Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2155

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
11615563 \ MC EXPL 25-1786PM/45352
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over aansprakelijkheid voor val in werkkuil bij gezondheidscentrum

Op 20 februari 2023 is eiser gevallen in een werkkuil bij het gezondheidscentrum waar gedaagde werkzaamheden verrichtte. Eiser stelt dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door de kuil onbeheerd en zonder afzetting of waarschuwingsborden achter te laten, waardoor gevaarzetting ontstond. Gedaagde betwist dit en stelt dat het werkterrein duidelijk was afgezet en dat eiser het terrein via een afgesloten zijde betrad.

De kern van het geschil betreft de feitelijke toedracht van het ongeluk, met name de zijde van het terrein waar eiser het gezondheidscentrum betrad. Eiser beweert vanaf de Oostzijde te zijn gekomen via een vrije toegankelijke route, terwijl gedaagde stelt dat eiser vanaf de Westzijde, die was afgezet, kwam. Diverse getuigen verklaren dat het werkterrein adequaat was afgezet en dat een veilige route beschikbaar was.

De kantonrechter oordeelt dat eiser de stelplicht en bewijslast draagt om aan te tonen dat hij het terrein vanaf de Oostzijde betrad. Eiser krijgt de gelegenheid om bewijs te leveren, waaronder het overleggen van stukken en het horen van getuigen. De zaak wordt aangehouden en op 13 mei 2026 zal worden bepaald hoe het bewijs wordt geleverd. Het getuigenverhoor zal plaatsvinden in juli-oktober 2026, waarna verdere beslissingen volgen.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en eiser krijgt gelegenheid bewijs te leveren over de feitelijke toedracht van zijn val in de werkkuil.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11615563 \ MC EXPL 25-1786 PM/45352
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.I. van der Winden,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1
[eiser] vordert een schadevergoeding van [gedaagde] . [eiser] heeft letsel opgelopen doordat hij in een werkkuil is gevallen. [eiser] stelt [gedaagde] , de aannemer die de werkzaamheden verrichte, aansprakelijk voor zijn schade. Volgens [eiser] is sprake van een onrechtmatige daad door [gedaagde] , omdat zij een gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. [gedaagde] vindt dat haar niets kan worden verweten, omdat het werkterrein voldoende duidelijk was afgebakend.
1.2
Dit vonnis is een tussenvonnis. De kantonrechter kan op dit moment nog geen definitief oordeel geven, omdat partijen het oneens zijn over de (feitelijke) toedracht van het ongeluk. Het ligt op de weg van [eiser] om te bewijzen dat [eiser] het terrein vanaf de Oostzijde betreden heeft en dat de toegang vrij, dus zonder wegversperring, toegankelijk was. Daartoe zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 11 maart 2025,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2025,
- de akte van [gedaagde] ,
- de antwoordakte van [eiser] .
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
3.1
[eiser] ging op 20 februari 2023 bij het Gezondheidscentrum Opmaat langs om een tromboseprik te halen. Op dat moment was [gedaagde] bij de ingang van het gezondheidscentrum bezig met werkzaamheden aan de straat. [eiser] is over een strook van twee tegels breed naar de ingang gelopen. Naast de tegels was een kuil van meer dan 50 cm diep. [eiser] liep met zijn rug naar de muur om een kastje te ontwijken dat aan de muur van het gezondheidscentrum bevestigd is. Toen [eiser] zich terug omdraaide in de richting van het gezondheidscentrum, is hij in de kuil gevallen.
De kern van de zaak
3.2
De vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden doordat hij in de werkkuil is gevallen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door de werkkuil onbeheerd achter te laten, zonder dat deze was afgezet of dat er waarschuwingsborden stonden om mensen te waarschuwen voor het risico om erin te vallen. [eiser] vindt dat sprake is van gevaarzetting. Dit wordt door [gedaagde] gemotiveerd weersproken.
Het juridisch kader
3.3
Of sprake is van onrechtmatige gevaarzetting die tot schade heeft geleid, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en de gezichtspunten die de Hoge Raad in het Kelderluikarrest heeft geformuleerd. [1] Samengevat houden de gezichtspunten in dat moet worden beoordeeld hoe waarschijnlijk de onoplettendheid of onvoorzichtigheid van de ander is, hoe groot de kans is dat daardoor een ongeval ontstaat, wat de ernst is van de mogelijke gevolgen van zo’n ongeval en in hoeverre het bezwaarlijk is om veiligheidsmaatregelen te nemen.
[eiser] krijgt de gelegenheid om zijn stellingen te bewijzen
3.4
Om te beoordelen of [gedaagde] een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd, zal eerst de toedracht van het ongeluk moeten worden vastgesteld. De standpunten van partijen daarover staan lijnrecht tegenover elkaar.
3.5
[eiser] zegt dat hij omstreeks 8:30 uur in de ochtend vanaf de school van zijn dochter naar het gezondheidscentrum liep. Hij zegt het terrein te hebben betreden vanaf de Oostzijde, via het Strawinskypad en Messiaenplanstoen. Rond 8:40 uur kwam hij bij het gezondheidscentrum aan. Volgens [eiser] was er geen wegversperring en ook geen (alternatieve) looproute aangegeven. De stoeptegels waarover [eiser] de ingang probeerde te bereiken, waren vrij toegankelijk. [eiser] verwijst naar de foto die hij de dag na het ongeluk heeft gemaakt (productie 1 bij de dagvaarding). Op die foto is een strook van twee stoeptegels te zien. De werkkuil is inmiddels dichtgegooid met zand.
3.6
