Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2322

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/2654
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening tegen CBR-besluit

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening aangevraagd tegen het besluit van het CBR om hem niet rijgeschikt te verklaren. Nadat het CBR het bezwaar van verzoeker gegrond heeft verklaard en het primaire besluit heeft ingetrokken, heeft verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling van het CBR.

De rechtbank heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren, waarop het CBR zich heeft geconformeerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat het CBR gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen door het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit in te trekken.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelt het CBR tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het CBR verplicht is het griffierecht van € 200,- te vergoeden, waarvoor verzoeker zich rechtstreeks tot het CBR moet wenden.

Uitkomst: Het CBR wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2654

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.J. van ‘t Hoff),
en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het CBR in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen het primaire besluit van het CBR van 27 maart 2026 om verzoeker niet rijgeschikt te verklaren. Hij heeft het verzoek ingetrokken, omdat het CBR op 16 april 2026 verzoekers bezwaar gegrond heeft verklaard en het primaire besluit heeft ingetrokken. Verder heeft het CBR in het besluit van 16 april 2026 medegedeeld dat aan zijn gemachtigde de in bezwaar gemaakte proceskosten worden vergoed.
1.1.
De rechtbank heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het CBR heeft zich in zijn reactie van 1 mei 2026 geconformeerd aan het oordeel van de rechtbank.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het CBR aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het CBR geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 7 april 2026 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend hangende zijn bezwaar tegen het primaire besluit, waarin verzoeker niet rijgeschikt is verklaard met het gevolg dat hij niet meer mag rijden met zijn huidige rijbewijs. Het CBR heeft op 16 april 2026 het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken en heeft bepaald dat het onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt heropend. Hiermee is het CBR (gedeeltelijk) tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoeker.
4.2.
Verzoeker heeft vervolgens het verzoek ingetrokken. Bij deze intrekking heeft verzoeker verzocht om het CBR te veroordelen in de proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet het CBR aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het CBR moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het CBR verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor tot het CBR wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het CBR tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:84, vijfde lid en artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:82, derde lid en artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.