Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:216

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2196
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning langs drukke weg

De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in [plaats] vastgesteld op €1.731.000,- voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank behandelde het beroep op 11 december 2025. De woning is gebouwd in 2009 en heeft een gebruiksoppervlakte van 250 m² op een perceel van 1031 m². De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin zes vergelijkbare woningen in [plaats] werden vergeleken, rekening houdend met verschillen in onder andere ligging, staat van onderhoud en uitstraling.

Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de ligging van de woning langs een drukke weg, wat een waardedrukkend effect zou hebben. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar dit effect adequaat had verdisconteerd en dat de lagere m²-prijs van de woning dit bevestigt. Eiser overlegde geen taxatierapport of andere bewijsstukken die het standpunt ondersteunen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde gehandhaafd blijft. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter V.E.H.G. Visser op 22 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard en de waarde van €1.731.000,- blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2196

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: R.W.B. van Middelaar)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: I.K. Beek)

Procesverloop

1.1.
In de beschikking van 22 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres Crailoseweg 26 in [plaats] (de woning), voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op
€ 1.731.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar
van 2 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar
heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
1.4.
Het beroep is behandeld op de zitting van 11 december 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Feiten
2. De woning is een in 2009 gebouwde vrijstaande woning met een souterrain van
138 m², een garage van 39 m², een bergzolder van 43 m² en een tuinhuis van 12 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 250 m² en ligt op een perceel van 1031 m².
Geschil
3. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 1.731.000,-. Eiser bepleit een waarde van € 1.453.000,-.
Beoordelingskader
4. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
5. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
6. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met zes verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 22 april 2022 voor € 1.370.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 7 mei 2021 voor € 1.900.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 30 januari 2021 voor € 2.050.000,-;
- [adres 5] , verkocht op 27 januari 2021 voor € 1.410.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 23 april 2024 voor € 1.665.000,-;
- [adres 7] , verkocht op 17 mei 2021 voor € 1.495.000,-.
Beoordeling van het geschil
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook vrijstaande woningen zijn die in [plaats] liggen en niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Daarnaast maakt de heffingsambtenaar met de taxatiematrix aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning qua onder andere de staat van onderhoud, de uitstraling en de ligging. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
8. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Beroepsgronden
De ligging van de woning
9. Eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van de woning. De ligging van de woning is onder gemiddeld. De woning ligt, in tegenstelling tot de referentiewoningen, langs een drukke weg. Dit heeft volgens eiser een waarde drukkend effect. Om dit standpunt te onderbouwen verwijst eiser naar een arrest van het
Gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2021. [1]
9.1
De heffingsambtenaar stelt dat de waardebepaling van de woning wordt onderbouwd door verkoopcijfers van soortgelijke objecten waarbij rekening is gehouden met verschillen, zoals de ligging. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. Eiser heeft, in tegenstelling tot in het door eiser aangehaalde arrest, ook geen taxatierapport of andere informatie overgelegd waaruit blijkt dat aan deze uitleg moet worden getwijfeld. De heffingsambtenaar heeft de woning vanwege de ligging aan de weg onder gemiddeld gewaardeerd. De omstandigheden die eiser aandraagt zijn verdisconteerd in de prijs. Daarnaast ligt de m²-prijs van de woning lager dan de gemiddelde gecorrigeerde m²-prijs van de referentiewoningen
.De beroepsgrond slaag niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.