Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2260

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
609324 / KG ZA 26-167
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • A.W. Zwart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:42 BWArt. 5:37 BWArt. 5:56 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang tot tuin voor onderhoud woning toegewezen, verwijdering beplanting afgewezen

Eiser en gedaagde zijn buren waarvan de achtergevel van eiser grenst aan de tuin van gedaagde. Eiser vordert toegang tot de tuin van gedaagde om onderhoud en schoonmaak aan zijn woning uit te voeren, nadat hij sinds augustus 2025 geen toegang meer heeft. De voorzieningenrechter wijst deze vordering toe, omdat eiser een spoedeisend belang heeft en gedaagde geen gewichtige reden heeft om toegang te weigeren.

Eiser vordert tevens dat gedaagde de beplanting langs de achtergevel verwijdert of snoeit. Deze vordering wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een afspraak was om geen beplanting te plaatsen, dat de heesters binnen de wettelijke afstand van een halve meter van de erfgrens staan, of dat er sprake is van onrechtmatige hinder. De hinder door lichtontneming, tikken van takken en slakken is onvoldoende onderbouwd.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van €925 en de proceskosten van €1.443,02. Er wordt geen dwangsom opgelegd omdat gedaagde tijdens de zitting toezegde eiser toegang te verlenen. De voorzieningenrechter benadrukt het belang van redelijke afspraken tussen buren voor toekomstig onderhoud.

Uitkomst: Eiser krijgt toegang tot tuin van gedaagde voor onderhoud, maar vordering tot verwijdering van beplanting wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 609324 / KG ZA 26-167
Vonnis in kort geding van 8 mei 2026
in de zaak van

1.[eisende partij sub 1] ,2. [eisende partij sub 2] ,

beiden wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij] (in mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. H.M. Mauritz,
tegen
[gedaagde partij],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. J.K. den Haan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15,
- de akte met producties 16 en 17 van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ,
- de akte met producties 1 tot en met 4 van [gedaagde partij] ,
- de mondelinge behandeling van 24 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [gedaagde partij] .

2.De kern van deze zaak

2.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn buren: de achtergevel van de woning van [eisende partij] grenst aan de tuin van [gedaagde partij] . [eisende partij] kan daarom alleen via de tuin van [gedaagde partij] zijn gevel, ramen en kozijnen schoonmaken en onderhouden. Jarenlang kreeg [eisende partij] toegang tot de tuin van [gedaagde partij] , maar sinds augustus 2025 mag [eisende partij] de tuin van [gedaagde partij] niet meer in. [eisende partij] vordert daarom in deze procedure dat hij toegang krijgt tot de tuin, zodat hij werkzaamheden kan (laten) uitvoeren. De voorzieningenrechter wijst die vordering toe. [eisende partij] vordert ook dat [gedaagde partij] de beplanting verwijdert die in de border langs zijn achtergevel staat. Die vordering wijst de voorzieningenrechter af.

