ECLI:NL:RBMNE:2026:2173

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/1860
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 lid 2 OwArt. 4.17 BblArt. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor woninguitbreiding

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning die het college op 23 februari 2026 aan de vergunninghoudster heeft verleend voor de uitbreiding van haar vrijstaande woning met een aanbouw. Verzoeker, een omwonende, heeft bezwaar gemaakt tegen deze vergunning en verzocht om schorsing omdat de bouwwerkzaamheden op 11 mei 2026 zouden starten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang, omdat de bouwwerkzaamheden starten voordat het bezwaar is behandeld. De vergunning is getoetst aan de relevante bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving, en voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan en welstand. Verzoekers bezwaren over het kappen van bomen, brandveiligheid, afwijkend gebruik, fauna en stikstofonderzoek, en belangenafweging slagen niet.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar weinig kans van slagen heeft en dat de belangen van de vergunninghoudster bij een spoedige uitvoering zwaarder wegen dan die van verzoeker. Het verzoek om schorsing wordt daarom afgewezen. Vergoeding van proceskosten wordt niet toegewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1860
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist

(gemachtigde: C. Marskamp).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende]uit [plaats] (de vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college op 23 februari 2026 aan de vergunninghoudster heeft verleend. De vergunninghoudster wil haar vrijstaande woning aan de [adres] in [plaats] (de woning) uitbreiden met een aanbouw. Verzoeker woont in de buurt van de woning. Hij wil niet dat de vergunninghoudster de aanbouw realiseert. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Omdat de vergunninghoudster vanaf 11 mei 2026 wil starten met de bouwwerkzaamheden, heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om de omgevingsvergunning te schorsen.
1.1
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat naar voorlopig oordeel de verleende vergunning in stand kan blijven. Er is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. De vergunninghoudster heeft op 16 december 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend, zodat zij de begane grond van de woning kan uitbreiden met een uitbouw en hierop één bouwlaag te plaatsen voorzien van een rieten dak. Het college heeft met het besluit van 23 februari 2026 (gepubliceerd 25 februari 2026) de omgevingsvergunning verleend.
2.1
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] en de vergunninghoudster, vergezeld door [B] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1
De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. [1]
3.2
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij voorlopige voorzieningen zal treffen of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoeker om de omgevingsvergunning te schorsen totdat het college op het bezwaar heeft beslist al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en de vergunninghoudster om de omgevingsvergunning in stand te laten. Hoe minder kans van slagen het bezwaar van verzoeker heeft, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker.
Spoedeisend belang
4. Tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat de hoorzitting bij de bezwarencommissie waarschijnlijk in juni 2026 zal plaatsvinden, waarna de beslissing op bezwaar in augustus of september 2026 zal volgen. De vergunninghoudster heeft tijdens de zitting toegelicht dat de bouwwerkzaamheden naar verwachting afgerond zullen zijn in die periode dat het college nodig heeft om een besluit te nemen. De voorzieningenrechter concludeert gelet op deze toelichting van het college en de vergunninghoudster dat sprake is van spoedeisend belang.
Rechtmatigheid van de omgevingsvergunning
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de omgevingsvergunning ziet op technische en ruimtelijk bouwactiviteiten. Het bouwplan is volgens het college beoordeeld volgens de regels van paragraaf 5.1.3 van de Omgevingswet (Ow). Het perceel van de woning ligt in het tijdelijke omgevingsplan Gemeente Zeist. De regels uit het bestemmingsplan ‘Kerckebosch beheerplan’ gelden hier. De locatie heeft de bestemming ‘Wonen’. Het bouwplan gaat over het uitbreiden van de woning. Voor het bouwplan geldt ook het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Zeist. Het bouwplan voldoet volgens het college aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft de aanvraag getoetst aan artikel 5.1 lid 2 van de Ow en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In de bijlage van de omgevingsvergunning zijn nadere voorwaarden opgenomen. Het college heeft de aanvraag beoordeeld en geconcludeerd dat het aangevraagde bouwplan voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De voorzieningenrechter zal de gronden van verzoeker in het licht daarvan bespreken.
