag van MontrealArt. 18 lid 2 Verordening (EU) 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij schadevergoeding vertraagde bagage internationale vlucht

In deze zaak vordert verzoeker schadevergoeding van Finnair wegens vertraagde bagage na een internationale vlucht van Amsterdam via Helsinki naar Hong Kong. Verzoeker baseert haar vordering op artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal en stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is vanwege haar woonplaats en het vertrekpunt van de vlucht.

Finnair betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en beroept zich op artikel 33 van Pro het Verdrag van Montreal, dat de rechtsmacht beperkt tot de woonplaats, hoofdzetel of vestiging van de vervoerder waar de overeenkomst is gesloten, of de plaats van bestemming. De kantonrechter stelt vast dat Finnair is gevestigd in Helsinki en de plaats van bestemming Hong Kong is, terwijl niet is gebleken dat de vervoersovereenkomst via de Nederlandse vestiging is gesloten.

Daarom verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van Finnair, waarbij het salaris van de gemachtigde in het incident wordt vastgesteld en in de hoofdzaak nihil wordt gelaten. De beschikking is gegeven op 22 april 2026.

Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de schadevergoedingsvordering wegens vertraagde bagage.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 12028161 \ LC FORM 25-2764
Beschikking in het incident en de hoofdzaak van 22 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: W. Duker,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
FINNAIR OYJ,
te 01053 Finnair Vantaa (Finland),
verwerende partij,
hierna te noemen: Finnair,
gemachtigde: mr. T. Teke.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vorderingsformulier A bij Verordening (EG) 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen, ter griffie binnengekomen op 18 december 2025, met 6 producties,
- de incidentele conclusie van Finnair, strekkende tot onbevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 19 februari 2026, met 2 producties, en
- de conclusie van antwoord van [verzoeker] in het bevoegdheidsincident, van 10 maart 2026.
1.2
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat een beschikking zal worden gewezen.

2.Kern van het geschil

2.1
[verzoeker] heeft bij Finnair een vlucht van Amsterdam naar Helsinki en van Helsinki naar Hong Kong geboekt. In deze Europese procedure voor geringe vorderingen verzoekt [verzoeker] om schadevergoeding van Finnair omdat haar bagage vertraagd is aangekomen. Finnair vindt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft en verzoekt de Nederlandse rechter om zich onbevoegd te verklaren.

3.De beoordeling in het bevoegdheidsincident

Grondslag van de schadevergoedingsvordering
3.1
[verzoeker] en Finnair hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Finnair zich tegenover [verzoeker] heeft verbonden een vlucht van Amsterdam naar Helsinki, en een vlucht van Helsinki naar Hong Kong uit te voeren. Bij aankomst in Hong Kong kwam [verzoeker] erachter dat haar bagage was vertraagd. Daardoor heeft zij kosten moeten maken. Zij stelt dat Finnair gehouden is deze kosten te vergoeden, op grond van artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal (voluit: het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtverkeer).
De Nederlandse rechter komt geen rechtsmacht toe
3.2
[verzoeker] stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van haar vordering, omdat de vlucht vanuit Nederland vertrok en het ticket in Nederland is gekocht. Daarnaast stelt zij als consument woonplaats te hebben binnen Nederland, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 18 lid 2 van Pro Verordening (EU) 1215/2012 bevoegd is. Finnair betwist dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker] .
3.3
De rechter die over een vordering op grond van artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal beslist, dient haar rechtsmacht vast te stellen aan de hand van artikel 33 van Pro het Verdrag van Montreal. [1] Het eerste lid van dat artikel schrijft voor dat de rechtsvordering tot schadevergoeding ter keuze van de eiser moet worden ingesteld binnen het gebied van een van de staten die partij zijn bij dit verdrag, hetzij (i) voor de rechter van de woonplaats van de vervoerder, of (ii) van de hoofdzetel van diens onderneming of (iii) van de plaats waar hij een vestiging heeft, door de zorg waarvan de overeenkomst is gesloten, hetzij (iv) voor de rechter van de plaats van bestemming.
3.4
De kantonrechter stelt vast dat de vervoerder volgens het vorderingsformulier en het uittreksel uit het handelsregister is gevestigd te Helsinki, Finland. De plaats van bestemming was Hong Kong en was dus evenmin in Nederland gelegen. Weliswaar heeft Finnair een vestiging te Schiphol, in Nederland, maar niet is gebleken dat de vervoersovereenkomst door de zorg van deze vestiging is gesloten. Bij deze stand van zaken is de Nederlandse rechter niet bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
3.5
Omdat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om van deze zaak kennis te nemen.
Proceskosten
3.6
[verzoeker] zal in het incident en in de hoofdzaak worden veroordeeld in de proceskosten van vervoerder. Gelet op de samenhang in het incident en in de hoofdzaak zal het salaris van de gemachtigde in het incident worden vastgesteld op € 217,- en in de hoofdzaak worden gematigd op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
4.1
wijst de vordering in het incident toe;
4.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten van vervoerder, vast te stellen op
€ 217,- aan salaris gemachtigde en € 108,50,- aan nakosten, beiden voor zover van toepassing, inclusief btw, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening, als [verzoeker] niet tijdig aan de proceskosten veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
4.4.
verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;
4.5.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, vast te stellen op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.HvJ EU 7 november 2019, C-213/18, ECLI:EU:C:2019:927 (