ECLI:NL:RBMNE:2026:2328

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/2941
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen besluit gemeente over speeltuinwijzigingen

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, waarin het bezwaar van verzoeker tegen een brief over aanpassingen aan een speeltuin niet-ontvankelijk werd verklaard.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, hetgeen hier ontbreekt. Hoewel verzoeker stelt dat de werkzaamheden aan de speeltuin nog niet volledig zijn afgerond en dat er geluidsoverlast is, zijn deze omstandigheden onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen.

De voorzieningenrechter stelt dat de gemeente de speeltuin altijd kan herstellen in de oude staat, waardoor geen onomkeerbare gevolgen ontstaan. Ook het feit dat het hekwerk niet volledig aansluit en andere werkzaamheden nog niet zijn gerealiseerd, leidt niet tot een spoedeisend belang.

Verder is het oordeel dat het besluit niet evident onrechtmatig is, zodat ook op die grond geen voorlopige voorziening wordt toegekend. De uitspraak bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet en partijen kunnen tegen deze uitspraak geen hoger beroep instellen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2941

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: P. Oussoren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college van 16 april 2026 waarin het bezwaar van verzoeker tegen de brief van 27 januari 2026 niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de brief geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Met de brief van 27 januari 2026 is verzoeker bericht dat de speelplaats in [locatie] in [plaats] wordt aangepast. Het college heeft besloten om de heuvel af te graven, de bestaande hoge glijbaan te vervangen door een kleine glijbaan, een groenstrook om de speeltuin te maken waar de bestaande bomen naar worden verplaatst en hekken met een beukenhaag te plaatsen ter voorkoming van beklimming van het talud.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij van oordeel is dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. [2] Een voorlopige voorziening is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening speelt de spoedeisendheid daarom een belangrijke rol.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zo’n spoedeisend belang in dit geval geen sprake. De griffier heeft verzoeker op 28 april 2026 een brief gestuurd met daarin het verzoek om te onderbouwen wat zijn spoedeisend belang is op grond waarvan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening moet treffen nu de gemeente op
24 april 2026 de rechtbank heeft bericht dat de in de brief van 27 januari 2026 genoemde werkzaamheden aan de speeltuin inmiddels zijn afgerond.
6. Verzoeker voert aan dat de werkzaamheden aan de speeltuin, in tegenstelling tot wat het college stelt, nog niet zijn afgerond. Zo sluit het geplaatste hekwerk niet aan op het talud, zodat kinderen nog steeds op het talud kunnen klimmen. Naast het hekwerk is ook een ander deel van de door de gemeente aangekondigde werkzaamheden nog niet gerealiseerd. Ter illustratie heeft verzoeker een actuele foto van de speelplaats overgelegd, waaruit volgens verzoeker blijkt dat de werkzaamheden nog niet zijn afgerond. Ook in de dagelijkse overlast van de speeltuin is volgens verzoeker een spoedeisend belang gelegen.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het treffen van een voorlopige voorziening alleen dan noodzakelijk wanneer anders onomkeerbare gevolgen zouden ontstaan. Met de inmiddels uitgevoerde werkzaamheden aan de speeltuin (de voorzieningenrechter laat in het midden of deze wel of niet geheel zijn afgerond) zullen echter geen onomkeerbare gevolgen ontstaan, omdat de gemeente de speeltuin altijd weer in oude staat kan herstellen. Van een spoedeisend belang is dus geen sprake. De enkele omstandigheid dat verzoeker nu geluidsoverlast van de speeltuin ondervindt is ook onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. De werkzaamheden waar verzoeker tegen opkomt betreffen immers slechts beperkte wijzigingen aan de speeltuin, niet de oprichting daarvan.
8. De overige aspecten die verzoeker aanvoert, zal de rechtbank in de bodemprocedure moeten beoordelen, maar maken niet dat op dit moment het treffen van spoedmaatregel nodig is. De conclusie van dit alles is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
9. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit tot niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen sprake.
10. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
2.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.