Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2158

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
11799564 \ UC EXPL 25-5925
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 CMRArtikel 1 lid 1 CMRArtikel 31 lid 1 sub b CMRArtikel 4 Verordening (EU) nr. 1215/2012Artikel 10 Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding voor zoekgeraakt Rolex horloge bij DHL, verstekvonnis tegen mede-gedaagde

Eiser verkocht een Rolex horloge en liet dit via een DHL servicepunt versturen naar een koper in het Verenigd Koninkrijk. Het pakket raakte zoek. Eiser vorderde schadevergoeding van €9.952,00 van DHL en een mede-gedaagde partij. DHL betwistte dat het horloge in het pakket zat en stelde slechts aansprakelijk te zijn voor €30,54.

De kantonrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van het CMR-verdrag en aanvullend Nederlands recht. Uit de procedure bleek dat eiser de waarheidsplicht schond door een bewerkt track en trace bewijsstuk als authentiek te presenteren, waardoor niet is komen vast te staan dat het horloge daadwerkelijk in het pakket zat.

Daarom werden de vorderingen tegen DHL afgewezen. Tegen de mede-gedaagde, die niet is verschenen, werd verstek verleend en werd zij veroordeeld tot betaling van €10.796,25 aan eiser. Eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van DHL, en de mede-gedaagde tot betaling van de proceskosten van eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering tegen DHL afgewezen wegens gebrek aan bewijs, vordering tegen mede-gedaagde toegewezen wegens verstek.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11799564 \ UC EXPL 25-5925
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] , Mali,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. Wagenmakers,
tegen

1.DHL ECOMMERCE (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd in Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DHL,
gemachtigde: mr. T. Giesbertz,
2.
[gedaagde sub 2] B.V., MEDE HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2025 met producties 1 tot en met 8,
- de conclusie van antwoord van 17 september 2025 met producties 1 en 2,
- de brieven aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aanvullende producties 9 en 10 van [eiser] , overgelegd bij brief van 12 januari 2025,
- de akte overlegging productie van DHL van 13 januari 2025 met productie 3.
1.2
Op 26 januari 2025 heeft er een mondelinge behandeling (hierna ook te noemen: de zitting) plaatsgevonden. Hierbij was [eiser] via een beeld- en audioverbinding (te weten: Microsoft Teams) aanwezig. De gemachtigde van [eiser] , mr. J. Wagenmakers, en de heer [A] waren ook aanwezig. Namens DHL waren mevrouw [B] ( [functie 1] ), mevrouw [C] ( [functie 2] ) en haar gemachtigde, mr. T. Giesbertz, aanwezig. Namens [gedaagde sub 2] is niemand verschenen.
[eiser] en DHL hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Tijdens de zitting heeft [eiser] zijn vordering verminderd door de gevorderde verklaringen van recht in te trekken.
1.4
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft een horloge van het merk Rolex (hierna te noemen: het horloge) voor € 9.952,00 verkocht via de website [website] . De koper van het horloge woont in het Verenigd Koninkrijk. [eiser] stelt het volgende. [eiser] wilde dit horloge naar de koper laten versturen door DHL. Een vriend van [eiser] , de heer [A] (hierna: [A] ), heeft daarom het horloge op 30 november 2024 bij het DHL servicepunt van [gedaagde sub 2] afgeleverd om het te laten verzenden. Het pakket is vervolgens zoekgeraakt. [eiser] zegt dat dit de schuld is van DHL en/of [gedaagde sub 2] en wil daarom dat DHL en/of [gedaagde sub 2] hem een schadevergoeding van € 9.952,00 betaalt. DHL betwist dat het horloge in het pakket zat en zegt dat zelfs als dit wel zo is, zij maar een schadevergoeding van € 30,54 zou hoeven te betalen. De kantonrechter oordeelt dat DHL niets aan [eiser] hoeft te betalen. [gedaagde sub 2] is niet verschenen in de procedure. De kantonrechter heeft daarom verstek tegen haar verleend en oordeelt dat zij wel een schadevergoeding van € 9.952,00 aan [eiser] moet betalen.

