Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2289

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
C/16/598409 / HL RK 25/36
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 UAVGAlgemene Verordening Gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verwijdering onrechtmatige BKR- en IVR/EVR-registraties afgewezen

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van de AVG tot verwijdering van haar persoonsgegevens uit het BKR-register en de IVR- en EVR-systemen van WUB, stellende dat deze registraties onrechtmatig zijn en dat haar persoonsgegevens onrechtmatig zijn gedeeld met derden.

WUB heeft aangevoerd dat de registraties terecht zijn en dat verzoekster valsheid in geschrifte heeft gepleegd in eerdere procedures, hetgeen is bevestigd door een bindend advies van de Geschillencommissie Kifid. Dit bindend advies heeft rechtskracht en verzoekster heeft geen rechtsmiddel tegen dit advies aangewend.

De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoeken tot verwijdering van de BKR- en IVR/EVR-registraties vanwege het bindend advies en het ontbreken van nieuwe relevante feiten. De overige verzoeken worden afgewezen omdat WUB heeft voldaan aan de opgaveplicht en er geen bewijs is van onrechtmatige gegevensdeling.

Verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op €1.306,00. De beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tot verwijdering van BKR- en IVR/EVR-registraties en de overige verzoeken worden afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rekestnummer: C/16/598409 / HL RK 25/36
Beschikking van 28 april 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
precederend in persoon,
en
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
m.h.o.d.n. West Utrecht Bank,
gevestigd in Amsterdam,
verweerster,
hierna te noemen: WUB,
advocaat mr. D.J. Posthuma.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft op 20 oktober 2025 een verzoekschrift, als bedoeld in artikel 35 van Pro de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG), ingediend. Vervolgens heeft zij nadere stukken ingediend en is er over het verloop van de procedure gecorrespondeerd. Op 25 maart 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van de zijde van
WUB ontvangen.
1.3.
Op 31 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.4.
Na afloop van de mondelinge behandeling is partijen bericht dat vandaag een beschikking zal worden gegeven.

