ECLI:NL:RBMNE:2026:2179

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/5210
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 47 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit UWV en kent IVA-uitkering toe wegens onvoldoende motivering duurzaamheidsoordeel

De zaak betreft een beroep van een voormalig werkgever tegen het UWV over de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van een ex-werkneemster. De ex-werkneemster is volledig arbeidsongeschikt verklaard, maar het UWV oordeelde dat deze niet duurzaam arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een IVA-uitkering bestond.

De rechtbank beoordeelde dat het UWV het duurzaamheidsoordeel onvoldoende had gemotiveerd. De verzekeringsarts had onvoldoende onderbouwd wat het mogelijke resultaat van de medische behandeling zou zijn voor de individuele belastbaarheid van de ex-werkneemster. Ook was onvoldoende rekening gehouden met het herstelgedrag en de angst van de ex-werkneemster voor een operatie. De rechtbank concludeerde dat het UWV niet voldeed aan de vereisten voor een concrete en deugdelijke inschatting van de herstelkansen.

Omdat het niet werd verwacht dat het UWV alsnog een deugdelijke motivering zou geven, besloot de rechtbank zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit en kent met ingang van 26 september 2024 een IVA-uitkering toe aan de ex-werkneemster. Tevens veroordeelt de rechtbank het UWV in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het UWV en kent een IVA-uitkering toe met ingang van 26 september 2024 wegens onvoldoende motivering van het duurzaamheidsoordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5210

