ECLI:NL:RBMNE:2026:2344

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/16/605428 / JL RK 26-23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige met diabetes type 1 wegens onvoldoende ouderlijke zorg

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2022, die volledig afhankelijk is van medische zorg vanwege diabetes type 1. De vader en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar de vader slaagt er onvoldoende in om de noodzakelijke zorg te bieden. Sinds augustus 2025 is het contact tussen vader en kind stopgezet op advies van Veilig Thuis vanwege gezondheidsrisico's.

De kinderrechter constateert dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de situatie, mede door het ontbreken van een vaste verblijfplaats van de vader en de gebrekkige communicatie tussen ouders. Vrijwillige hulpverlening blijkt onvoldoende om de bedreigingen weg te nemen.

Daarom wordt de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar uitgesproken, met als doelen het waarborgen van medische controles, het verbeteren van de zorgverantwoordelijkheid van de ouders, het herstellen van contact met beide ouders, en het bevorderen van een stabiele opvoedomgeving. De beschikking is direct uitvoerbaar en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor één jaar onder toezicht gesteld vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door onvoldoende ouderlijke zorg.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/605428 / JL RK 26-23
Datum uitspraak: 13 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. W.F. Wienen,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026, mee in haar beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] namens de Raad;
- [B] en [C] namens de GI.
De zaak met nummer C/16/605084 / FL RK 26-17 (wijziging gezag) is gelijktijdig behandeld.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder begrijpt het verzoek, maar heeft er geen vertrouwen in dat een ondertoezichtstelling gaat werken. De moeder vraagt anders om de ondertoezichtstelling voor zes maanden uit te spreken in plaats van twaalf en te bezien of er tegen die tijd hulpverlening is opgestart en enige vooruitgang is geboekt.
4.2.
De vader heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat zij in verband met haar diagnose diabetes type 1 volledig afhankelijk is van medische zorg. De ouders hebben daarvoor beide diabetes educatie gekregen, maar het lukt de vader onvoldoende om dit in de praktijk te brengen. Sinds augustus 2025 is er geen omgang meer tussen [minderjarige] en de vader. Dit is op advies van Veilig Thuis stopgezet omdat de waardes van [minderjarige] naar 2,0 daalden wat een [aandoening] veroorzaakte. Ook is het in het belang van [minderjarige] dat haar een gestructureerde en stabiele opvoedomgeving wordt geboden. Dat maakt ook de omgang met de vader ingewikkeld, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Er zijn daarnaast zorgen over de beschikbaarheid, inzicht en voorspelbaarheid van de vader. Verder is het ook zorgelijk hoe de ouders met elkaar communiceren in het bijzijn van [minderjarige] en lukt het hun niet goed genoeg om samen te overleggen. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening en daarom is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
5.3.
Om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen, moet worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • [minderjarige] heeft controles bij Kinderkliniek;
  • [minderjarige] heeft ouders die verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de zorg van haar diabetes;
  • [minderjarige] heeft contact met haar beide ouders;
  • [minderjarige] heeft ouders die haar beschermen tegen onrust en spanningen tussen ouders onderling;
  • er komt zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders;
  • de ouders zijn in staat om samen te werken en afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Indien dit niet mogelijk blijkt, hebben ouders een manier gevonden om elkaar waar nodig over [minderjarige] te informeren, zonder dat dit strijd oplevert.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 13 april 2026 tot 13 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 door
mr. D. van Bloemendaal, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Terpstra als griffier, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.