3.De beoordeling

[eisende partij] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen
3.1.
[eisende partij] heeft al geruime tijd geen toegang gehad tot zijn achtergevel. De noodzaak om schoon te maken en om onderhoud te plegen neemt daardoor toe en daarom heeft [eisende partij] een spoedeisend belang bij zijn vordering. De vordering die ziet op het verwijderen van de beplanting hangt samen met de wens om bij de gevel te kunnen. [eisende partij] heeft daarom ook bij die vordering een spoedeisend belang.
3.2.
Dat [eisende partij] (volgens [gedaagde partij] ) nu pas een procedure is begonnen, doet daaraan niet af omdat hij eerst heeft geprobeerd om het geschil zonder de rechter op te lossen. De pogingen die [eisende partij] daartoe heeft gedaan, hebben logischerwijs tijd gekost.
[gedaagde partij] moet [eisende partij] op zijn perceel toelaten voor onderhoud
3.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het voor [eisende partij] feitelijk niet mogelijk is om zijn achtergevel te onderhouden zonder het betreden van de tuin van [gedaagde partij] .
3.4.
Op grond van de wet [1] moet [gedaagde partij] [eisende partij] toestaan om gebruik te maken van zijn perceel om zijn gevel en kozijnen te kunnen onderhouden en schoonmaken. [gedaagde partij] kan dit alleen weigeren als hij daar gewichtige redenen voor heeft. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat [eisende partij] in het verleden zijn rododendron heeft beschadigd, maar dit is – als het al vast komt te staan dat dit is gebeurd – geen gewichtige reden als bedoeld in de wet.
3.5.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter [gedaagde partij] gebiedt om [eisende partij] , of een derde namens [eisende partij] , toe te laten tot zijn perceel om werkzaamheden uit te (laten) voeren aan de woning van [eisende partij] . De vordering van [eisende partij] wordt tot zover toegewezen. [eisende partij] heeft ook een dwangsom gevorderd. De voorzieningenrechter zal geen dwangsom aan dit gebod verbinden, omdat [gedaagde partij] tijdens de zitting heeft toegezegd dat hij [eisende partij] zal toelaten in zijn tuin. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [gedaagde partij] die toezegging nakomt en bovendien zal een dwangsom de verhouding tussen partijen – die buren zijn en dus nog langer met elkaar te maken zullen hebben – onnodig op scherp zetten.
Redelijke afspraken maken
3.6.
[gedaagde partij] heeft tijdens de zitting de wens geuit dat hij thuis is op het moment dat [eisende partij] zijn tuin betreedt en die wens is redelijk. [gedaagde partij] moet er dan wel voor zorgen dat [eisende partij] een redelijke mogelijkheid krijgt om op een redelijke termijn (die niet langer is dan een paar weken) onderhoud en/of schoonmaakwerkzaamheden te (laten) verrichten. Omdat [eisende partij] ook in de toekomst de tuin van [gedaagde partij] wil kunnen betreden voor onderhoud – en daar ook recht op heeft – is het belangrijk dat [eisende partij] en [gedaagde partij] allebei als redelijke buurmannen afspraken met elkaar maken, waarbij zij rekening houden met elkaars belangen.
3.7.
Van belang is ook dat [eisende partij] tijdens de zitting heeft toegezegd voorzichtig om te gaan met de planten van [gedaagde partij] . Mocht er toch schade ontstaan door werkzaamheden van [eisende partij] , dan volgt uit de wet [2] dat [eisende partij] de schade die hij aanricht, moet vergoeden. Daarbij geldt dat in principe alleen materiële (financiële) schade voor vergoeding in aanmerking komt en dat het afbreken van een enkele tak of het wegvallen van een bloemknop niet direct schade is in de zin van de wet.
[gedaagde partij] hoeft zijn heesters niet te verwijderen of te snoeien
3.8.
[eisende partij] vordert ook dat [gedaagde partij] de beplanting verwijdert of tot een aanvaardbare hoogte snoeit. [eisende partij] heeft uitgelegd dat die vordering voornamelijk voortkomt uit zijn wens om zonder belemmeringen zijn achtergevel te onderhouden. [eisende partij] baseert zijn vordering tot verwijdering en snoeien op drie grondslagen, namelijk:
Een afspraak met (de ex-vrouw van) [gedaagde partij] dat er geen planten tegen de gevel zouden worden geplaatst;
De heesters staan binnen een halve meter van de erfgrens;
Onrechtmatige hinder door het ontnemen van licht, het tikken van takken en slakken.
De voorzieningenrechter zal de drie grondslagen hierna één voor één behandelen.
a.
a) Dat partijen hebben afgesproken dat er niets zou worden gepland, is niet gebleken
3.9.
Volgens [eisende partij] hebben partijen afgesproken dat [gedaagde partij] de achtergevel van [eisende partij] vrij en onbegroeid zou laten. [eisende partij] verwijst daarvoor naar een e-mail van de ex-partner van [gedaagde partij] aan [eisende partij] waarin zij (na het opknappen van de gevel in 2019) toezegt dat zij de gevel zal houden zoals die is. De e-mail van de ex-partner van [gedaagde partij] is een reactie op een e-mail van [eisende partij] waarin hij zegt dat hij liever niet heeft dat er iets tegen de gevel wordt gezet, dat er iets tegenaan wordt gehangen of geschroefd of dat er iets langs de gevel omhoog zal groeien, zoals klimplanten.
3.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisende partij] met deze e-mail niet heeft onderbouwd dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde partij] helemaal geen planten of struiken in de ruimte voor de achtergevel neerzet. De e-mail ziet op de gevel zelf en beplanting (zoals klimplanten) daar direct tegenaan, en niet op de tuin van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] kan dus niet op grond van deze e-mail worden verplicht om alle beplanting binnen twee meter van de erfgrens te verwijderen of te snoeien.