3.De beoordeling

De Nederlandse rechter is bevoegd
3.1
[eiser] , die in Mali woont, stelt dat partijen een overeenkomst van internationale goederenvervoer hebben gesloten. Daarom moet de kantonrechter eerst beoordelen of zij als Nederlandse rechter bevoegd is om over deze zaak te beslissen en welk recht zij moet toepassen, voordat zij toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.
3.2
De Nederlandse rechter is bevoegd om een beslissing te nemen in dit geschil.
3.2.1
Volgens [eiser] hebben partijen een overeenkomst gesloten op grond waarvan DHL het pakket over de weg [1] zou vervoeren van Nederland naar het Verenigd koninkrijk. Hij zegt daarom dat het CMR [2] dwingendrechtelijk van toepassing is, omdat Nederland bij het verdrag is aangesloten. [3] Het CMR is een verdrag dat regels geeft voor overeenkomsten van goederenvervoer wanneer er goederen van het ene naar het andere land vervoerd worden en minstens één van deze twee landen lidstaat is bij het verdrag. [4] In dit geval dus van Nederland (lidstaat) naar het Verenigd Koninkrijk.
3.2.2
Uit het CMR volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om uitspraak te doen in deze zaak, als vast staat dat partijen zijn overeengekomen dat het pakket verstuurd zou worden naar het Verenigd Koninkrijk. [5] DHL betwist dat partijen dat zijn overeengekomen omdat DHL niet naar het Verenigd Koninkrijk vervoert. Daarmee betwist zij dus ook dat het CMR van toepassing is. Toch verandert dat het antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is niet. Ook wanneer de kantonrechter met de betwisting van DHL mee zou gaan, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen. DHL is namelijk gevestigd in Nederland en moet daarom op grond van de Brussel I bis verordening [6] worden opgeroepen voor een Nederlandse rechter.
Bij de beoordeling moet de kantonrechter het CMR en aanvullend Nederlands recht toepassen
3.3
Om te beoordelen welk recht van toepassing is, moet de kantonrechter eerst beoordelen of partijen een internationale vervoersovereenkomst hebben gesloten of niet. Wanneer dit niet zo is, kan het CMR namelijk niet van toepassing zijn. Deze voorvraag moet worden beoordeeld aan de hand van het recht dat van toepassing zou zijn wanneer de internationale vervoersovereenkomst tot stand zou zijn gekomen. [7] Dat is in dit geval het CMR. Maar, het CMR geeft geen regels aan de hand waarvan bepaald kan worden of het de bedoeling was van partijen om het pakket internationaal te versturen of niet. In de Algemene Vervoersvoorwaarden bij de overeenkomst hebben partijen een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht als aanvullend recht. [8] De kantonrechter beoordeelt daarom aan de hand van Nederlands recht of er een internationale vervoersovereenkomst tot stand is gekomen of niet. Hierbij moet in eerste instantie uitgegaan worden van de stellingen van de eisende partij, [eiser] . Wanneer deze stellingen door de gedaagde partij, DHL, betwist worden, moet dit meegenomen worden in de beoordeling, maar in dit voorstadium wordt er niet toegekomen aan bewijslevering. [9]
3.4
De overeenkomst tussen [eiser] en DHL is tot stand gekomen bij het servicepunt van [gedaagde sub 2] , toen [A] het pakket overhandigde aan een medewerker van [gedaagde sub 2] om te laten verzenden. Volgens [eiser] heeft [A] hierbij tegen de medewerker gezegd dat hij het pakket naar het Verenigd Koninkrijk wilde versturen. Dit is niet door DHL betwist. De medewerker heeft vervolgens het pakket aangenomen. Maar, volgens DHL kon [eiser] geen pakket laten versturen naar het Verenigd Koninkrijk vanuit het DHL servicepunt van [gedaagde sub 2] . Dit kan bij het concern DHL alleen via DHL Express. Het servicepunt van [gedaagde sub 2] is een DHL eCommerce servicepunt. [eiser] kon dit echter niet weten. Volgens hem kan iemand die een pakket wil versturen niet weten of een servicepunt een DHL Express of DHL eCommerce servicepunt is, zonder daar door een medewerker van het servicepunt op gewezen te worden. Niet is komen vast te staan dat de medewerker van [gedaagde sub 2] [A] bij het afleveren van het pakket op heeft gewezen dat het servicepunt een DHL eCommerce servicepunt was en, belangrijker nog, dat het pakket niet vanaf dat servicepunt naar het Verenigd Koninkrijk gestuurd kon worden. Anders had hij het pakket namelijk niet aangenomen. Dat betekent dat [A] , namens [eiser] , bij het aangaan van de overeenkomst er vanuit mochten gaan dat het pakket naar het Verenigd Koninkrijk verstuurd zou worden. Er is daarom sprake van een internationale vervoersovereenkomst waarop het CMR van toepassing is. Het Nederlandse recht is, zoals hiervoor opgemerkt, aanvullend (dat wil zeggen: voor zover het CMR geen regels geeft) van toepassing omdat partijen hier een rechtskeuze voor gemaakt hebben.
3.5
Op de wijze van procederen voor de Nederlandse rechter is het Nederlands recht van toepassing. [10]
Vorderingen tegen DHL
In het pakket/de doos zat geen horloge
3.6