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: E.D.L. Kwakernaak)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van de ex-werkneemster van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de beslissing van het Uwv dat de ex-werkneemster wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij stelt dat haar ex-werkneemster recht heeft op een
IVA-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft beslist dat geen sprake is van duurzaamheid.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het duurzaamheidsoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat niet wordt verwacht dat een deugdelijke motivering alsnog kan worden gegeven. De rechtbank kent per datum in geding een IVA-uitkering toe aan de ex-werkneemster. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De ex-werkneemster is op 30 juni 2021 uitgevallen na een ongeval. Zij heeft fysieke en psychische klachten. Per 28 juni 2023 krijgt zij een WIA-uitkering omdat zij volledig arbeidsongeschikt is op medische gronden.
2.1.
Eiseres heeft, als voormalig werkgever, op 26 september 2024 een verzoek tot herbeoordeling gedaan. Met het besluit van 3 februari 2025 is de uitkering van de ex-werkneemster ongewijzigd gebleven. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de eerdere beslissing gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [A] en [B] , en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht tot het oordeel is gekomen dat de ex-werkneemster wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
3.1.
De ex-werkneemster heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan de ex-werkgever te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht
Waar gaat deze zaak over?
4. In deze procedure gaat het om een herbeoordeling per 26 september 2024. De ex-werkneemster is ziek uitgevallen met letsel na een verkeersongeval. Zij heeft aanhoudende fysieke klachten die gepaard gaan met ADL-afhankelijkheid. Daarnaast is sprake van mentale klachten. De behandeling van de psychische klachten is onderbroken vanwege de fysieke klachten, terwijl ook de behandeling van de fysieke klachten geen doorgang vindt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat per 26 september 2024 sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Het gaat in deze procedure om de vraag of die arbeidsongeschiktheid ook moet worden geacht duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. In dat geval zou de ex-werkneemster op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht hebben op een IVA-uitkering.
Toetsingskader
5. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
5.1.
De Centrale Raad hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. [1] De verzekeringsarts dient zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Wat vindt eiseres?
6. Eiseres voert aan dat het duurzaamheidsoordeel onvoldoende is gemotiveerd en niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zij vindt verder dat ten onrechte geen medische informatie bij de behandelend artsen is opgevraagd.
Wat concludeert de verzekeringsarts over de duurzaamheid?
7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (hierna: vabb) heeft in de rapportage van 26 juli 2025 geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is omdat er behandelmogelijkheden zijn die leiden tot verbetering van de belastbaarheid. Volgens de vabb is een evidente behandelindicatie gesteld voor de linkerpols, namelijk een operatie. Voor de overige klachten kan de ex-werkneemster volgens de vabb ook worden behandeld. De vabb concludeert dat bij het opstarten van behandeling binnen een jaar verbetering mag worden verwacht. Volgens de vabb is een zogeheten
bottle neckbeoordeling in dit geval niet mogelijk. De rechtbank merkt op dat met een
bottle neckbeoordeling wordt bedoeld dat een inschatting wordt gemaakt van de belastbaarheid, indien alle medische behandelingen succesvol zijn verlopen.
p
7.1.
In de aanvullende rapportage van 12 februari 2026 heeft de vabb een nadere toelichting gegeven op de te verwachten verbetering van de belastbaarheid na behandeling. Volgens de vabb kan een operatie leiden tot verbetering van de belastbaarheid van de pols. De vabb stelt dat herstel zonder chirurgische ingreep niet meer aannemelijk lijkt. Verder schrijft de vabb dat de termijn waarbinnen verbetering van de belastbaarheid wordt verwacht afhankelijk is van het herstelgedrag van de ex-werkneemster en dat bij gebrek aan herstelgedrag herstel binnen het komende jaar minder aannemelijk is. Verder bevat de aanvullende rapportage overwegingen over de mogelijke behandeling van de overige klachten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7.2.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet de verzekeringsarts een inschatting maken van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Deze inschatting dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de vereisten die de Raad stelt aan de door de verzekeringsarts te maken inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Die inschatting berust in dit geval op een medische behandeling, maar het Uwv heeft onvoldoende onderbouwing gegeven van het mogelijke resultaat van die behandeling voor de belastbaarheid van de individuele verzekerde. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De vabb heeft volstaan met een algemene conclusie dat na behandeling een meer dan geringe kans bestaat op verbetering van de belastbaarheid. De vabb stelt dat na een operatie herstel tot een functionele pols mogelijk is, maar welke verbetering van de arbeidsbeperkingen van ex-werkneemster wordt verwacht, heeft de vabb niet geconcretiseerd. De vabb heeft ook geen nadere informatie opgevraagd bij de behandelend artsen over het te verwachten resultaat van de behandeling. De rechtbank oordeelt daarom dat onvoldoende is onderbouwd wat het mogelijke resultaat van de medische behandeling zal zijn voor de ex-werkneemster. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de medische behandeling al geruime tijd niet kan worden opgestart, omdat de ex-werkneemster angstig is en onvoldoende vertrouwen heeft in het ziekenhuis. De vabb betrekt het herstelgedrag van de ex-werkneemster wel in de overwegingen, maar de ex-werkneemster wordt geen verwijt gemaakt dat geen adequaat herstel plaatsvindt. De rechtbank ziet daar in het dossier ook geen aanwijzingen voor. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de ex-werkneemster op de wachtlijst voor een operatie heeft gestaan en dat de behandelaar adviseerde nog te wachten voordat chirurgische opties worden ingezet. Na de oproep voor de operatie is de ex-werkneemster het vertrouwen in het ziekenhuis kwijtgeraakt en er is sprake van angst voor een nieuwe operatie. Deze omstandigheden zijn door de vabb niet meegenomen bij de beoordeling van de herstelkansen in het individuele geval van ex-werkneemster. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom na een operatie geen sprake meer zou zijn van volledige arbeidsongeschiktheid. De vabb stelt dat het niet mogelijk is om voor ex-werkneemster een zogenoemde
