De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van een vrijstaande woning uit 1927 vast op €1.258.000,- voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar de waarde op juiste wijze had vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen worden gebruikt die niet identiek maar wel vergelijkbaar zijn. De heffingsambtenaar overlegde een taxatiematrix met drie referentiewoningen, waarbij rekening was gehouden met verschillen in bouwkundige kwaliteit, onderhoud en voorzieningen.
Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de marktsituatie en dat de grondwaarde te hoog was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de verkoopprijzen had geïndexeerd en dat de hogere grondwaarde verklaarbaar was door de unieke ligging van de woning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter Visser en griffier Mulder op 22 januari 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.