Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2261

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6617
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a AwbArt. 7:12 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende gemotiveerde afwijzing van financiële tegemoetkoming verhuiskosten op grond van de Wmo

Eiser, woonachtig in [plaats] en ontvanger van een IVA-uitkering, verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist om een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten op grond van de Wmo. Het college wees dit verzoek af omdat eiser niet wilde deelnemen aan een gesprek met het sociaal team, dat volgens het college noodzakelijk was om de situatie goed te kunnen beoordelen.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met schriftelijke vragen om een goed beeld te verkrijgen. Het college verwees slechts vaag naar de aard van de problematiek en aanwezige e-mailcorrespondentie zonder nadere toelichting. Omdat het college niet op de zitting verscheen, kon hierover geen nadere uitleg worden gegeven.

Andere beroepsgronden van eiser, zoals het inschakelen van een onafhankelijke arts, het voeren van een gesprek via beeldverbinding, vermeende vooringenomenheid van het college en schending van beginselen van behoorlijk bestuur, worden door de rechtbank verworpen wegens onvoldoende onderbouwing of bewijs.

De rechtbank stelt het college op grond van de Awb in de gelegenheid het gebrek in de motivering te herstellen binnen vier weken, en bepaalt dat het college binnen twee weken moet meedelen of het van deze mogelijkheid gebruik maakt. De verdere procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank wijst het college aan het gebrek in de motivering te herstellen en houdt verdere beslissing aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6617

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, het college

(gemachtigde: mr. S. Boundati).

Procesverloop

1. Bij besluit van 16 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser voor financiële tegemoetkoming voor verhuizing op grond van de Wmo [1] (hierna: verhuiskostenvergoeding) afgewezen.
1.1.
In het besluit van 11 november 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard maar is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

2. Eiser woont met zijn echtgenote en kinderen in [plaats] en ontvangt een IVA-uitkering [2] . Eiser heeft de wens om met zijn gezin naar Utrecht te verhuizen om zich op die manier te onttrekken aan langlopende conflicten met de gemeente Zeist [3] en heeft hiertoe een aanvraag ingediend voor verhuiskostenvergoeding. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet in gesprek wil gaan met het sociaal team. Dit gesprek acht het college noodzakelijk om een goed beeld te krijgen van situatie om te kunnen beoordelen of het nodig is om de gevraagde voorziening te verstrekken. De al in het dossier aanwezige informatie is hiertoe onvoldoende terwijl het college niet verwacht op een andere wijze, door het stellen van schriftelijke vragen, tot een goed beeld te kunnen komen.