b) De rododendron en de brem staan op voldoende afstand van de erfgrens
3.11.
[eisende partij] stelt dat twee struiken (heesters) van [gedaagde partij] te dicht op de erfgrens staan en dat ze ook om die reden moeten worden verwijderd. Het betreft de rododendron en de brem, die beide als heester moeten worden gezien. [3]
3.12.
Voor heesters geldt dat die niet binnen een halve meter van de erfgrens mogen staan. De buren kunnen zich niet verzetten tegen een heester die lager is dan de scheidsmuur tussen de erven. [4] Bij de toepassing van deze regels moet de afstand van de plant tot de erfgrens in beginsel worden gemeten op grondniveau en vanaf het hart van de stam(men). [5]
3.13.
[eisende partij] heeft zijn stelling dat de brem en de rododendron binnen een halve meter van de erfgrens staan, niet voldoende onderbouwd. Daar staat tegenover dat [gedaagde partij] wel foto’s heeft overgelegd waarop is te zien dat de gemeten afstand tussen de planten en de erfgrens groter is dan een halve meter. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat de rododendron en de brem niet binnen een halve meter van de erfgrens staan. Dat betekent dat [eisende partij] ook op deze grondslag geen recht heeft op verwijdering van de rododendron en brem.
Er is geen sprake van hinder in de zin van de wet
3.14.
[eisende partij] stelt dat hij hinder ondervindt door de rododendron en de brem, omdat ze licht wegnemen, tikken op de ramen en gevel, en zorgen voor (meer) slakken op de ramen en gevel, die er onsmakelijk uitzien en aan de kozijnen en de kitranden knagen.
3.15.
In de wet staat dat de eigenaar van een erf niet op een onrechtmatige manier hinder mag veroorzaken aan de buren. [6] Dat betekent niet dat alles wat voor een buur hinderlijk is, ook verboden is. Tot op zekere hoogte hebben buren hinder van elkaar te dulden, hoe vervelend zij dat ook vinden. Dat wordt pas anders wanneer hinder dermate veel overlast geeft, dat deze onrechtmatig moet worden geacht. Dit wordt ook wel “onrechtmatige hinder” genoemd. [7]
3.16.
[eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij dermate veel overlast heeft van de heesters van [gedaagde partij] dat sprake is van onrechtmatige hinder. Het is namelijk onduidelijk welke struik in welke mate zorgt voor het verminderen van licht in het huis van [eisende partij] , en zo ja, in welke ruimte. Daarnaast is ook onvoldoende onderbouwd dat en hoe [eisende partij] onrechtmatige hinder ondervindt van het getik van de takken. [eisende partij] heeft niet onderbouwd wat het geluidsniveau is van het getik van de takken en waar en hoe vaak [eisende partij] dat hoort. Ook de hinder van de slakken heeft [eisende partij] onvoldoende onderbouwd. [eisende partij] heeft weliswaar een foto overgelegd waarop te zien is dat een slak over een raam van melkglas kruipt, maar daar blijkt niet uit dat er door de aanwezigheid van de struiken zoveel meer slakken aanwezig zijn en dat die inderdaad zorgen voor aantasting van de kozijnen. Hiermee is ook niet aannemelijk gemaakt dat er meer slakken aanwezig zijn dan die gebruikelijk in een tuin leven. Dat er slakken over de gevel kunnen kruipen heeft [eisende partij] nu eenmaal te dulden.
3.17.
De voorzieningenrechter is daarmee van oordeel dat [eisende partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de last die hij van de heesters ondervindt zo ernstig is dat die moet worden aangemerkt als onrechtmatige hinder in de zin van de wet. [8] De vorderingen van [eisende partij] die zien op het snoeien of verwijderen van de beplanting in de border langs zijn achtergevel worden daarom afgewezen.
[gedaagde partij] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.18.
[eisende partij] stelt dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt ter hoogte van € 1.850,00 en wil dat [gedaagde partij] die betaalt. [eisende partij] (dan wel zijn gemachtigde) heeft [gedaagde partij] meerdere keren gesommeerd om medewerking te verlenen, zodat hij de tuin kan betreden voor onderhoud. [eisende partij] heeft daarbij meerdere keren inhoudelijk gereageerd op de argumenten van [gedaagde partij] . Hiervoor heeft [eisende partij] kosten gemaakt. [gedaagde partij] heeft dit op zichzelf niet betwist. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de gestelde kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt. De door [eisende partij] gevorderde vergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 925,00. [9] De gemachtigde van [eisende partij] heeft de werkzaamheden verricht die hiervoor zijn genoemd. Daarnaast heeft [eisende partij] voordat hij zijn gemachtigde heeft benaderd, zelf ook pogingen ondernomen om het geschil op te lossen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
3.19.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.443,02
3.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
gebiedt [gedaagde partij] om [eisende partij] , dan wel een derde namens [eisende partij] , toe te laten tot het perceel van [gedaagde partij] , om werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren aan de woning van [eisende partij] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.443,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 5:56 BW Pro.
2.Zie opnieuw artikel 5:56 BW Pro.
3.[eisende partij] heeft de brem aangeduid als heermoes, maar tijdens de zitting is vastgesteld dat dat niet klopt. Waar [eisende partij] het heeft over een heermoes, moet brem worden gelezen.
4.Dit volgt uit artikel 5:42 BW Pro.
5.Gerechtshof ‘s -Hertogenbosch 23 maart 2021,
6.Artikel 5:37 BW Pro.
7.HR 3 mei 1991,
8.Artikel 5:37 BW Pro.
9.Dit bedrag wordt redelijk geacht voor vorderingen van een onbepaalde waarde, zie paragraaf 3.3. van Rapport BGK-integraal 2013 (herzien in 2023).