ECLI:NL:RBMNE:2026:2325

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/5273
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 17.2.1 bestemmingsplan Oudere DorpArt. 1.31 bestemmingsplan Oudere DorpArt. 1.42 bestemmingsplan Oudere Dorp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor derde bouwlaag en dakkapellen

Eiser, wonend tegenover de woning aan een adres in de gemeente Gooise Meren, maakt bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het realiseren van een derde bouwlaag en dakkapellen aan de woning van de vergunninghouder. Het college verleende de vergunning op 17 april 2025 en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond op 5 augustus 2025. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank.

De kern van het geschil betreft de vraag of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan Oudere Dorp, met name over de maximale goothoogte, de hellingshoek van de kap en de toegestane dakkapellen. Eiser stelt dat het bouwplan een hogere goot creëert, de hellingshoek te steil is en de dakkapellen niet voldoen aan de planregels.

De rechtbank oordeelt dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan. De goothoogte wijzigt niet omdat het regenwater via bestaande goten wordt afgevoerd. De hellingshoek van 65° is conform de bouwtekening en de dakkapellen voldoen aan de voorgeschreven maatvoering en definitie. Het college had geen ruimte voor een belangenafweging omdat deze al bij het bestemmingsplan is gemaakt.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de omgevingsvergunning blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S.C.A. van Kuijeren op 7 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5273

