ECLI:NL:RBMNE:2026:2180

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/4967
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:72 AwbArt. 47 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst IVA-uitkering toe wegens onvoldoende gemotiveerd duurzaamheidsoordeel UWV

De zaak betreft een beroep van een voormalig werkgever tegen het UWV over de toekenning van een WIA-uitkering aan een ex-werkneemster die volledig arbeidsongeschikt is wegens psychische klachten. Het geschil draait om de vraag of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is, wat recht geeft op een IVA-uitkering.

De rechtbank oordeelt dat het UWV het duurzaamheidsoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts heeft geen concrete en op de individuele situatie toegespitste inschatting gemaakt van de herstelkansen, terwijl de behandeling door externe omstandigheden niet van de grond is gekomen. De rechtbank stelt vast dat het UWV niet heeft voldaan aan de vereisten van een deugdelijke motivering.

Omdat het niet aannemelijk is dat het UWV alsnog een deugdelijke motivering kan geven, besluit de rechtbank zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit wordt herroepen en de ex-werkneemster krijgt met ingang van 2 februari 2024 recht op een IVA-uitkering. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het UWV en kent een IVA-uitkering toe met ingang van 2 februari 2024 wegens onvoldoende gemotiveerd duurzaamheidsoordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4967

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: E.D.L. Kwakernaak)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van de ex-werkneemster van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de beslissing van het Uwv dat de ex-werkneemster wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij stelt dat haar ex-werkneemster recht heeft op een
IVA-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft beslist dat geen sprake is van duurzaamheid.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het duurzaamheidsoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat niet wordt verwacht dat een deugdelijke motivering alsnog kan worden gegeven. De rechtbank kent per datum in geding een IVA-uitkering toe aan de ex-werkneemster. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De ex-werkneemster is op 4 juli 2020 uitgevallen voor haar werk als onderwijsassistent (in opleiding) wegens psychische klachten. Per 5 juli 2022 krijgt zij een WIA-uitkering omdat zij volledig arbeidsongeschikt is op medische gronden.
2.1.
Eiseres heeft, als voormalig werkgever, op 2 februari 2024 een verzoek tot herbeoordeling gedaan. Met het besluit van 18 juli 2024 is de uitkering van de
ex-werkneemster ongewijzigd gebleven. Eiseres heeft bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de eerdere beslissing gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [A] en [B] , en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft beslist dat de volledige arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster per 2 februari 2024 niet duurzaam is.
3.1.
De ex-werkneemster heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan de ex-werkgever te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
Waar gaat deze zaak over?
4. De ex-werkneemster is uitgevallen wegens psychische klachten. Bij de herbeoordeling per 2 februari 2024 vindt het Uwv dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Indien adequate therapie kan worden ingezet bij is er volgens het Uwv meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van ex-werkneemster. Die behandeling is door een instabiele woonsituatie en financiële onzekerheid echter nog niet van de grond gekomen.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van volledig arbeidsongeschiktheid. Het gaat in deze procedure om de vraag of die arbeidsongeschiktheid per 2 februari 2024 ook moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. In dat geval zou de ex-werkneemster op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht hebben op een IVA-uitkering.
Toetsingskader
5. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
5.1.
De Centrale Raad hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. [1] De verzekeringsarts dient zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
Wat vindt eiseres?
6. Eiseres voert aan dat het duurzaamheidsoordeel onvoldoende is gemotiveerd. Zij wijst erop dat de enkele verwijzing naar behandelmogelijkheden onvoldoende motivering is. Ook vindt zij dat uit de medische informatie van de behandelend psycholoog blijkt dat verbetering van de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks te verwachten is, nu wordt gesproken over een aanzienlijk behandelduur. Eiseres vindt dat het duurzaamheidsoordeel onvoldoende is toegespitst op de individuele situatie van de ex-werkneemster. Zij vindt verder dat ten onrechte geen medische informatie bij de andere behandelend artsen is opgevraagd en dat de verzekeringsarts ten onrechte niet alle stappen uit het beoordelingskader heeft doorlopen.
Wat concludeert de verzekeringsarts over de duurzaamheid?
7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (hierna: vabb) heeft in de rapportage van 16 juli 2025 ten aanzien van de prognose opgemerkt dat met de informatie van de behandelend psycholoog is gebleken dat de verwachte therapieduur door externe omstandigheden niet is gehaald. De vabb concludeert dat het gegeven dat de behandelduur nog aanzienlijk zal zijn niet impliceert dat de psychische situatie in de toekomst niet zal verbeteren. De vabb concludeert dat sprake is van behandelingsmogelijkheden waarmee sprake is van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid. De onveilige woonomgeving is een stagnerende factor in de behandeling, maar dit is volgens de vabb niet van blijvende aard.
7.1.
In de rapportage van 16 oktober 2025 vult de vabb aan dat vanwege de beschermd wonen situatie (voortkomend uit een onveilige thuissituatie) de behandeling niet van de grond is gekomen. De vabb neemt in de rapportage van 16 oktober 2025 het standpunt in dat het onmogelijk maar ook onredelijk om ten aanzien van de prognose een inschatting te maken van de verbetering van de belastbaarheid in het eerstkomende jaar of het jaar daarna. Indien adequate therapie kan worden ingezet bij is er volgens de vabb meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van ex-werkneemster.
