Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2295

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
C/16/605662 / HA ZA 26-37
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 165 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzageverzoek stukken in civiele beroepsfoutzaak advocaat deels toegewezen

In deze civiele procedure vordert de gedaagde, voormalig advocaat van eiser, inzage in stukken die relevant zijn voor zijn verweer tegen de aansprakelijkheidsvordering wegens een vermeende beroepsfout. De gevraagde stukken betreffen correspondentie tussen eiser en zijn verzekeraar Interpolis en communicatie tussen eiser en zijn advocaat.

De rechtbank beoordeelt het verzoek op grond van artikel 194 Rv Pro en weegt het recht op inzage af tegen het functionele verschoningsrecht van de advocaat. De inzage in correspondentie tussen eiser en Interpolis wordt toegewezen omdat deze stukken relevant en voldoende bepaald zijn en het belang van waarheidsvinding zwaarder weegt dan de door eiser aangevoerde vertrouwelijkheidsbelangen.

De gevraagde inzage in adviezen en communicatie tussen eiser en zijn advocaat wordt afgewezen vanwege het functionele verschoningsrecht, dat de geheimhouding van vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt beschermt. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd en de hoofdzaak wordt voorbereid voor een mondelinge behandeling.

De rechtbank beveelt eiser om binnen twee weken afschrift van de toegewezen stukken te verstrekken en stelt een planning vast voor verdere procedurele stappen. Het vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en op 29 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst het inzageverzoek deels toe en erkent het functionele verschoningsrecht van de advocaat voor bepaalde stukken.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605662 / HA ZA 26-37
Vonnis in incident van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J. Wolleswinkel,
tegen
[gedaagde],
woned in [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F.E. Rijpkema.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
­ de dagvaarding met producties 1 tot en met 18;
­ de conclusie van antwoord, met een incidentele vordering tot inzage van stukken op grond van artikel 194 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv), met producties 1 tot en met 4;
­ de conclusie van antwoord in het incident met producties 19 tot en met 21;
­ de akte van [gedaagde] met uitlating op de producties in het incident.
1.2
Vervolgens is bepaald dat er een vonnis in het incident zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
In 2007 en 2008 heeft [gedaagde] als advocaat opgetreden voor [eiser] in een geschil met zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeraar Interpolis. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in zijn zaak een beroepsfout gemaakt, waardoor hij schade lijdt. [eiser] heeft [gedaagde] hiervoor in de hoofzaak aansprakelijk gesteld. [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen en voert onder andere de verweren: (1) de vordering van [eiser] op hem is verjaard, en (2) [eiser] heeft niet tijdig geklaagd, waardoor hij geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie. Volgens [gedaagde] beschikt [eiser] over de informatie waarmee hij deze verweren kan onderbouwen. Om die reden vordert [gedaagde] in incident inzage van de hierna te noemen stukken. De rechtbank wijst de incidentele vordering deels toe.

