ECLI:NL:RBMNE:2026:2231

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/2750
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:1 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen plaatsing vaste paaltjes in Bilthoven

Verzoekers dienden op 6 februari 2026 een Woo-verzoek in over de plaatsing van vaste paaltjes op een locatie in Bilthoven, die reeds op 30 september 2025 waren geplaatst. Na een bezwaarprocedure tegen het besluit op het Woo-verzoek vroegen zij op 12 april 2026 een voorlopige voorziening om de paaltjes te verwijderen gedurende de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van spoedeisend belang, omdat verzoekers ruim vier maanden na plaatsing pas het Woo-verzoek indienden en daarna nog zes weken wachtten met het verzoek om voorlopige voorziening. Het college wees hen ook op deze mogelijkheid. Bovendien betreft het plaatsen van paaltjes een feitelijke handeling waartegen geen bezwaar of beroep openstaat.

De voorzieningenrechter stelt dat het standpunt van het college niet evident onrechtmatig is en dat zonder spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid geen voorlopige voorziening kan worden getroffen. Het verzoek wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 29 april 2026 door voorzieningenrechter M. van der Knijff. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de plaatsing van vaste paaltjes wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en omdat het plaatsen van paaltjes een feitelijke handeling betreft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2750

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] ,[verzoeker 2] ,

[verzoeker 3] ,
[verzoeker 4] .
[verzoeker 5] ,
[verzoeker 6] ,
[verzoeker 7] ,
[verzoeker 8] ,
[verzoeker 9] ,
[verzoeker 10] ,
[verzoeker 11]en
[verzoeker 12] ,
allen uit [plaats] , verzoekers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt.

Inleiding

1. Verzoekers hebben op 6 februari 2026 bij het college een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek) ingediend over het plaatsen van vaste paaltjes op de [locatie] in Bilthoven. Deze paaltjes zijn geplaatst op 30 september 2025.
2. Het college heeft op 24 februari 2026 beslist op het Woo-verzoek. Bij brief van 27 februari 2026 hebben verzoekers bezwaar ingediend tegen dat besluit. In de ontvangstbevestiging van 19 maart 2026 heeft het college laten weten dat tegen de feitelijke uitvoering van het plaatsen van de paaltjes geen bezwaar en beroep openstaat, omdat dit geen besluit is. Verzoekers hebben daarna per e-mailbericht van 27 maart 2026 het college laten weten dat het bezwaar zich nadrukkelijk richt tegen de plaatsing en uitvoering van de vaste paaltjes aan de [locatie] .
3. Bij brief van 12 april 2026 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat de vaste paaltjes gedurende de bezwaarprocedure worden verwijderd.
4. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
6. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij niet kunnen wachten op de uitkomst van de bezwaarprocedure omdat het door het plaatsen van de vaste paaltjes niet meer mogelijk is voor bewoners om hun woning te bereiken voor laden en lossen. Een bezwaarprocedure kan enkele maanden duren, terwijl de hinder en beperkingen in de periode aanwezig zijn. Een aantal bewoners heeft geen achterom, waardoor het hofje de enige mogelijkheid is om de woning met een voertuig te bereiken voor laden en lossen.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat van hen niet kan worden verlangd dat zij de beslissing op het bezwaarschrift afwachten. Uit het dossier blijkt dat de gemeente al op 30 september 2025 de vaste paaltjes aan de [locatie] in Bilthoven heeft geplaatst. Verzoekers hebben pas ruim vier maanden later bij het college hun Woo-verzoek ingediend. Na het indienen van bezwaar hebben zij ook nog zes weken gewacht voordat zij het verzoek om een voorlopige voorziening hebben ingediend. Dat is meer dan zes maanden na de plaatsing van de paaltjes. Niet valt in te zien dat verzoekers niet eerder een verzoek om voorlopige voorziening konden indienen. Het college heeft hen in het besluit ook op die mogelijkheid gewezen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat gezien het tijdsverloop niet gebleken is dat sprake is van een spoedeisend belang.
8. Daarnaast is van belang dat het plaatsen van paaltjes een feitelijke handeling is, waar geen bezwaar en beroep tegen openstaat. [1] Verzoekers hebben per e-mailbericht van 20 april 2026 verzocht om aanhouding van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Het college heeft namelijk aangegeven dat binnen afzienbare termijn een besluit zal worden genomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een besluit van het college niet iets zal veranderen aan het oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om de behandeling van het verzoek aan te houden.
Evident onrechtmatig
9. Omdat verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang hebben, kan de door hen gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het plaatsen van de paaltjes evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het standpunt van het college dat het plaatsen van de paaltjes niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, niet in stand zal blijven.
Belangenafweging
10. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekers te laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

11. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beroep instellen bij de bestuursrechter kan op grond van artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen tegen besluiten. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling (artikel 1:3, eerste lid, van de Awb).