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] het terrein via de Westzijde, vanaf de kant van het winkelcentrum, betreden. [gedaagde] heeft bij zijn mondelinge antwoord aangevoerd dat het terrein vanaf die zijde was afgezet met een hek. [gedaagde] heeft daarbij de rechter gewezen op de tekening die zij toen als productie (3) in het geding heeft gebracht. Op aangeven van [gedaagde] heeft de rechter in de tekening aangegeven waar het hek en waar de schildjes stonden. Het hek en de schildjes stonden bij wijze van versperring rechts van de ingang van het gezondheidscentrum. Ook aan de zijkant van de nieuwe stoep links van de ingang stonden schildjes. Die gaven een veilige looproute naar het gezondheidscentrum aan. [gedaagde] heeft aldus toegelicht dat [eiser] het hekwerk en de schildjes aan de rechterzijde van de ingang genegeerd heeft en het hem duidelijk had moeten zijn dat hij daar niet mocht komen. [eiser] koos voor een smalle doorgang langs de gevel, terwijl er aan de linker zijde van het gezondheidscentrum een veilige route beschikbaar was. [gedaagde] verwijst naar verklaringen van drie getuigen:
[A] (kraanmachinist) verklaart onder andere:
“Ik stond onderin de sleuf samen met [B] . (…) Ja alles was duidelijk aangegeven door schildjes en afzethekken. (…) De meneer kwam vanaf het winkelcentrum en hoefde niet langs de kast aan de linkerkant. Hij ging met zijn rug langs de rechterzijde van de ingang waar het medicijnkastje in de muur zit.”
[C] (grondwerker) verklaart onder andere:
“De heer [eiser] kwam die dag vanaf de kant van het winkelcentrum aangelopen. (…) Het werkvlak was duidelijk afgezet d.m.v. ‘schrikhekken’ en schildjes. Aan de linkerkant was een stabiele looproute aangelegd hierdoor was het medisch centrum goed en veilig te bereiken voor zowel voetgangers, rolstoelen en rollators.”
[D] (toezichthouder) verklaart onder andere:
“(…) Vanaf de rechterkant was de ingang eigenlijk niet bereikbaar, we wilde het gezondheidscentrum van de linkerkant bereikbaar houden maar het gezondheidscentrum vond van 1 kant te weinig en wilde ook recht voor de deur bereikbaar zijn omdat het hier gaat om een druk gezondheidscentrum, vonden zij 1 kant te weinig. (…) Er lag nog een pad langs de gevel waar meneer gebruik van heeft gemaakt om daar te komen moet je wel door een werk vak, ik denk dat meneer al zover was doorgelopen dat teruggaan geen optie meer was en het laatste stuk naar de deur voorlief heeft genomen.
[E] (DGA en voorman ter plekke) verklaart onder andere:
“De heer [eiser] kwam van recht vanaf het winkelcentrum. (…)”
3.7
Het staat vast dat [eiser] in een werkkuil gevallen is en zich daarbij heeft bezeerd. De vraag die moet worden beantwoord, is of er ten aanzien van de werkkuil waar [eiser] in gevallen is, en de mogelijke aanwijzingen daarbij, sprake was van gevaarzetting. Op grond van artikel 150 Rv Pro rust op [eiser] de stelplicht en eventueel de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een gevaarlijke situatie te creëren. Omdat [gedaagde] de stellingen van [eiser] gemotiveerd heeft betwist, staat de juistheid van de stellingen van [eiser] en daarmee de toedracht van het ongeval (nog) niet vast. De kern van het geschil over de feiten betreft de zijde van het gezondheidscentrum waarlangs [eiser] naar het gezondheidscentrum is gelopen. [eiser] stelt dat hij via de toegankelijke Oostzijde aan kwam lopen. [gedaagde] heeft dit bestreden en gesteld dat hij van de afgesloten Westzijde aan kwam lopen. Het ligt op de weg van [eiser] om te bewijzen dat hij het terrein vanaf de Oostzijde, via het Strawinskypad en het Messiaenplanstoen, betreden heeft. Daartoe zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld.
Het vervolg
3.8
De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen waarop partijen zich kunnen uitlaten over de wijze waarop zij bewijs en tegenbewijs willen leveren. Indien [eiser] of [gedaagde] respectievelijk het bewijs en het tegenbewijs (mede) wensen te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dienen zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien partijen het (tegen)bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, dienen zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen waarbij er naar gestreefd wordt alle getuigen van beide partijen op één dag te horen.
3.9
Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon, en in het geval van [gedaagde] rechtsgeldig vertegenwoordigd, aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.
3.1
De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 40 minuten zal duren. Als [eiser] en [gedaagde] verwachten dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen aktes worden vermeld.
3.11
Partijen moeten er rekening mee houden dat de kantonrechter aansluitend aan het getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan houden om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.
3.12
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van bewijslevering.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
draagt [eiser] op om te bewijzen dat hij het terrein vanaf de Oostzijde, via het Strawinskypad en Messiaenplanstoen, betreden heeft,
4.2
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 13 mei 2026voor uitlating door [eiser] en [gedaagde] of zij (tegen)bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
4.3
bepaalt dat, als [eiser] en [gedaagde] geen (tegen)bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
4.4
bepaalt dat, als [eiser] en [gedaagde]
getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
juli 2026tot en met
oktober 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
4.5
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. H.M.M. Steenberghe,
4.6
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
4.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op
22 april 2026.

Voetnoten

1.HR 5 november 1965, ECLI:NL:AB7079.