Het grootste discussiepunt tussen [eiser] en DHL betreft de inhoud van het pakket/de doos [11] . Volgens [eiser] zat in het pakket/de doos een horloge dat hij eerder voor € 9.952,00 heeft verkocht. DHL zegt dat dit niet zo is. Deze stellingen staan recht tegenover elkaar. Hetzelfde geldt voor de motivering en de onderbouwing van deze stellingen. DHL stelt bijvoorbeeld dat de medewerker van [gedaagde sub 2] die het pakket/de doos in ontvangst heeft genomen niet wist wat er in het pakket/de doos zat, terwijl [eiser] stelt dat [A] met deze medewerker heeft besproken dat hij een horloge wilde opsturen. DHL stelt ook dat deze medewerker tape van DHL over de doos heeft geplakt omdat de doos van [A] stuk was, terwijl [eiser] stelt dat [A] deze doos van de medewerker van DHL heeft gekregen. [eiser] heeft onder meer foto’s overgelegd die [A] heeft gemaakt van de kartonnen doos op de balie van de [gedaagde sub 2] én het horloge in het Rolex doosje. Maar, DHL voert aan dat [A] juist geen foto van het horloge in de doos die [A] volgens [eiser] van [gedaagde sub 2] heeft gekregen, heeft gemaakt.
3.7
De kantonrechter onderschrijft de stelling van DHL. Zij oordeelt dat het pakket/de doos géén horloge bevatte. [eiser] heeft de waarheidsplicht geschonden, waardoor hij niet in zijn stelling dat er in het pakket/de doos een horloge zat, kan worden gevolgd. [eiser] heeft, zo stelt hij, een track en trace bewijs van de verzending van DHL overgelegd als productie. [12] Mevrouw [B] , [functie 1] van DHL, heeft tijdens de zitting weersproken dat dit track en trace bewijs een track en trace van DHL is. Zij heeft tijdens de zitting toegelicht dat een track en trace van DHL er niet zo maar anders uitziet en dat deze track en trace een screenshot lijkt te zijn van iets anders dat bewerkt is. [eiser] heeft hier niet op gereageerd. Dat betekent dat hij deze stelling van DHL niet heeft betwist en dat dus vast is komen te staan, dat [eiser] een track en trace bewijs heeft overgelegd en aan de kantonrechter heeft gepresenteerd als ware dit een track en trace bewijs van DHL terwijl dat niet van DHL afkomstig is en door [eiser] is gefabriceerd.
3.8
Uit de wet volgt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Doen partijen dat niet, dan mag de kantonrechter daar de gevolgtrekking uit maken die zij geraden acht. [13] Doordat [eiser] een niet van DHL afkomstige, bewerkte track en trace bewijs heeft overgelegd en aan de kantonrechter heeft gepresenteerd als ware dit een van DHL afkomstige track en trace bewijs, heeft hij gehandeld in strijd met de op hem rustende waarheidsplicht. Deze schending doet sterk afbreuk aan de juistheid van alle stellingen van [eiser] over het aanbieden van het horloge ter verzending en de inhoud van het pakket/de doos; dus ook aan zijn stelling dat [A] het horloge in het pakket/de doos die bij [gedaagde sub 2] is afgegeven, heeft gestopt. Het is daarom niet komen vast te staan dat een horloge in het pakket/de doos zat.
De vorderingen van [eiser] op DHL worden afgewezen
3.9
Omdat niet is komen vast te staan dat er een horloge in het pakket/de doos zat, hoeft DHL niet de gevorderde schadevergoeding aan [eiser] te betalen voor het gesteld kwijtraken van het horloge. Zowel op grond van de primair door [eiser] gestelde wanprestatie als op grond van de subsidiair gestelde onrechtmatige daad niet. Er is namelijk geen schade geleden door [eiser] .
3.1
Naast een schadevergoeding vordert [eiser] ook ontbinding van de overeenkomst tussen hem en DHL. Hij vordert echter geen teruggave van de inhoud van het pakket.
[eiser] heeft daarom geen voldoende belang [14] bij de vordering tot ontbinding en daarom wordt deze vordering afgewezen.
3.11
Uit het voorgaande volgt dat alle vorderingen van [eiser] op DHL worden afgewezen.
Ten overvloede: Anders was er een bewijsopdracht opgelegd
3.12
Ten overvloede overweegt de kantonrechter het volgende. Als de schending van de waarheidsplicht door [eiser] niet aan de orde zou zijn geweest, had de kantonrechter
[eiser] een bewijsopdracht gegeven, waarin hij de gelegenheid zou krijgen om te bewijzen dat in het aangenomen pakket een horloge zat. [eiser] heeft dit namelijk gesteld en DHL heeft het voldoende gemotiveerd betwist. De bewijslast van het feit dat er een horloge in het pakket van [eiser] zat, ligt overeenkomstig de hoofdregel uit de wet bij
[eiser] . [15] Hij beroept zich immers op het rechtsgevolg van zijn stelling.
3.13
Als na bewijslevering vast zou komen te staan dat er inderdaad een horloge in het pakket van [eiser] zat, zou DHL een schadevergoeding aan [eiser] moeten betalen voor het kwijtraken van het pakket. DHL heeft immers erkend dat een medewerker van [gedaagde sub 2] , een hulppersoon van DHL, het pakket van [eiser] heeft aangenomen. Het pakket is nu zoek. Dit is gebeurd ná de inname door een medewerker van [gedaagde sub 2] . DHL is daarom verantwoordelijk voor de ontstane schade door het verlies van het pakket. [16] Maar, de schadevergoeding die DHL aan [eiser] zou moeten betalen, zou niet hoger zijn geweest dan € 30,54. Zoals onder 3.4. is besproken, is het CMR van toepassing op de overeenkomst tussen [eiser] en DHL. In het CMR is een artikel opgenomen waaruit volgt dat bij verlies van een goed door de vervoerder, de schadevergoeding die de vervoerder moet betalen niet meer kan zijn dan 8,33 rekeneenheden per kilo gewicht. [17] Het horloge weegt volgens DHL drie kilo en dat heeft [eiser] niet weersproken. De rekeneenheid is ten tijde van de inontvangstneming van het pakket/de doos. DHL heeft gesteld en [eiser] heeft niet weersproken dat de schadevergoeding in dat geval neerkomt op € 30,54.