3.De beoordeling in het incident

3.1
[gedaagde] vordert op grond van artikel 194 Rv Pro inzage in de volgende stukken:
I. de correspondentie tussen (de advocaat van) [eiser] en Interpolis in de periode 5 maart 2015 t/m 11 april 2016;
II. de adviezen, correspondentie en telefoonnotities tussen [eiser] en zijn advocaat waaruit blijkt dat en wanneer [eiser] erop is gewezen dat Interpolis (mogelijk) niet binnen twee maanden na ontdekking van de verzwijging door [eiser] (maagklachten en/of psychisch klachten) de gevolgen heeft ingeroepen.
Toetsingskader voor de inzage
3.2
In de wet staat dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als hij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 lid 1 Rv Pro). Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht inzage te geven, wanneer daarom wordt gevraagd, tenzij (artikel 194 lid 2 Rv Pro):
hem een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv Pro toekomt, of
gewichtige redenen zich daartegen verzetten
De gevorderde inzage van de stukken onder I wordt toegewezen
3.3
De rechtbank wijst de gevorderde inzage van de stukken onder I toe. Voor dit inzageverzoek is aan de voorwaarden van artikel 194 Rv Pro voldaan en het verweer van [eiser] dat gewichtige redenen zich tegen de inzage verzetten slaagt niet.
3.4
[gedaagde] is partij bij de rechtsbetrekking, waarvoor hij de gegevens verzoekt. Tegen [gedaagde] zijn namelijk vorderingen ingesteld met als verwijten dat hij als advocaat een beroepsfout heeft gemaakt en/of onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] . [gedaagde] stelt de gevraagde stukken nodig te hebben voor zijn verweer over die rechtsbetrekking.
3.5
De gevraagde stukken onder I zijn voldoende bepaald. Het onderwerp en de gevraagde stukken zijn namelijk voldoende afgebakend en voor de rechtsbetrekking relevant. De gevraagde stukken zijn beperkt tot de correspondentie tussen (de advocaat van) [eiser] en Interpolis in een bepaalde periode. Volgens [gedaagde] heeft hij die stukken nodig om te kunnen aantonen wanneer de verjaringstermijn en/of de klachtplicht zijn aangevangen. Daarmee heeft [gedaagde] voldoende belang bij inzage in de stukken. Verder is het niet in geschil tussen partijen dat [eiser] over de gevraagde stukken beschikt. Onder ‘beschikken’ wordt verstaan dat [eiser] de gevraagde stukken fysiek onder zich heeft of gemakkelijk van een derde kan verkrijgen.
3.6
Volgens [eiser] verzetten gewichtige redenen zich tegen de inzage van de stukken, maar dit verweer slaagt niet. De gestelde belangen van [eiser] wegen niet zwaarder dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt en partijen over alle relevante informatie beschikken die van belang is voor de oplossing van hun geschil. Weliswaar heeft [eiser] aangevoerd dat de stukken zeer vertrouwelijke gegevens bevatten, maar hij heeft dat niet verder toegelicht. Doordat een uitleg ontbreekt, kan de vertrouwelijkheid die zich tegen de verstrekking zou verzetten niet worden beoordeeld. Dan volgt het oordeel dat dit belang niet zwaarder weegt dan het belang van waarheidsvinding. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] geen inzicht mag krijgen in de wijze waarop [eiser] zich heeft opgesteld tegenover Interpolis en welke strategische keuzes daarin zijn gemaakt. Ook hier ontbreekt de toelichting waarom dit zwaarder moet wegen dan het belang van waarheidsvinding en gaat de rechtbank er niet in mee.
De gevorderde inzage van de stukken onder II wordt afgewezen
3.7
De rechtbank wijst de gevorderde inzage van de stukken onder II af. Hiervoor geldt dat het beroep van [eiser] op het functionele verschoningsrecht van zijn advocaat slaagt. De advocaat is vanwege zijn beroep gehouden tot geheimhouding over de informatie die hem in die hoedanigheid is toevertrouwd. Dat betekent dat de advocaat niet hoeft mee te werken aan het verstrekken van informatie gevraagd op grond van het inzagerecht. Dit kan gaan over alle met de advocaat gewisselde gegevens, waarbij het aan de advocaat is om te bepalen of die gegevens hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd, zodat er slechts bij hoge uitzondering ruimte is om van de advocaat te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Het uitgangspunt is dat dit verschoningsrecht ook geldt voor de stukken van de advocaat die zich bij de cliënt bevinden. Het functionele verschoningsrecht zou anders eenvoudig kunnen worden omzeild. [gedaagde] heeft geen omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt.
De proceskosten in het incident worden gecompenseerd
3.8
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.In de hoofdzaak

4.1
De hoofdzaak zal op de rol komen van 13 mei 2026 voor het indienen van verhinderdata door partijen, waarna er een mondelinge behandeling zal worden ingepland.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1
beveelt [eiser] om aan [gedaagde] binnen twee weken na betekening van dit vonnis op duidelijke en overzichtelijke wijze afschrift te verstrekken van de correspondentie tussen (de advocaat van) [eiser] en Interpolis in de periode 5 maart 2015 t/m 11 april 2016,
5.2
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
5.5
bepaalt dat de advocaten van partijen op de roldatum van 13 mei 2026 aan de griffie van de rechtbank zullen opgeven de verhinderdata van partijen en hun raadslieden voor de maanden augustus tot en met november 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zal worden bepaald. Bij gebreke van (tijdige) opgave van verhinderdata of onvoldoende beschikbaarheid zal de rechtbank zelfstandig een tijdstip voor de mondelinge behandeling bepalen,
5.6
geeft [gedaagde] de gelegenheid binnen vier weken na ontvangst van de gevraagde stukken bij akte stukken in het geding te brengen voorzien van een toelichting, waarna [eiser] de gelegenheid krijgt om op een termijn van vier weken te reageren op de akte van [gedaagde] ,
5.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
5340