2.Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1.
[verzoekster] grondt haar verzoek op het (onrechtmatig) registreren van haar persoonsgegevens door WUB in het BKR-register en de IVR- en EVR systemen (dit zijn het Intern en Extern Verwijzingsregister van banken) en het delen van haar persoonsgegevens met derden. [verzoekster] zegt dat zij sinds 2020 betrokken is bij een geschil met WUB. In 2022 heeft [verzoekster] een kort geding tegen WUB gevoerd om de – in haar ogen – onrechtmatige BKR-registratie te verwijderen. Na deze procedure is [verzoekster] (door de fraudeafdeling van ING Bank) geregistreerd in het IVR- en EVR-register en is zij op een interne ‘zwarte lijst’ geplaatst. Volgens [verzoekster] is de BKR-registratie (onder meer) onrechtmatig omdat de vereiste ‘vooraankondigingsbrief’ niet aan haar is verzonden. Door de BKR-registratie heeft [verzoekster] schade geleden, van ten minste € 40.000,00, zegt zij. In 2024 is [verzoekster] een klachtprocedure bij het Kifid gestart. Naast deze onterechte registraties, heeft WUB ook onrechtmatig persoonsgegevens van [verzoekster] gedeeld met derden. Deze gegevens zijn afkomstig van een laptop, die [verzoekster] jaren geleden via Marktplaats heeft verkocht, en die klaarblijkelijk in het bezit is gekomen van WUB. Volgens [verzoekster] wijst alles erop dat WUB met haar handelwijze de persoonlijke en zakelijke reputatie van [verzoekster] heeft willen ondermijnen, dan wel vernietigen, en probeert WUB haar eigen aansprakelijkheid te beperken.
2.2.
[verzoekster] heeft de rechtbank daarom verzocht om:
1) voor recht te verklaren dat WUB haar persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt en gedeeld met derden;
2) WUB te bevelen om alle verwerkte gegevens te verwijderen uit het BKR-register en de IVR- en EVR systemen, alsmede eventuele interne ‘zwarte lijsten’, en om hiervoor een bewijs te verstrekken aan [verzoekster] ;
3) WUB te bevelen zich te onthouden van verdere verwerking of verspreiding van persoonsgegevens van [verzoekster] ;
4) WUB te bevelen een overzicht te verstrekken van de persoonsgegevens die zij van [verzoekster] heeft verwerkt;
5) WUB te bevelen bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) opgave te doen van het onrechtmatige verwerken van persoonsgegevens, en;
6) WUB te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.3.
WUB heeft aangevoerd dat de BKR-, IVR- en EVR registraties terecht zijn. [verzoekster] heeft valsheid in geschrifte gepleegd door in het kort geding tot doorhaling van haar BKR-registratie stukken in te dienen die vervalst waren. Deze feiten en omstandigheden zijn aan de orde geweest in een procedure bij de Geschillencommissie van het Kifid, die heeft geleid tot een uitspraak op 7 februari 2025. In deze uitspraak, die als een bindend advies geldt, is beslist dat WUB de BKR-registratie niet hoeft te verwijderen en is de duur van de registratie in de IVR- en EVR-registers terug gebracht tot 6 jaar. De BKR-registratie wordt per 1 mei 2026 automatisch verwijderd en [verzoekster] heeft geen belang gesteld bij voortijdige verwijdering. De duur van de registratie in de IVR- en EVR-registers is in het bindend advies reeds verkort en [verzoekster] heeft geen vernietiging van het bindend advies gevorderd, of gesteld dat het bindend advies gebreken kent. WUB stelt zich op het standpunt dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar verzoeken, zoals hiervoor vermeld onder 2.2. onder 1) en 2). Los daarvan heeft [verzoekster] in haar verzoekschrift ook niets nieuws naar voren gebracht. WUB heeft geconcludeerd tot afwijzing van de overige verzoeken – omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de registraties niet onterecht zijn en omdat het een verzinsel is dat WUB een laptop van [verzoekster] , via Marktplaats heeft gekocht en haar persoonsgegevens op oneigenlijk wijze zou hebben gebruikt of gedeeld met derden –, maar WUB heeft evenwel een bijlage bij het verweerschrift overgelegd, waaruit volgt welke persoonsgegevens van [verzoekster] zijn geregistreerd.
2.4.
Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van de zaak toekomt, zal eerst moeten worden beoordeeld of [verzoekster] kan worden ontvangen in haar verzoek. Met WUB is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken, zoals hiervoor vermeld onder 2.2. onder 1) en 2).
2.5.
De uitspraak van de Geschillencommissie van het Kifid van 7 februari 2025 heeft te gelden als een bindend advies. Hoewel het formeel geen rechterlijk vonnis is, heeft het wel een vergelijkbare rechtskracht. De uitkomst is niet vrijblijvend en partijen moeten zich aan dit bindende oordeel houden. Niet gebleken is dat [verzoekster] een rechtsmiddel tegen het bindende advies heeft aangewend en, zoals door WUB ook is aangevoerd, zij heeft in deze procedure evenmin om de vernietiging van het bindend advies gevraagd.
2.6.
Uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam, in de kort gedingprocedure uit 2022, volgt dat er gerede twijfel is ontstaan over de echtheid van enkele stukken, die door [verzoekster] in die procedure waren ingebracht, en in de procedure bij het Kifid is geoordeeld dat [verzoekster] vervalste stukken heeft overgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft WUB op deze uitspraken mogen afgaan en zijn de registraties derhalve niet onterecht. Ten tijde van de mondelinge behandeling heeft WUB ook geuit dat [verzoekster] op geen enkele wijze heeft aangetoond dat zij geen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Zij heeft in ieder geen nieuwe, relevante informatie verstrekt of stukken ingebracht, die tot een ander oordeel kunnen leiden. De rechtbank volgt [verzoekster] ook niet in de stelling dat het juist WUB is, die haar standpunten niet deugdelijk heeft onderbouwd, Uit de uitspraak van de Geschillencommissie van het Kifid blijkt immers het tegenovergestelde.
2.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat [verzoekster] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoeken, zoals hiervoor vermeld onder 2.2. onder 1) en 2).
2.8.
De overige verzoeken zullen worden afgewezen. WUB heeft vrijwillig voldaan aan het verzoek van [verzoekster] om opgave te doen van de persoonsgegevens die WUB, als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de UAVG, van [verzoekster] heeft geregistreerd en uit niets is gebleken dat WUB deze gegevens ten onrechte met overige derden heeft gedeeld, anders dan de verwerking in het BKR- en EVR-register. Hierover is, zoals hiervoor reeds is overwogen, beslist dat de EVR-registratie niet eerder dan na ommekomst van een termijn van zes jaar hoeft te worden verwijderd en dat deze, en de overige registraties, niet onterecht zijn. Aldus bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding de overige verzoeken van [verzoekster] toe te wijzen.
2.9.
[verzoekster] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van WUB worden begroot op € 1.306,00 aan salaris advocaat (2 punten x het tarief € 653,00).

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoeken, zoals vermeld onder 2.2. onder 1) en 2),
3.2.
wijst de overige verzoeken af,
3.3.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van WUB tot op heden begroot op € 1.306,00,
3.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. [1]

Voetnoten

1.4510