Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2376

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
609059 HA RK 26-58
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 29a lid 1 RvArt. 29a lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in ondertoezichtstelling kinderen

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een zaak over de ondertoezichtstelling van zijn kinderen. Hij stelde dat hij ongelijk werd behandeld en gediscrimineerd vanwege zijn persoonlijke en medische achtergrond, en dat zijn recht op hoor en wederhoor was geschonden doordat hij de toegang tot de zitting werd ontzegd.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek ontvankelijk was omdat nog geen einduitspraak was gedaan, maar een tussenbeslissing. Uit de zittingsaantekeningen bleek dat de rechter verzoeker niet onredelijk of verward had genoemd en dat zij het onderwerp van de zitting had afgebakend. De rechter had verzoeker verzocht te gaan zitten toen hij meerdere keren wilde vertrekken en hem uiteindelijk verzocht de zaal te verlaten.

De rechter maakte gebruik van haar wettelijke bevoegdheid om mondeling uitspraak te doen in afwezigheid van verzoeker vanwege spoedeisend belang. De wrakingskamer zag hierin geen objectieve schijn van partijdigheid. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectieve schijn van partijdigheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 609059 HA RK 26-58
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 mei 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 24 maart 2026 om 16:25 uur de behandelend rechter gewraakt. Mr. A.M.J. van der Weide (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer C/161607603 / JE RK 26-267 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 21 april 2026 met gesloten deuren behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
  • Mr. A.M.J. van der Weide. Ook aanwezig was mr. L. Witten, aan wie op verzoek van mr. Van der Weide bijzondere toegang is verleend;
  • [A] , belanghebbende in de hoofdzaak;
  • [B] en [C] namens Samen Veilig.
Verzoeker is niet verschenen. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend, waarop verzoeker weer schriftelijk heeft gereageerd. Na de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker op 22 april 2026 (onder meer) aangegeven dat hij niet naar de zitting van 21 april 2026 kon komen omdat hij vlak voor die zitting werd aangereden. Verzoeker verzoekt om de zitting te verplaatsen met minimaal twee weken. Dat verzoek is op 23 april 2026 afgewezen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Volgens verzoeker is hij door de rechter ongelijk behandeld en gediscrimineerd op basis van zijn persoonlijke en medische achtergrond. Verzoeker stelt dat de rechter hem heeft weggezet als ‘onredelijk’ of ‘verward’ zonder rekening te houden met zijn genetische gesteldheid. Verzoeker stelt dat doordat de rechter hem de toegang tot de zitting heeft ontzegd zijn recht op hoor en wederhoor is geschonden en dat daarmee ook de schijn is gewekt dat de rechter niet onbevooroordeeld naar de zaak kijkt.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter heeft aangegeven dat zij ter zitting het kader van de zitting heeft geschetst, verzoeker niet onredelijk of verward heeft genoemd, maar wel heeft gezegd dat verzoeker een aantal stukken had ingediend die voor deze procedure niet van belang zijn. In haar schriftelijke reactie is de rechter daarnaast ingegaan in op de situatie dat verzoeker de zitting vroegtijdig heeft verlaten. Met verwijzing naar wetsartikelen heeft de rechter gesteld dat zij de bevoegdheid heeft om mondelinge uitspraak te doen ook als partijen daarbij niet aanwezig zijn.

3.De beoordeling

3.1.
In artikel 36 Rv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ontvankelijkheid verzoeker
3.2.
Op 24 maart vond de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak plaats. In de
hoofdzaak heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om de kinderen van verzoeker en [A] voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen. De rechter heeft na de mondelinge behandeling op 24 maart direct mondeling uitspraak gedaan. De zitting was om 16:00 uur afgelopen. Uit de zittingsaantekeningen en de beschikking van 24 maart 2026 volgt dat de rechter het verzoek heeft toegewezen voor de duur van 6 maanden en de zaak voor de overige verzochte zes maanden heeft aangehouden.
3.3.
Een wrakingsverzoek kan worden ingediend totdat de behandelend rechter einduitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Na een einduitspraak eindigt de procedure namelijk en is er dus geen “behandelend rechter” meer zoals wordt bedoeld in artikel 36 Rv Pro. In onderhavig geval heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan en was de zitting om 16:00 uur klaar. Het wrakingsverzoek is ontvangen om 16:25 uur. Omdat de rechter het verzoek gedeeltelijk heeft toegewezen, maar voor het overige heeft aangehouden, is nog geen sprake van een einduitspraak, maar van een tussenbeslissing. Verzoeker wordt daarom ontvangen in zijn verzoek. Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek inhoudelijk zal beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling wrakingsverzoek
3.4.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.5.
Verzoeker stelt dat hij tijdens de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak ongelijk is behandeld en dat hij onvoldoende is gehoord. De wrakingskamer moet beoordelen of door de wijze waarop de zitting is geleid door de rechter de objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.
3.6.
De wrakingskamer overweegt dat uit de zittingsaantekeningen blijkt dat de rechter verzoeker niet onredelijk of verward heeft genoemd. Ook blijkt dat de rechter het onderwerp van de zitting heeft afgekaderd door aan te geven dat het tijdens de zitting gaat over de kinderen van verzoeker en of zij onder toezicht moeten worden gesteld en niet over verzoeker zelf. Op moment dat verzoeker toch buiten dit onderwerp van de zitting wilde treden, heeft de rechter verzoeker daarop aangesproken. De wrakingskamer overweegt dat het aan de rechter is om te bepalen waarover, op welke moment en op welke manier zij een vraagt stelt. De rechter heeft ook de mogelijkheid om over bepaalde onderwerpen geen vragen te stellen. De wrakingskamer ziet in de door de rechter gestelde vragen en wijze waarop zij het onderwerp van de zitting heeft ingeperkt, niet dat een objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.
3.7.
Uit de zittingsaantekeningen en de op schrift gestelde mondelinge uitspraak volgt dat verzoeker tijdens de behandeling een aantal keer is opgestaan en weg wilde gaan. De rechter heeft hem toen verzocht om weer te gaan zitten. Toen dit zich op enig moment weer herhaalde, heeft de rechter verzoeker weer verzocht te gaan zitten. Verzoeker weigerde dat en de rechter heeft hem vervolgens verzocht weg te gaan. Nadat verzoeker de zaal had verlaten en de behandeling even later was geëindigd heeft de rechter aansluitend mondeling uitspraak gedaan.
3.8.
Voor zover het wrakingsverzoek zich richt op het doen van mondelinge uitspraak in de afwezigheid van verzoeker, overweegt de wrakingskamer als volgt. Op grond van artikel 29a lid 1 Rv en artikel 29a lid 5 Rv kan de rechter in het geval van een spoedeisend belang, ongeacht of alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondeling behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen. De rechter heeft aangeven dat zij het in het belang van de kinderen noodzakelijk vond om mondeling uitspraak te doen. De rechter heeft hiertoe de wettelijke bevoegdheid en de wrakingskamer ziet hierin dan ook geen feit of omstandigheid waaruit de objectieve schijn van partijdigheid volgt.
3.9.
Gelet op het voorgaande, is de wrakingskamer van oordeel dat door de wijze waarop de inhoudelijke behandeling door de rechter plaatsvond en de wijze waarop zij mondeling uitspraak heeft gedaan, geen objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.
Conclusie
3.10.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/161607603 / JE RK 26-267 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, en mr. M.S.T. Belt en mr. G. Konings als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L.M. van Bemmelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.