5.3.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op. Daarnaast legt zij een jeugddetentie van drie maanden op. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze maatregel en straf is gekomen.
Bij het bepalen van deze sancties houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsincidenten bij [stichting] , waar hij verbleef op een jeugdzorgplus groep. Op 9 april 2025 heeft hij, toen bij hem de spanning en emoties hoog opliepen, zijn groepsleider gestoken met een door hemzelf daartoe scherp geslepen pen. [verdachte] was op dat moment zodanig ontregeld dat de Dienst Speciale Interventies (DSI) van de politie er aan te pas moest komen. Dat is een spannende situatie geweest voor [verdachte] , maar de situatie zal ook op de medebewoners en het personeel grote impact hebben gehad.
De groepsleider heeft een bloedstreep op zijn bovenarm overgehouden aan de mishandeling. Het is wrang dat hij op zijn werk slachtoffer is geworden van geweld, terwijl hij zich juist elke dag inzet voor de zorg en veiligheid van jongeren, zoals [verdachte] .
Op 9 september 2025 is het opnieuw misgegaan. [verdachte] kwam terug van verlof met een aansteker op zak en heeft vervolgens opzettelijk in zijn kamer kleding en een doos in brand gestoken. [verdachte] heeft daarbij niet alleen zijn eigen leven in gevaar gebracht, maar ook die van zijn begeleiders die voor zijn zorg verantwoordelijk waren. Daarnaast heeft hij schade toegebracht aan de deur en verschillende spullen in de kamer. Dat is een ernstig strafbaar feit. Gelukkig zijn de begeleiders van de woongroep snel in actie gekomen en zijn ergere gevolgen voorkomen. [verdachte] ziet dat zelf ook in:
“Dat mensen naar binnen wilden komen om mij te redden vind ik heel mooi, maar ook erg want zij hadden er natuurlijk ook slechter uit kunnen komen”.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
[verdachte] heeft de feiten bekend en heeft spijt dat hij anderen in gevaar heeft gebracht. Uit het strafblad blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Over [verdachte] zijn meerdere rapportages opgemaakt:
- Het adviesrapport van de psycholoog [B] van 30 januari 2026;
- Het adviesrapport van de kind-psychiater [A] van 7 februari 2026;
- Het adviesrapport van de Reclassering Nederland van 3 april 2026;
- Het adviesrapport van de Raad van 7 april 2026.
In de rapportages is veel opgeschreven over [verdachte] . Uit de rapportages komt een beeld naar voren van een kwetsbare jongeman, die snel overvraagd raakt en gebaat is bij een langdurige behandeling en begeleiding in een setting met voldoende veiligheid, overzicht en structuur. Het risico op gewelddadig gedrag wordt door alle rapporteurs als hoog ingeschat en een langdurige klinische behandeling met intensieve zorg wordt als noodzakelijk gezien om het recidiverisico omlaag te kunnen brengen.
De psycholoog en de psychiater adviseren in hun rapporten beiden de toepassing van het volwassenenstrafrecht, omdat de instrumenten in het jeugdstrafrecht met name gericht zijn op pedagogische beïnvloeding. Zij schatten in dat een pedagogische aanpak niet mogelijk is en dat [verdachte] niet geschikt is voor een groepsklimaat. De Raad en de Reclassering sluiten zich bij dat advies aan, omdat zij binnen het jeugdstrafrecht geen behandelplekken zien die voldoen aan de complexe zorgvraag van [verdachte] . Het volwassenenkader biedt daarin meer mogelijkheden. Tegelijkertijd benoemen alle rapporteurs dat het een lastige casus is, omdat er met name aanwijzingen naar voren komen die pleiten vóór het toepassen van het jeugdstrafrecht. De contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht, zoals een justitiële voorgeschiedenis of een criminele levensstijl zijn juist niet aanwezig.