bottle neckbeoordeling te maken omdat er geen aanwijsbaar niveau is van duurzame beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (fml). De vabb stelt dat “als dit toch zou plaatsvinden moeten, zouden er nauwelijks beperkingen in de FML staan”. Volgens de vabb zou dat dus een FML betreffen waarvan op voorhand al duidelijk is dat dit geen volledige arbeidsongeschiktheid zal opleveren. De rechtbank kan deze motivering niet volgen. Uit het medisch dossier van ex-werkneemster blijkt dat sprake is van meervoudige problematiek, waarbij bovendien ook de behandeling stagneert. Ook wat betreft de mogelijke behandeling van deze klachten heeft de vabb volstaan met een algemene beschrijving van mogelijke behandelingen, zonder daarbij te concretiseren wat het te verwachten resultaat van die behandeling is voor de belastbaarheid van deze individuele verzekerde. Eiseres wijst er bovendien op dat EMDR-behandeling en medicatie al zijn ingezet bij ex-werkneemster, maar zonder resultaat. Ook daaruit maakt de rechtbank op dat de inschatting van de herstelkansen na behandeling onvoldoende is toegespitst op het concrete geval van de individuele verzekerde. De motivering van de vabb dat op voorhand duidelijk zou zijn dat na een operatie geen sprake meer zal zijn van volledige arbeidsongeschiktheid, vindt naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende grondslag in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank is de vabb ten onrechte tot de conclusie gekomen dat stap 2a van het beoordelingskader toepassing is, namelijk dat er een redelijke of goede verwachting is op verbetering van de belastbaarheid in het komende jaar (na datum in geding). De beroepsgrond slaagt.
7.4.
Als in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht, moet de verzekeringsarts namelijk beoordelen of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht (stap 3). Daarbij geldt dat een redelijke of goede verwachting bestaat dat verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar zal optreden, dit alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid (stap 3a). De rechtbank is van oordeel dat aan dat vereiste niet is voldaan, nu er geen medische informatie in het dossier zit waaruit de conclusie kan worden getrokken dat vaststaat dat de verbetering van de belastbaarheid na medische behandeling pas op langere termijn optreedt. Dit betekent dat ook niet geconcludeerd kan worden dat de verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar kan worden verwacht.
7.5.
Het beroep slaagt. Het bestreden besluit is niet voorzien van een deugdelijke motivering, zodat dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
7.6.
De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.
De gevolgen
8. Vervolgens moet de rechtbank beslissen hoe het verder gaat met de procedure. Daarbij is het uitgangspunt dat de rechtbank het geschil zo definitief mogelijk beslist. [2]
8.1.
Zelf in de zaak voorzien kan de rechtbank doen als zij over de relevante feiten en belangen beschikt. De rechtbank heeft zelf niet de medische expertise om vast te stellen dat de ex-werkneemster duurzaam arbeidsongeschikt is. Toch ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om zelf een beslissing over de uitkering van de ex-werkneemster te nemen. Voor een deugdelijke motivering moet het Uwv een op het individuele geval van ex-werkneemster toegespitste inschatting van de herstelkansen maken, waarbij een onderbouwing is vereist die ziet op het mogelijke resultaat van de medische behandeling voor deze individuele verzekerde. Op basis van alle aanwezige gegevens bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Daarbij betrekt de rechtbank dat er meerdere rapportages van de vabb zijn waarin is nagelaten om een op het individuele geval van de ex-werkneemster toegespitste inschatting te maken. Het dossier bevat evenmin informatie waaruit de conclusie kan worden getrokken dat vaststaat dat de verbetering van de belastbaarheid na medische behandeling eerst op langere termijn optreedt. Nu er geen aanleiding bestaat dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien moet ervan worden uitgegaan dat de volledige arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster ook duurzaam is. Daarom wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt dat het primaire besluit van 3 februari 2025 wordt herroepen en dat aan de ex-werkneemster een IVA-uitkering wordt toegekend met ingang van 26 september 2024. Op deze datum heeft eiseres namelijk een herbeoordeling aangevraagd. Het is aan het Uwv om de ex-werkneemster en eiseres te informeren over de (financiële) gevolgen van het toekennen van de IVA-uitkering. Deze uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het niet is voorzien van een deugdelijke motivering.
9.1.
De rechtbank voorziet zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, door het primaire besluit van 3 februari 2025 te herroepen en te bepalen dat ex-werkneemster met ingang van 26 september 2024 recht heeft op een IVA-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
9.2.
Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling van € 666,-- in bezwaar en € 934,-- in beroep. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt), de hoorzitting bijgewoond (1 punt), een beroepschrift ingediend (1 punt) en de zitting bijgewoond (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,--. Ook moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,-- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 4 augustus 2025;
  • herroept het primaire besluit van 3 februari 2025;
  • bepaalt dat aan de ex-werkneemster een IVA-uitkering voor volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt toegekend met ingang van 26 september 2024;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 385,-- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1111.
2.Artikel 8:41 van Pro de Awb.