Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van 17 december 2025;
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak vordert een energieleverancier betaling van openstaande rekeningen van een consument op grond van een vermeende energieovereenkomst. De consument betwist dat er een geldige overeenkomst tot stand is gekomen en wijst op schending van de waarheidsplicht door de eiser.
De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst telefonisch tot stand is gekomen, waardoor het schriftelijkheidsvereiste van artikel 6:230v lid 6 BW van toepassing is. De eiser heeft dit vereiste niet nageleefd omdat de consument niet schriftelijk heeft ingestemd met het aanbod. Hierdoor is de overeenkomst nietig op grond van artikel 3:39 BW Pro en hoeft de consument niet te betalen.
Daarnaast faalt het beroep van de eiser op ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad, omdat ongevraagde levering van energie niet leidt tot betalingsverplichting volgens artikel 7:7 lid 2 BW Pro. De eiser heeft bovendien de waarheidsplicht geschonden door onjuiste informatie in de dagvaarding te verstrekken over de wijze van totstandkoming van de overeenkomst.
De kantonrechter wijst de vordering af, veroordeelt de eiser in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering van de energieleverancier wordt afgewezen wegens niet-naleving van het schriftelijkheidsvereiste en schending van de waarheidsplicht.