De belangrijkste vraag in deze zaak is waar [verdachte] het beste terecht kan. Volgens de Raad is [verdachte] vanwege de complexiteit van zijn problematiek in combinatie met zijn gender en kwetsbaarheid zowel in het jeugdkader als in het volwassenenkader al op meerdere plekken afgewezen. Door de psychiater en de psycholoog wordt een kliniek zoals de Hoeve Boschoord van Trajectum als meest geschikte plek beoordeeld, omdat daar volwassenen met een licht verstandelijke beperking, complexe psychiatrische problematiek en ernstig risicovol gedrag worden behandeld. De advocaat van [verdachte] heeft bij Trajectum navraag gedaan naar de mogelijkheden van opname. Daar zou [verdachte] volgens Trajectum alleen kunnen worden geplaatst in het kader van een tbs met voorwaarden, tbs met dwangverpleging of een rechterlijke machtiging. Dat zou dus ook betekenen dat [verdachte] alléén daar terecht zou kunnen op basis van het volwassenenstrafrecht, en niet op basis van het jeugdstrafrecht. De wachtlijst voor de plaatsing in de forensisch psychiatrische kliniek (FPK) met beveiligingsniveau 3 van de Boschoord bedraagt volgens Trajectum op dit moment maar liefst twee jaar.
De psycholoog en psychiater komen tot het advies om tbs met voorwaarden op te leggen. De reclassering en de Raad onderschrijven dat advies. De reclassering benadrukt echter dat als er nog geen plek voor [verdachte] is gevonden, zij niet kunnen komen tot een plan van aanpak voor tbs met voorwaarden. In dat geval adviseren de reclassering en de Raad toch de oplegging van een PIJ-maatregel (en dus de toepassing van het jeugdstrafrecht), zodat [verdachte] hopelijk in [locatie] kan blijven. De Raad benadrukt dat het niet wenselijk is [verdachte] vaker dan nodig over te plaatsen, vanwege de spanningen die daarmee gepaard gaan. [locatie] zou dus ter overbrugging de meest geschikte plek zijn, echter is [locatie] volgens de reclassering niet geschikt om gedegen te werken aan lange termijndoelen. De verantwoordelijkheid voor de plaatsing bij een PIJ-maatregel ligt echter bij de Dienst Individuele Zaken (DIZ).
De Raad adviseert tot slot om naast een maatregel niet ook nog een aanvullende straf op te leggen, omdat het niet wenselijk is dat de zorg wordt doorkruist.
Jeugdstrafrecht
[verdachte] was nog minderjarig (17 jaar) toen hij de mishandeling pleegde. Op de datum van de brandstichting was [verdachte] inmiddels 18 jaar. De rechtbank moet daarom kiezen of zij voor beide feiten het jeugdstrafrecht, dan wel het volwassenenstrafrecht toe zal passen. Omdat de zaken gevoegd zijn, zullen beide zaken volgens hetzelfde sanctiestelsel worden beoordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat het jeugdstrafrecht het beste past bij de ontwikkelingsfase en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . [verdachte] functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau en volgt nog schoolvakken en stage in [locatie] . Daarnaast is hij niet eerder met het strafrecht in aanraking gekomen. Hoewel met pedagogische beïnvloeding volgens de deskundigen slechts in beperkte mate resultaat kan worden behaald, laat [verdachte] in de gestructureerde omgeving van [locatie] wel een positieve vooruitgang zien, zodat het sanctiestelsel voor jeugdigen het beste aansluit bij de ontwikkelingsbehoeften van [verdachte] .
PIJ-maatregel
Het tekort aan plekken in de jeugdzorg (zowel in forensisch kader als de ggz) is al jaren een grote zorg en leidt tot schrijnende situaties. Er is een groot tekort aan specialistische instellingen en daardoor zitten veel kinderen en jongeren langer dan nodig op een plek die voor hen niet passend is. Dit terwijl deze jongeren zich in een belangrijke ontwikkelingsfase bevinden in hun leven en in deze fase in beslissende mate nog worden gevormd.
Deze zaak is exemplarisch voor de pijnlijke gevolgen van de tekorten in de jeugdzorg. Een gebrek aan geschikte plekken binnen de PIJ-maatregel leidt in deze zaak tot een advies door de deskundigen voor het opleggen van tbs met voorwaarden. Maar eigenlijk wordt het jeugdstrafrecht meer passend gevonden bij de persoon van de jeugdige. De deskundigen zijn het er bovendien over eens dat een omzetting naar tbs met dwangverpleging absoluut onwenselijk zou zijn, in het geval de voorwaarden niet door [verdachte] kunnen worden nageleefd.
