De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in [plaats] vastgesteld op €1.731.000,- voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.
De rechtbank behandelde het beroep op 11 december 2025. De woning is gebouwd in 2009 en heeft een gebruiksoppervlakte van 250 m² op een perceel van 1031 m². De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin zes vergelijkbare woningen in [plaats] werden vergeleken, rekening houdend met verschillen in onder andere ligging, staat van onderhoud en uitstraling.
Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de ligging van de woning langs een drukke weg, wat een waardedrukkend effect zou hebben. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar dit effect adequaat had verdisconteerd en dat de lagere m²-prijs van de woning dit bevestigt. Eiser overlegde geen taxatierapport of andere bewijsstukken die het standpunt ondersteunen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde gehandhaafd blijft. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter V.E.H.G. Visser op 22 januari 2026.