3.14
De stelling van DHL dat zij geen vergoeding verschuldigd zou zijn vanwege artikel 2 van Pro haar Algemene Vervoersvoorwaarden zou niet zijn opgegaan. [18] Het CMR bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor verlies van goederen, tenzij het verlies is veroorzaakt door de schuld van de rechthebbende. [19] De regels uit het CMR zijn van dwingend recht. [20] DHL mag hier dus niet van afwijken in haar algemene voorwaarden. In artikel 2 van Pro de Algemene Vervoersvoorwaarden doet zij dit echter wel. Hier is de vervoerswaarde opgenomen dat de totale waarde van de zending niet meer mag zijn dan € 500,00. De consequentie die DHL aan het niet naleven van deze voorwaarde verbindt, is dat DHL schadeloos wordt gesteld voor aansprakelijkheid. Dit artikel wijkt af van de regel dat de vervoerder aansprakelijk is voor verlies van goederen en is daarom in strijd met het CMR. Het beroep van DHL hierop slaagt dus niet. Daarnaast kan ook niet gezegd worden dat het ingenomen pakket is kwijtgeraakt door de schuld van [eiser] . Hier is geen enkele aanwijzing voor.
3.15
De kantonrechter zou ook niet zijn meegegaan met de stelling van [eiser] dat er sprake is van opzet of schuld bij DHL. In dat geval zou er een uitzondering gelden op de maximale vergoeding van 8,33 rekeneenheden. [21] De stel- en bewijslast van het bestaan van opzet of schuld ligt bij [eiser] . Maar, hij heeft geen feiten en/of omstandigheden genoemd die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake was van opzet of schuld bij DHL. [eiser] heeft daarmee zijn stelling onvoldoende gemotiveerd en/of onderbouwd, waardoor de kantonrechter niet zou toekomen aan het geven van een bewijsopdracht.
3.16
Ook het beroep van [eiser] op onrechtmatige daad zou niet tot de conclusie leiden dat [eiser] een hogere schadevergoeding toegekend zou krijgen. Uit het CMR volgt dat ook als er een beroep kan worden gedaan op een nationale wettelijke bepaling wanneer een goed is verloren, de vervoerder zich nog steeds kan beroepen op de beperking van een te betalen schadevergoeding uit het CMR. [22] Dit heeft DHL gedaan. Als de kantonrechter [eiser] een schadevergoeding zou toewijzen op grond van onrechtmatige daad, zou de maximaal toe te kennen vergoeding daarom € 30,54 zijn gebleven.
[eiser] moet de proceskosten van DHL betalen
3.17
[eiser] is ten opzichte van DHL in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van DHL betalen. [23] De proceskosten van DHL worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
Vorderingen tegen [gedaagde sub 2]
De vorderingen van [eiser] op [gedaagde sub 2] worden toegewezen
3.18
De kantonrechter verleent tegen [gedaagde sub 2] verstek, omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping van [gedaagde sub 2] in acht zijn genomen en zij niet op de dagvaarding heeft gereageerd. De kantonrechter heeft ook geen ander bericht van [gedaagde sub 2] ontvangen.
3.19
[eiser] vordert van [gedaagde sub 2] een schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad [24] , omdat [gedaagde sub 2] als hulppersoon van DHL het pakket met daarin het horloge heeft aangenomen en vervolgens is kwijtgemaakt. [gedaagde sub 2] heeft geen verweer gevoerd en daarom gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de gestelde feiten en omstandigheden waarop [eiser] zijn vorderingen tegen haar baseert. De vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde sub 2] komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden daarom toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] een schadevergoeding van € 9.925,00 aan [eiser] moet betalen en dat zij de buitengerechtelijke incassokosten van € 871,25 aan hem moet vergoeden.
[gedaagde sub 2] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.2
[gedaagde sub 2] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [25] Dit betekent dat [gedaagde sub 2] haar eigen proceskosten moet dragen en dat zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] aan hem moet betalen. De kosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
432,00
(1 punt voor de dagvaarding × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
981,04
Uitvoerbaar bij voorraad
3.21
De kantonrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals [eiser] en DHL hebben gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dit vonnis wordt beschouwd als een vonnis op tegenspraak
3.22
Omdat DHL wel in de procedure is verschenen, wordt dit vonnis op grond van de wet als een vonnis op tegenspraak beschouwd. [26] Dit betekent dat [gedaagde sub 2] geen verzet maar alleen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] tegen DHL af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van DHL van € 1.008,00, aan DHL te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] een bedrag van € 10.796,25 te betalen, zijnde € 9.925,00 aan hoofdsom en € 871,25 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.4
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van [eiser] van € 981,04, aan [eiser] te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. [27]