De rechtbank heeft daarom op zitting met de verdediging, de officier van justitie en de deskundigen gezocht naar een passende oplossing. De rechtbank vindt een plaatsing bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek Boschoord het meest passend voor [verdachte] . Maar nu dat door lange wachttijden voorlopig geen optie is, was iedereen op zitting het met elkaar eens dat hij tot die tijd, indien mogelijk, op dezelfde groep bij [locatie] moet blijven. [verdachte] heeft het daar naar zijn zin en boekt daar voorzichtig vooruitgang. Door zijn kwetsbaarheid is het bovendien moeilijk om een andere geschikte plek voor hem te vinden. Mede om ervoor te zorgen dat [verdachte] bij [locatie] kan blijven, legt de rechtbank aan [verdachte] een PIJ-maatregel op.
De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor de oplegging van een PIJ-maatregel is voldaan. Bij [verdachte] bestond ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, zoals hierboven onder 4.2.3 is beschreven. De brandstichting betreft een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet op het hoge recidiverisico eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van deze maatregel. Daarnaast is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . Uit de adviezen van de psycholoog en psychiater volgt dat [verdachte] gebaat is bij een langdurige, klinische behandeling in een beveiligde omgeving en met voldoende begeleiding. De rechtbank vindt dan ook, alles afwegend, de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden.
Advies over tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel
De behandeling zou kunnen worden gestart in [locatie] . De langdurigere effecten van de behandeling en begeleiding die hij daar krijgt zijn wel beperkt en mogelijk op langere termijn onvoldoende om door te kunnen groeien. De rechtbank vindt dat de Boschoord een geschikte doorstroomplek zou kunnen zijn voor [verdachte] , maar dat is niet mogelijk binnen een PIJ-maatregel.
Wat de rechtbank betreft hoeft de PIJ-maatregel daarom niet noodzakelijkerwijs drie jaren (of langer in geval van een verlenging) te duren. Het heeft namelijk de voorkeur om [verdachte] binnen het kader van een rechterlijke machtiging verder te behandelen in een voor hem geschikte kliniek zoals de Boschoord. De rechtbank heeft om die reden op de zitting aan de partijen en deskundigen de wettelijke mogelijkheden voorgelegd van een eerdere beëindiging door de minister op grond van artikel 6:2:22, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast kan de PIJ-maatregel worden beëindigd op grond van artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering door een rechterlijke machtiging, een crisismaatregel of een zorgmachtiging af te geven.
Het onderzoek naar een rechterlijke machtiging, de uiteindelijke beslissing daarop en de eventuele latere beëindiging van de PIJ-maatregel liggen buiten de invloedsfeer van de rechtbank. Wel ziet de rechtbank op grond van artikel 6:1:1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid bij dit vonnis een advies te geven ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel.
Dat advies luidt als volgt:
De rechtbank adviseert de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel in [locatie] , zodat [verdachte] niet hoeft te worden overgeplaatst en de tot nu toe bereikte stabiliteit blijft gewaarborgd. Daarnaast adviseert de rechtbank de mogelijkheden van een rechterlijke machtiging voor [verdachte] te onderzoeken en de PIJ-maatregel niet langer dan noodzakelijk te laten voortduren, zodra in het civiele kader een geschikte plek in een kliniek (zoals bij de Hoeve Boschoord van Trajectum of een soortgelijke instelling) is gevonden. Gedacht kan dan worden aan een beëindiging van de PIJ-maatregel op grond van artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Strafoplegging
De rechtbank rekent de feiten in sterk verminderde mate aan [verdachte] toe. Wel vindt de rechtbank de feiten zodanig ernstig dat zij vindt dat deze, naast de oplegging van een PIJ-maatregel, ook een straf rechtvaardigen die vrijheidsbeneming met zich brengt.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor brandstichting met gevaar voor personen is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Voor mishandeling geldt als oriëntatiepunt een werkstraf van 20 tot 60 uur.
Alles overwegend vindt de rechtbank voor beide feiten een jeugddetentie van drie maanden passend, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank weegt daarbij met name strafverzwarend mee dat de brand levensgevaarlijk was. Daarnaast is het strafverzwarend dat [verdachte] tegen de politie heeft gezegd dat hij ook daadwerkelijk de groepsleider met de scherp gemaakte pen wilde doodmaken. [verdachte] heeft tot en met de uitspraak al 227 dagen in voorarrest doorgebracht. Dat betekent dus dat hij niet nog langer jeugddetentie opgelegd krijgt dan hij al in voorarrest heeft uitgezeten.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij de feiten sterk verminderd aan de verdachte toerekent. Een jeugddetentie van 226 dagen vindt de rechtbank om die reden te fors.