Kappen van bomen
6. Verzoeker stelt dat de vergunninghoudster bomen gaat kappen. Hij denkt dit omdat de vergunninghoudster eerder ook bomen heeft gekapt in de openbare ruimte.
6.1
De vergunninghoudster heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de bomen waar verzoeker op doelt, niet door haar zijn gekapt. De opdrachtgever was de gemeente. Voor deze verbouwing worden geen bomen gekapt.
6.2
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hier een omgevingsvergunning betreft voor het realiseren van een verbouwing en niet gaat om een vergunning die ziet op het kappen van bomen. De grond slaagt daarom al niet. En overigens heeft de vergunninghoudster verklaard dat er geen bomen worden gekapt voor het realiseren van het bouwplan.
Brandveiligheid7. Verzoeker stelt dat het college als voorschrift bij de verleende omgevingsvergunning had moeten opnemen dat het rieten dak brandveilig uitgevoerd moet worden volgens de NEN-norm 6063 zoals gesteld in artikel 4.17 van het Bbl. Bovendien had er ook iets vastgelegd moeten worden over de benodigde bliksembeveiliging. Tot slot is sprake van onbehoorlijk bestuur, omdat het college pas advies heeft gevraagd aan de Veiligheidsregio Utrecht (de VRU) nadat de omgevingsvergunning is verleend.
7.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college tijdens de zitting heeft toegelicht dat in dit geval de regels van hoofdstuk 5 van het Bbl gelden. [2] Het college, die daar zelf deskundigheid voor heeft, heeft de aanvraag van de vergunninghoudster beoordeeld en geconcludeerd dat de aanvraag voldoet aan de regels van hoofdstuk 5 van het Bbl. De voorzieningenrechter kan dit volgen. Zij vindt daarvoor steun in het advies van de VRU van 2 april 2026. Daarin is geconcludeerd door de VRU dat de aanvraag voldoet aan de genoemde regelgeving met betrekking tot brandveiligheid. De VRU wijst er in dit advies op dat ondanks alle getroffen maatregelen er altijd (brand)veiligheidsrisico’s bestaan die niet volledig zijn uit te sluiten. Daarom wijst de VRU in de bijlage van het advies op extra mogelijkheden om deze risico’s te verkleinen. De voorzieningenrechter concludeert dat de vergunning aan de eisen van brandveiligheid voldoet en dat het advies van de VRU om de risico’s nog verder te verkleinen niet als verplichting aan de vergunninghoudster kan worden opgelegd, omdat de wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om tot een andere conclusie te komen met betrekking tot de bliksembeveiliging, omdat verzoeker deze grond niet heeft onderbouwd en de stukken waaronder het advies van de VRU geen aanleiding geven dat het bouwplan op dit punt niet zou voldoen. Dit betekent ook dat van het door verzoeker gestelde onbehoorlijk bestuur niet is gebleken. De gronden slagen daarom niet.
Afwijkend gebruik
8. Verzoeker stelt dat in de woning een bedrijf is gevestigd. Hierdoor wordt de woning in strijd met het bestemmingsplan gebruikt, omdat voor de locatie de bestemming ‘Wonen’ geldt.
8.1
De vergunninghoudster heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij niet bekend is met het door verzoeker genoemde bedrijf.
8.2
De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanvraag niet ziet op afwijkend gebruik en dat dit ook niet door het college is vergund. Bovendien is er geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat sprake zou zijn van afwijkend gebruik. De grond slaagt daarom niet.
Fauna en stikstof
9. Verzoeker stelt dat de omgevingsvergunning is verleend zonder dat het noodzakelijke faunaonderzoek en een stikstofberekening heeft plaatsgevonden, terwijl dit op basis van de Ow wel verplicht is voor deze locatie. De tuin van de vergunninghoudster is de habitat van de woezelmuis en adder en dit zijn beschermde diersoorten.