Voetnoten

1.Via de Kanaaltunnel.
2.Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR).
3.Artikel 1 CMR Pro.
4.Artikel 1 lid 1 CMR Pro.
5.Artikel 31 lid 1 sub b CMR Pro.
6.Artikel 4 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad.
7.Artikel 10 Verordening Pro (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I)
8.Artikel 10.1 Algemene Vervoersvoorwaarden, productie 8 van bij de dagvaarding.
9.Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 januari 2025 (ECLI:EU:C:2015:37;(Kolassa/Barclays).
10.Artikel 10:3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
11.Zie een foto van deze doos die als productie 3 bij dagvaarding is overgelegd.
12.Productie 9 van [eiser] .
13.Artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)
14.In de zin van artikel 3:303 Burgerlijk Pro Wetboek.
15.Artikel 150 Rv Pro.
16.Artikel 17 lid 1 CMR Pro.
17.Artikel 23 lid 1 en Pro 3 CMR.
18.DHL doet specifiek een beroep op artikel 2 sub h Algemene Pro Vervoersvoorwaarden, productie 8 dagvaarding.
19.Artikel 17 lid 2 CMR Pro.
20.Artikel 41 lid 1 CMR Pro.
21.Artikel 29 lid 1 en Pro 2 CMR.
22.Artikel 28 lid 1 CMR Pro.
23.Zoals bedoeld in artikel 237 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
24.Artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek.
25.Zoals bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv Pro.
26.Artikel 140 lid 3 Rv Pro.
27.TYP: 62938