Uitspraak
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist
[derde belanghebbende]uit [plaats] (de vergunninghoudster).
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college op 23 februari 2026 aan de vergunninghoudster heeft verleend voor de uitbreiding van haar vrijstaande woning met een aanbouw. Verzoeker, een omwonende, heeft bezwaar gemaakt tegen deze vergunning en verzocht om schorsing omdat de bouwwerkzaamheden op 11 mei 2026 zouden starten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang, omdat de bouwwerkzaamheden starten voordat het bezwaar is behandeld. De vergunning is getoetst aan de relevante bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving, en voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan en welstand. Verzoekers bezwaren over het kappen van bomen, brandveiligheid, afwijkend gebruik, fauna en stikstofonderzoek, en belangenafweging slagen niet.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar weinig kans van slagen heeft en dat de belangen van de vergunninghoudster bij een spoedige uitvoering zwaarder wegen dan die van verzoeker. Het verzoek om schorsing wordt daarom afgewezen. Vergoeding van proceskosten wordt niet toegewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen en de vergunning blijft in stand.