9.1
De voorzieningenrechter wijst erop dat de aanvraag niet ziet op het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Flora en Faunawet. Daarom heeft deze grond geen betrekking op de verleende vergunning. Verder geldt er geen aanhaakplicht meer zoals voorheen onder de Wabo. Ter voorlichting merkt de voorzieningenrechter op dat hiervoor de Provincie het bevoegd gezag is en niet het college. Het college kan deze ontheffing dan ook niet vergunnen en heeft dit ook niet gedaan. Bovendien heeft de vergunninghoudster tijdens de zitting verklaard dat zij een verzoek heeft gedaan bij de gemeente om te beoordelen of zij mee moet en kan liften op de algemene ontheffingsmogelijkheid die de gemeente heeft. Zij ontvangt hierover binnenkort bericht. Verzoeker heeft wat betreft de stikstofberekening niet concreet gemaakt op grond van welke regels van de Ow dit verplicht zou zijn voor deze verbouwing. De gronden slagen daarom niet.
Belangenafweging
10. Verzoeker stelt dat het college ten onrechte de belangen van omwonenden niet heeft meegewogen. Volgens verzoeker is sprake van een inbreuk op de privacy in een dicht bebouwde wijk die disproportioneel is in verhouding tot het belang van de vergunninghoudster.
10.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hier sprake is van een gebonden beschikking. Dat betekent dat, als een bouwplan past binnen de regels van het omgevingsplan, er geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Dat is hier ook het geval. Het college kon daarom geen belangenafweging maken bij de beoordeling van de aanvraag. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat de uitbouw aan de andere zijde van de woning wordt gerealiseerd dan de zijde waar verzoeker woont. Niet gesteld nog gebleken is dat verzoeker zicht heeft op de voorziene uitbouw. Ook deze grond slaagt niet.
Proefperiode
11. Verzoeker stelt dat de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning moet worden uitgesteld met een proefperiode van één jaar waarin de vergunninghoudster moet aantonen een goed burger te kunnen zijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat hiervoor geen juridische grondslag bestaat. De grond slaagt daarom niet.
Conclusie ten aanzien van de rechtmatigheid12. De voorzieningenrechter concludeert, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen dat er geen gronden aanwezig zijn om te concluderen dat de vergunning niet rechtmatig is verleend aan de vergunninghoudster.
Belangenafweging
13. De voorzieningenrechter zal ten slotte de belangen van verzoeker bij schorsing van de verleende vergunning afwegen tegen de belangen van de vergunninghoudster bij het afwijzen van het verzoek tot schorsing. Zoals in het begin van de uitspraak is weergegeven, geldt hoe minder kans van slagen het bezwaar van verzoeker heeft, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker. De vergunninghoudster heeft tijdens de zitting toegelicht dat ze groot belang heeft bij een spoedige start van het uitvoeren van het bouwplan, omdat er anders ernstige vertraging in de uitvoering zal optreden met aanzienlijke financiële gevolgen omdat dan de uitvoeringkosten omhoog zullen gaan. Verzoeker heeft met name gewezen op zijn vrees voor het kappen van bomen en de brandveiligheid van zijn omgeving. De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangen van de vergunninghoudster zwaarder wegen dan de belangen van verzoeker, omdat zoals hiervoor is geconcludeerd het bezwaar weinig kans van slagen heeft.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
14.1
De vergunninghoudster heeft verzocht om vergoeding van de verletkosten vanwege het bijwonen van de zitting. De rechtbank vat dit verzoek op als verzoek om het college te veroordelen in het betalen van deze kosten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college te veroordelen in de door vergunninghoudster gemaakte verletkosten, omdat niet is gebleken dat het college een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de verleende vergunning en naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning in stand blijft. [3] De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om verzoeker in die kosten te veroordelen, omdat hiervoor zware eisen gelden zoals het misbruik maken van procesrecht en daarvan is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 door
mr. J.R. van Es-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier.
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het verbouwen en het verplaatsen van een bestaand bouwwerk betreffen en op de wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk.
3.Onder verwijzing naar de artikelen 8:75, 7:15, 7:28 van de Awb.