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.H. de Kamper),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar).
De derde-partij
[derde belanghebbende](de vergunninghouder) heeft niet aan de zaak deelgenomen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan de vergunninghouder voor het realiseren van een derde bouwlaag en een dakkapel aan de voor- en achterzijde van de woning aan de [adres 1] in [plaats] , gemeente Gooise Meren. Eiser woont tegenover deze woning en is het niet eens met de verleende vergunning.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft besloten tot het verlenen van de omgevingsvergunning. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. De vergunninghouder heeft op 3 december 2024 bij het college een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een derde bouwlaag en een dakkapel aan de voor- en achterzijde van haar woning. Het college heeft met het besluit van 17 april 2025 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het bezwaar dat eiser hiertegen heeft ingediend, heeft het college met het besluit van 5 augustus 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4. Eiser is het nog steeds niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De vergunninghouder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om deel te nemen aan de procedure.
6. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn partner [A] , zijn gemachtigde en buurman [B] en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Derde-partij
7. Vóór de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank [C] , wonend aan de [adres 2] , voorlopig toegelaten om als derde-partij aan de procedure deel te nemen. [1] De rechtbank ziet aanleiding om op deze beslissing terug te komen. [C] had immers zelf bezwaar kunnen maken en beroep in kunnen stellen tegen de verleende omgevingsvergunning. Dat heeft zij niet gedaan. In dat geval kan zij niet als derde-partij alsnog aan deze procedure deelnemen.
Toetsingskader
8. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. De beoordelingsregels voor het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zijn vastgelegd in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna Bkl). Voor de toepassing van deze beoordelingsregels is relevant of de gevraagde omgevingsplanactiviteit wel of niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan gemeente Gooise Meren. In de kern is dit ook de vraag waar dit beroep om draait.
9. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit [2] wordt op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan die zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Dat betekent dat een aanvraag alleen kan worden geweigerd op grondslag van de in het omgevingsplan opgenomen regels. Als de omgevingsvergunning op grond van die regels niet kan worden geweigerd, moet (imperatief) de omgevingsvergunning worden verleend.
10. De woning waarop de aanvraag ziet heeft in het bestemmingsplan Oudere Dorp, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan gemeente Gooise Meren, de bestemming Wonen.
Bespreking beroepsgronden
11. De rechtbank stelt vast dat de kernvraag in deze zaak is of er sprake is van een weigeringsgrond vanwege strijd met de regels van het bestemmingsplan Oudere Dorp. Het college stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde activiteit (het bouwplan) past binnen het bestemmingsplan. Daarmee is er geen sprake van een weigeringsgrond en moet de vergunning worden verleend. Eiser vindt dat het bouwplan in strijd is met de planregels over de maximaal toegestane goothoogte, de hellingshoek van de kap en de toegestane dakkapellen. Het college had volgens hem de omgevingsvergunning niet zonder meer mogen verlenen maar had op z’n minst een belangenafweging moeten maken.
Maximale goothoogte
12. Volgens eiser wordt met het bouwplan een nieuwe, hogere goot gecreëerd. Uit artikel 2.5 van het bestemmingsplan volgt volgens hem dat de planwetgever niet de plaats waar de regengoot is aangebracht bepalend heeft geacht voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt, of waar een boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. Bij dit bouwplan wordt het overgrote deel van het hemelwater volgens eiser verzameld op het platte dak, waardoor het gebouw voornamelijk afwatert via dat platte dak. De goothoogte ligt daardoor volgens eiser op de plaats van de dakranden en is dus hoger dan de maximaal toegestane goothoogte van 6 meter.
13. De rechtbank oordeelt dat dit argument van eiser niet slaagt. Het college heeft er terecht op gewezen dat het platte dak een afschot heeft en een doorvoer naar het schuine pannendak. De afwatering van het platte dak loopt via die doorvoer naar de goot onder aan het dakvlak, wat ook blijkt uit de detailtekening die bij de omgevingsvergunning hoort. Artikel 17.2.1 onder q, van het bestemmingsplan bepaalt dat de goothoogte mag worden overschreden door onder andere hellende dakvlakken en dat is wat hier aan de hand. Anders dan waar eiser tijdens de zitting op heeft gewezen, is ook geen sprake van een zinken goot op de bouwtekening maar wordt een zinken kraal als afwerking van de bovenkant aangebracht. Daarmee wordt er dus evenmin een nieuwe goot(hoogte) gecreëerd. De rechtbank kan dit volgen. Duidelijk is dat regenwater via de doorvoer en/of de kap afwatert aan de onderkant van het schuine dakvlak via de bestaande goot. De goothoogte wijzigt dus niet door het bouwplan. Er is dan ook op dit punt geen sprake van strijd met het bestemmingsplan.
Hellingshoek van de kap
14. Eiser voert aan dat de hellingshoek van de hellende daken te hoog is. Uit de meting met een digitale geodriehoek op de bouwtekening blijkt volgens eiser dat de hellingshoek meer bedraagt dan 65°. Dat betekent dat de toevoeging van de extra bouwlaag (het bouwplan) geen kap is in de zin van artikel 17.2.1, onder r, en artikel 1.42 van het bestemmingsplan. Het bouwplan is volgens eiser dus in strijd met de regels van het bestemmingsplan.
15. Ook deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Bij het beoordelen van de verleende omgevingsvergunning is de aanvraag, met de daarbij horende bouwtekeningen, leidend. Op de detailtekening staat duidelijk aangegeven dat de hellingshoek van het dak 65° bedraagt. Dat geeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende zekerheid dat een hellingshoek van 65° is vergund en het dus niet is toegestaan om een steilere kap aan te brengen. Eiser heeft er tijdens de zitting op gewezen dat de opmerking op de bouwtekening kenbaar onjuist is en dat het college had moeten uitgaan van de geometrische gegevens van de bouwtekening. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Het toevoegen van de opmerking neemt juist iedere twijfel weg over hoeveel graden de hellingshoek bedraagt.
De dakkapellen
16. Eiser voert aan dat het college de regels van het bestemmingsplan verkeerd interpreteert. Artikel 17.2.1, onder s, van het bestemmingsplan is volgens eiser alleen van toepassing als een dakkapel goten heeft. In dit geval stelt niemand dat de dakkapellen eigen dakgoten hebben, zodat dit artikel toepassing mist. Verder blijkt uit artikel 17.3.3 van het bestemmingsplan dat de planwetgever een hogere goothoogte onder voorwaarden wel wil toestaan, maar alleen bij een dakopbouw met bescheiden afmetingen. Het door de vergunninghouder ingediende bouwplan is echter te groot.
17. De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vergunde dakkapellen voldoen aan artikel 17.2.1, onderdeel s, onder 1 en 2, van het bestemmingsplan. Zowel de dakkapel aan de voorzijde, als die aan de achterzijde voldoen qua breedte aan de voorgeschreven maatvoering en in dat geval mogen de dakkapellen de goothoogte van een hoofdgebouw overschrijden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze dakkapellen niet voldoen aan de definitie voor dakkapellen zoals opgenomen in artikel 1.31 van het bestemmingsplan. In dat verband heeft het college er ook terecht op gewezen dat een dakkapel een ander bouwwerk is dan een dakopbouw en dat nergens uit blijkt dat de planwetgever heeft beoogd dat een maximale goothoogte alleen mag worden overschreden door een dakopbouw. Als dat het geval zou zijn, zou artikel 17.2.1, onderdeel s, immers niet zijn opgenomen in het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

18. De conclusie is dat het bouwplan van vergunninghouder voldoet aan de beoordelingsregels voor deze omgevingsplanactiviteit en dus moest het college de omgevingsvergunning verlenen. Dit betekent ook dat het college geen ruimte heeft voor een nadere belangenafweging. Die belangafweging heeft namelijk al plaatsgevonden bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat van rechtswege onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan.
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit wordt geregeld in artikel 8:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit is een activiteit die voldoet aan de regels van het omgevingsplan.