7.2.
In de rapportage van 5 januari 2026 benadrukt de vabb dat de aanhoudende instabiliteit met betrekking tot huisvesting en financiële zekerheid er de oorzaak van is dat de behandeling van de psychische klachten nog niet van de grond is gekomen en, wat betreft de EMDR-behandelingen, niet het gewenste resultaat heeft gehad. De vabb herhaalt dat het in dit geval onmogelijk en onredelijk is om een inschatting te maken van de te verwachten verbetering van de belastbaarheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank stelt het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet de verzekeringsarts een inschatting maken van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Deze inschatting dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de vereisten die de Raad stelt aan de door de verzekeringsarts te maken inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna. Daarom heeft het Uwv het duurzaamheidsoordeel onvoldoende gemotiveerd. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De vabb heeft volstaan met een algemene conclusie dat indien adequate behandeling wordt ingezet een meer dan geringe kans bestaat op verbetering van de belastbaarheid. De vabb heeft in de rapportages het standpunt ingenomen dat het onmogelijk is om in dit geval een inschatting te maken van de verbetering van de belastbaarheid in het eerstkomende jaar of het jaar erna. Desondanks heeft de vabb de arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster niet duurzaam geacht met de algemene overweging dat indien adequate behandeling kan worden ingezet een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid bestaat. Welke verbetering van de belastbaarheid van ex-werkneemster wordt verwacht, heeft de vabb niet geconcretiseerd. Daarnaast blijkt uit het dossier dat een adequate behandeling al jarenlang niet van de grond komt en dat de psychische behandeling (EMDR) die wel heeft plaatsgevonden geen effect heeft gehad. Dat een adequate behandeling niet lukt, is volgens de vabb te wijten aan de instabiele woonsituatie in de beschermd wonen situatie. Op de zitting is duidelijk geworden dat het Uwv de ex-werkneemster geen verwijt maakt dat de ex-werkneemster geen geschikte andere woonruimte kan vinden. De rechtbank overweegt dat dit een omstandigheid is die van belang is voor het mogelijke resultaat van de medische behandeling voor de individuele verzekerde. De vabb heeft dit echter ook niet meegenomen bij de beoordeling van de herstelkansen. De rechtbank is van oordeel dat een concrete op het individuele geval van ex-werkneemster toegespitste beoordeling van de herstelkansen ontbreekt. Dit betekent dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de volledige arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster per 2 februari 2024 niet duurzaam is.
8.2.
Het beroep slaagt. Het bestreden besluit is niet voorzien van een deugdelijke motivering, zodat dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
De gevolgen
9. Vervolgens moet de rechtbank beslissen hoe het verder gaat met de procedure. Daarbij is het uitgangspunt dat de rechtbank het geschil zo definitief mogelijk beslist. [2]
9.1.
Zelf in de zaak voorzien kan de rechtbank doen als zij over de relevante feiten en belangen beschikt. De rechtbank heeft zelf niet de medische expertise om vast te stellen dat de ex-werkneemster duurzaam arbeidsongeschikt is. Toch ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding om zelf een beslissing over de uitkering van de ex-werkneemster te nemen. Voor een deugdelijke motivering van de duurzaamheid moet het Uwv een op het individuele geval van ex-werkneemster toegespitste inschatting van de herstelkansen maken, waarbij een onderbouwing is vereist die ziet op het mogelijke resultaat van de medische behandeling voor deze individuele verzekerde. Op basis van alle aanwezige gegevens bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Daarbij betrekt de rechtbank dat er meerdere rapportages van de vabb zijn waarin is nagelaten om een op het individuele geval van de ex-werkneemster toegespitste inschatting te maken, en dat de vabb zelf concludeert dat het in dit geval onmogelijk is om een inschatting te maken van de te verwachten verbetering van de belastbaarheid. Daarom wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt dat het primaire besluit van 18 juli 2024 wordt herroepen en dat aan de ex-werkneemster een IVA-uitkering wordt toegekend met ingang van met ingang van 2 februari 2024. Op deze datum heeft eiseres namelijk een herbeoordeling aangevraagd. Het is aan het Uwv om de ex-werkneemster en eiseres te informeren over de (financiële) gevolgen van het toekennen van de IVA-uitkering. Deze uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit.
9.2.
De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het niet is voorzien van een deugdelijke motivering.
11. De rechtbank voorziet zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, door het primaire besluit van 18 juli 2024 te herroepen en te bepalen dat ex-werkneemster met ingang van 2 februari 2024 recht heeft op een IVA-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
11.1.
Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling van € 666,-- in bezwaar en € 934,-- in beroep. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt), de hoorzitting bijgewoond (1 punt), een beroepschrift ingediend (1 punt) en de zitting bijgewoond (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,--. Ook moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,-- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 22 juli 2025;
  • herroept het primaire besluit van 18 juli 2024;
  • bepaalt dat aan de ex-werkneemster een IVA-uitkering voor volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt toegekend met ingang van 2 februari 2024;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 385,-- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1111.
2.Artikel 8:41 van Pro de Awb.