ECLI:NL:RBMNE:2026:2148

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
11907101 \ MC EXPL 25-5286
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:61 lid 2 BWArt. 6:82 BWArt. 6:87 BWArt. 6:96 lid 2 onder b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding gebreken tuinwerkzaamheden wegens aannemingsovereenkomst en verzuim

Eiser vordert schadevergoeding wegens ondeugdelijk uitgevoerde tuinwerkzaamheden door gedaagde. Gedaagde betwist dat zij contractspartij is en voert aan dat de overeenkomst met haar partner is gesloten. De kantonrechter oordeelt dat eiser gerechtvaardigd mocht vertrouwen op gedaagde als contractspartij, mede door communicatie via werkspot.nl en aanwezigheid van gedaagde tijdens uitvoering.

Er is vastgesteld dat de tuinwerkzaamheden gebreken vertonen, zoals losliggende tegels en onregelmatige voegbreedte, bevestigd door een deskundigenrapport en door de uitvoerder namens gedaagde. Gedaagde is in verzuim geraakt door nalaten herstel na ingebrekestellingen.

Eiser vordert vervangende schadevergoeding, die wordt vastgesteld op basis van het deskundigenrapport (€3.963,50). Daarnaast worden expertisekosten (€1.589,09), buitengerechtelijke incassokosten (€521,35) en proceskosten (€1.270,71) toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen met wettelijke rente en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding van schade, expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten wegens gebrekkige uitvoering tuinwerkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11907101 \ MC EXPL 25-5286
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje.
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 18 september 2025,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1
[eiser] vordert een schadevergoeding van [gedaagde] , omdat de werkzaamheden aan de tuin ondeugdelijk zijn uitgevoerd. [gedaagde] vindt dat [eiser] zich tot de verkeerde partij heeft gewend. Volgens [gedaagde] is er geen aannemingsovereenkomst tussen [eiser] en haar tot stand gekomen, maar tussen [eiser] en [A] (de partner van [gedaagde] ). Als de rechtbank oordeelt dat er wel een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, dan voert [gedaagde] aan dat de gevorderde schadevergoeding afwijkt van de door de deskundige begrote herstelkosten.
2.2
De kantonrechter oordeelt dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen is, omdat [eiser] erop mocht vertrouwen dat [gedaagde] haar contractspartij was. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van gebreken. [gedaagde] moet de schade van [eiser] tot een bedrag van € 3.963,50 inclusief btw vergoeden. [gedaagde] moet ook de expertisekosten van € 1.589,09, de buitengerechtelijke kosten van € 521,35 en de proceskosten van [eiser] vergoeden.