Het oordeel van de rechtbank

Wat vindt eiser?
3. Eiser heeft aangevoerd aan dat hij zich in een permanente staat van stress en psychische overbelasting bevindt vanwege de geëscaleerde situatie tussen hem en het college en de RSD. Een verhuizing is daarom geen wens maar noodzaak. Er is naar de mening van eiser met betrekking tot zijn aanvraag geen zorgvuldig onderzoek verricht door het college. Een gesprek in persoon is niet wettelijk verplicht terwijl de aanvraag ook op basis van de aanwezige stukken beoordeeld had kunnen worden. Als de aanwezige informatie onvoldoende is, had het college ook alternatieven voor een gesprek kunnen aanbieden, zoals schriftelijke vragen of telefonisch of digitaal contact. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dat niet tot de mogelijkheden behoorde. Ook heeft het college ten onrechte niet voldaan aan zijn verzoek om een onafhankelijk arts in te schakelen, zodat zijn psychische toestand en noodzaak van een verhuizing objectief kan worden vastgesteld. Verder heeft eiser erop gewezen dat het ambtelijk advies niet objectief tot stand is gekomen. Tenslotte doet eiser een beroep op de beginselen van behoorlijk bestuur en stelt hij dat deze zijn geschonden.
Noodzaak tot een gesprek
4. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen wettelijke verplichting bestaat om in het kader van zorgvuldig onderzoek in alle gevallen met de aanvrager van een Wmo-voorziening in persoon in gesprek te gaan. Om te kunnen beoordelen of het nodig is om een maatwerkvoorziening te verstrekken, en zo ja, welke is het wel nodig om een goed beeld van de situatie te verkrijgen. Als een gesprek nodig is om dit beeld te verkrijgen en de betrokkene weigert dit, mag het college de aanvraag afwijzen. De vraag is dan ook of een gesprek met eiser in dit geval nodig was om een goed beeld te verkrijgen. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat dit gesprek hiertoe noodzakelijk was.
5. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval, in aanvulling op de al aanwezige informatie, niet kon worden volstaan met het stellen van nadere schriftelijke vragen om een goed beeld van de situatie te verkrijgen. In het bestreden besluit wordt namelijk in dit kader volstaan met een verwijzing naar de aard van de problematiek en de al aanwezige e-mail correspondentie. Niet wordt uitgelegd of toegelicht wat hiermee wordt bedoeld en waarom dit tot de verwachting leidt dat met schriftelijke communicatie geen goed beeld kan worden verkregen. Nu het college niet op zitting is verschenen kon hierover ook daar geen nadere toelichting of uitleg worden gegeven.
6. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. [4] Hierna zal de rechtbank de gevolgen hiervan bespreken, maar eerst zal zij de overige beroepsgronden van eiser beoordelen.
Overige gronden met betrekking tot de zorgvuldigheid van de besluitvorming
7. Eiser vindt dat het college een onafhankelijke arts had moeten inschakelen om zijn psychische toestand te beoordelen, maar daar is de rechtbank het niet mee eens. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor verhuiskostenvergoeding. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor verlening is voldaan in beginsel op hem. Deze bewijslast brengt met zich mee dat als eiser, als hij zich beroept op zijn medische problemen, deze ook moet onderbouwen met stukken waaruit die medische problemen blijken. Het is dus niet aan het college om door een onafhankelijke arts de aard en omvang van eiser zijn medische problemen vast te laten stellen. . Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
8. Eiser heeft verder ter zitting aangevoerd dat de gemeente hem ten onrechte niet in staat heeft gesteld om via een beeldverbinding een gesprek te voeren. Hiertoe zou eiser naar eigen zeggen bereid zijn geweest. De rechtbank stelt echter vast dat tijdens de hoorzitting aan de gemachtigde van eiser is gevraagd of een andere vorm van een gesprek mogelijk is, bijvoorbeeld via de telefoon of een vertrouwd persoon. Hierop is geantwoord dat eiser alleen schriftelijk in contact wil komen [5] . Nu namens eiser daarmee expliciet is aangegeven enkel voor schriftelijk contact open te staan, bestaat geen grond om het college toe te rekenen dat zij op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Ook heeft eiser aangevoerd dat sprake is van vooringenomenheid aan de kant van het college omdat medewerkers die actief betrokken zijn bij eerdere conflicten, ook betrokken zijn bij de beoordeling van onderhavige aanvraag Ter zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat hij geen namen kan noemen van de betreffende medewerkers. Hierdoor is deze stelling voor de rechtbank niet controleerbaar en kan deze beroepsgrond niet slagen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
10. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat het bestreden besluit ook overigens in strijd is (genomen) met verschillende rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser volstaat steeds met de stelling dat strijd bestaat met een bepaald beginsel omdat het college zich hieraan niet heeft gehouden. Hij concretiseert niet waarom hij tot die conclusie komt en waaruit dit dan blijkt in het bestreden besluit, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.

Het verdere verloop van de procedure

11. Zoals hiervoor is overwogen onder punt 5 en 6 is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit gebrekkig tot stand is gekomen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college inzichtelijk maken waarom een gesprek met eiser noodzakelijk is om een goed beeld van de situatie te krijgen en hiervoor niet kan worden volstaan met het stellen van schriftelijke vragen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
12. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
13. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
2.Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA).
3.Het college en de Regionale Sociale Dienst (RSD).
4.Dit is in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Zie het verslag van de vergadering van de adviescommissie bezwaarschriften op 16 september 2025.