Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2239

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/4008
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaard bezwaar tegen terugbetalingsbrief zorgtoeslag

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een brief van 8 mei 2025 waarin staat dat zij een bedrag van €1.526,- moet terugbetalen aan de Dienst Toeslagen. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is waartegen bezwaar mogelijk is.

De rechtbank bevestigt dit standpunt en stelt dat de brief geen verandering brengt in de rechten, plichten of bevoegdheden van eiseres. De terugvordering van het bedrag is al vastgesteld in eerdere besluiten van 30 augustus 2024 en 13 februari 2025, waartegen eiseres bezwaar had kunnen maken.

Omdat de brief slechts informatie geeft over het terug te betalen bedrag en de wijze van betaling, is het bezwaar tegen deze brief niet ontvankelijk. Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard en zij krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de brief geen besluit is waartegen bezwaar mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4008

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: R. Gangadin),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 12 juni 2025.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft op 9 mei 2025 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. In haar bezwaarschrift schrijft zij dat zij het niet eens is met het terugbetalen van € 1.526,-. Bij het bezwaarschrift zit als bijlage een brief van 8 mei 2025 waarin staat dat eiseres € 1.526,- moet terugbetalen en de manieren waarop zij dit kan doen. Het kenmerk van deze brief komt overeen met het kenmerk dat zij noemt in haar bezwaarschrift.
3. Volgens verweerder is de brief van 8 mei 2025 geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Verweerder heeft daarom het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
4. De rechtbank vindt ook dat de brief van 8 mei 2025 geen besluit is waartegen eiseres bezwaar kan maken. De rechtbank legt dat hierna uit.
4.1.
Er kan bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. Volgens de wet is sprake van een ‘besluit’ als er een schriftelijke beslissing is van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Dit houdt in dat er iets verandert in iemands rechten, verplichtingen of bevoegdheden. Dit staat in artikel 1:3 van Pro de Awb.
4.2.
In dit geval verandert de brief van 8 mei 2025 niets in de rechten, plichten of bevoegdheden van eiseres. De brief gaat er namelijk over dat eiseres het te veel ontvangen bedrag aan zorgtoeslag over 2023 nog niet heeft terugbetaald. Dat eiseres te veel heeft ontvangen en welk bedrag zij moet terugbetalen, staat in het besluit van 30 augustus 2024 (de definitieve berekening zorgtoeslag 2023) en het besluit van 13 februari 2025 (afwijzend herzieningsbesluit over de zorgtoeslag van eiseres). De bezwaren van eiseres tegen deze twee besluiten hebben niet geleid tot een verlaging van het bedrag dat eiseres moet terugbetalen. De brief van 8 mei 2025 verandert daarin niets. In deze brief staat alleen dat eiseres € 1.526,- moet terugbetalen (dat is het bedrag dat in de besluiten van 30 augustus 2024 en 13 februari 2025 staat) en hoe zij dat kan doen.
5. Het standpunt van verweerder dat de brief van mei 2025 geen besluit is waartegen eiseres bezwaar tegen kan maken, is dus juist. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat eiseres het niet eens is met het terug te betalen bedrag en hoe dit tot stand is gekomen, is geen reden om hier anders over te denken. Als eiseres het niet eens was met het terug te betalen bedrag, had zij namelijk moeten opkomen tegen de eerdere besluiten waarin is het terug te betalen bedrag is vastgesteld.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Zij krijgt daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.