3.De beoordeling

De overeenkomst is tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand gekomen
3.1
De eerste vraag is of er een rechtsgeldige overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen. Dit wordt door [gedaagde] betwist. [gedaagde] betoogt dat [A] niet namens [gedaagde] heeft gehandeld, maar dat hij het voorstel richting [eiser] op persoonlijke titel heeft gedaan.
3.2
De tekst van artikel 3:61 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) brengt mee dat in beginsel degene in wiens naam is gehandeld, hier [gedaagde] , zelf de schijn van een toereikende volmacht moet hebben gewekt. Voor toerekening aan [gedaagde] kan daarnaast plaats zijn als [gedaagde] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.
3.3
Het contact tussen [eiser] en [gedaagde] is via werkspot.nl tot stand gekomen. [A] , de partner van [gedaagde] , is bij [eiser] langs geweest om de tuin in te meten. Op 31 maart 2024 heeft [eiser] een offerte van [gedaagde] ontvangen. Vervolgens heeft [eiser] een tegenvoorstel gedaan. Op 14 april 2024 heeft [gedaagde] aanboden het werk voor € 1.500,- exclusief btw te verrichten, waarbij [eiser] de tegels en materialen zou bestellen. Op 15 april 2024 heeft [A] telefonisch contact met [eiser] opgenomen en voorgesteld om de werkzaamheden zonder factuur uit te voeren, in ruil voor korting ter hoogte van de btw.
3.4
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde] haar contractspartij was. [gedaagde] heeft op dinsdag 26 maart 2024 via Werkspot uit naam van [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat een stratenmaker/hovenier bij [eiser] langs zou komen om een vrijblijvende offerte te maken. Vervolgens hebben [eiser] en [gedaagde] per e-mail contact gehad over de offerte. Het enkele feit dat [A] vervolgens telefonisch het finale voorstel heeft gedaan, ontslaat [gedaagde] niet van aansprakelijkheid. Doordat de communicatie bij de totstandkoming van de opdracht zowel met [A] als met [gedaagde] plaatsvond, mocht [eiser] er op vertrouwen dat [A] [gedaagde] rechtsgeldig vertegenwoordigde. Daarbij komt dat [gedaagde] heeft bevestigd dat zij op een van de werkdagen bij [eiser] langs is geweest om de lunch van [A] te brengen. Hieruit volgt dat [gedaagde] er tijdens het werk ook van op de hoogte was dat [A] de klus voor [eiser] uitvoerde. Door op het werk te verschijnen, heeft [eiser] ook tijdens het uitvoeren van de opdracht de schijn gewekt dat [A] een toereikende volmacht had om de overeenkomst te sluiten. De conclusie is dat er een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen.
Er is sprake van gebreken
3.5
In het rapport van het rapport van [deskundige] (productie 17 bij dagvaarding) staat dat sprake is van onregelmatige voegbreedte, voegen die loslaten, losliggende tegels die bewegen, ruim genomen zaagwerk, niet secuur afgesneden kunstgras en een gebroken en een oud opsluitbandje. [gedaagde] heeft deze gebreken niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. De kantonrechter stelt daarom vast dat het geleverde werk in de achtertuin de gebreken bezit die [deskundige] in het rapport heeft opgesomd. [A] , die de werkzaamheden namens [gedaagde] heeft uitgevoerd, heeft op 27 mei 2024 overigens zelf ook bevestigd dat de tegels los zaten en dat het hersteld moest worden.
[gedaagde] verkeert in verzuim
3.6
[eiser] heeft diverse ingebrekestellingen aan [gedaagde] gestuurd. Het gaat om e-mails van 19 juni 2025, 21 juni 2025, 12 juli 2024 en 9 augustus 2024 aan het e-mailadres van [gedaagde] . Daarin heeft [eiser] aan [gedaagde] de gelegenheid gegeven om de tuin deugdelijk te herstellen. [A] zou eerst op 29 juni 2024 en toen op 6 juli 2024 langskomen om het werk aan de tuin te herstellen. Uiteindelijk is hij niet komen opdagen.
3.7
[eiser] heeft [gedaagde] schriftelijk in gebreke gesteld en een redelijke termijn gegeven om haar verplichtingen alsnog na te komen. Nakoming door [gedaagde] is uitgebleven. Dit betekent dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren (artikel 6:82 BW Pro). Het verzuim is op 14 dagen na de eerste schriftelijke ingebrekestelling van 19 juni 2024, dus op 3 juli 2024, ingetreden.
Vervangende schadevergoeding
3.8
[eiser] vordert een vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 BW Pro). Daarvoor is vereist dat de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij een schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Aan deze vereisten heeft [eiser] voldaan. Het verzuim is op 3 juli 2024 ingetreden en [eiser] heeft op 20 mei 2025 een omzettingsverklaring aan [gedaagde] gestuurd (productie 19).
De hoogte van de schade
3.9
[eiser] vordert € 9.107,97 aan kosten voor herstel door een derde. [eiser] verwijst naar de offerte van [bedrijf] (hierna [bedrijf] ). [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van de schade. [gedaagde] wijst erop dat de herstelkosten in het deskundigenrapport op slechts € 3.963,50 worden begroot.
[gedaagde] vindt dat de offerte van [bedrijf] zonder motivering afwijkt van de begrote herstelkosten. Er worden materialen in rekening gebracht die niet in het deskundigenrapport voorkomen.
3.1
Het rapport van [deskundige] is het uitgangspunt voor de vaststelling van de gebreken. De gebreken die [deskundige] heeft geconstateerd, die moeten worden hersteld. [gedaagde] voert terecht aan dat de offerte van [bedrijf] rekent met grotere hoeveelheden dan wat op basis van het rapport van [deskundige] nodig is. Zo brengt [bedrijf] 10 stuks opsluitband in rekening, terwijl [deskundige] 2 stuks rekent. [deskundige] gaat uit van 8 vierkante meter nieuwe tegels voor zaagwerk, terwijl [bedrijf] 16 vierkante meter rekent. Omdat er geen eenheidsprijzen op de offerte van [bedrijf] staan, kunnen de herstelkosten niet worden gecorrigeerd naar de hoeveelheden die [deskundige] voor het herstel heeft begroot. Dit betekent dat de herstelkosten niet op basis van de offerte van [bedrijf] kunnen worden vastgesteld. De kantonrechter gaat daarom uit van de schadebegroting van [deskundige] van € 3.963,50 inclusief btw.
3.11
Omdat [gedaagde] vanaf 3 juli 2024 in verzuim verkeert, is zij vanaf dat moment de wettelijke rente over de schade verschuldigd tot de dag van volledige betaling.
De expertisekosten
3.12
[eiser] vordert € 1.589,09 aan expertisekosten (productie 18 bij dagvaarding). Dit zijn redelijke kosten die heeft [eiser] heeft gemaakt om de schade en aansprakelijkheid vast te stellen. Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW moet [gedaagde] deze kosten vergoeden.
3.13
[eiser] heeft niet gesteld vanaf welk moment [gedaagde] met de betaling van de expertisekosten in verzuim verkeert. Daarom is [gedaagde] de wettelijke rente over de expertisekosten vanaf de dag van de dagvaarding (18 september 2025) verschuldigd tot de dag van volledige betaling.
De buitengerechtelijke kosten
3.14
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 881,97. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Op basis van de toewijsbare hoofdsom zal een bedrag van € 521,35 worden toegewezen.
De proceskosten
3.15
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.270,71
3.16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.963,50 aan schadevergoeding aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 3 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.589,09 aan expertisekosten [eiser] te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 18 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 521,35 aan buitengerechtelijke kosten,
4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.270,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
PM/45352